Categorie archief: Geen categorie

Nieuws/ Lente 2019

Inconsistenties in het mainstream cultureel-politieke vertoog

Hoezo Vrijheid van godsdienst, van onderwijs?

Het is bon ton nieuwkomers in ons land naast de strenge meetlat van de zogeheten ‘democratische rechtstaat’ te leggen. Naarmate de xenofobie toeneemt, des te larmoyanter wordt de flinksheid  waarmee de liniaal gehanteerd wordt. Maar meer en meer dreigt men daarbij in het eigen rechtstatelijke zwaard te vallen. Dat komt niet in de laatste plaats doordat  men het contradictoire karakter van de wortels van de eigen historische gegroeide cultuur niet meer kent of niet meer wil kennen. Soms leidt dat tot ridicule situaties die tot enige vrolijkheid aanleiding zouden kunnen worden, ware het niet dat een en ander met zoveel  kwaadaardigheid gepaard gaat dat menigeen de lust tot lachen vergaat.

De grootste bron van misverstanden, hilariteit en kwaadaardigheid  vormt  in dit verband wel  de complexe verzameling aan onderwerpen gerelateerd aan godsdienst en levensovertuiging.  Nederland wordt, niet in de plaats door de zogeheten culturele -zich vaak graag als liberaal of ‘vrijzinnig’ afficherende – elite, volstrekt ten onrechte gekenschetst als een natie waar de scheiding van kerk en staat zo ongeveer werd uitgevonden. Daarbij wordt bovendien ook nog curieus genoeg een typisch Frans-laïcistische interpretatie van dit beginsel  aangehangen die daar voorbij puur neutralistisch tot uitgesproken antireligieus gaat.  In de Franse traditie is dat verklaarbaar op de historische positie van een omnipotente rooms-katholieke kerk. Die allesoverheersende factor heeftin Nederland altijd ontbroken, hier ging het  – tenminste sinds de Bataafse Revolutie aan het eind  van de 18e eeuw – primair om de vrijheid van godsdienst , van verschillende godsdiensten wel te verstaan, waarbij niet  en bepaalde religie allesoverheersend was. Dat  de herinnering aan die religieuze pluriformiteit  in de loop van de  tweede helft van de 20e eeuw zo plotseling  en grondig verdrongen is  houdt niet alleen verband met de snelheid waarmee de ontkerstening hier toesloeg maar ook met heftigheid waarmee dat gebeurde – als een breuk met het  culturele en vooral sexuele conformisme van de verzuilde elite die tot dan toe top down niet alleen de politiek maar ook de cultuur compleet had gedomineerd.  Aan dat verleden wil geen kind van de sixties of seventies graag herinnerd worden terwijl het tegelijkertijd onvermijdelijk deel blijft uitmaken van het belevingsreservoir en -repertoire.  Het is dat collectief verdrongen herinneringslandschap dat ons roomser dan de meest laïcistische paus heeft gemaakt en ons plotseling weer in paniek brengt als we geconfronteerd worden met enige vorm van religieus of cultureel traditionalisme, zeker als dat uit vreemde en verre bron komt.

 Vreemd en ver, zowel  religieus-cultureel als geografisch. De diverse immigranten die zich hier de afgelopen decennia vestigden kwamen in menig opzicht van ver. Zij kwamen in een samenleving die de grootste moeite hield zichzelf en zijn verleden te begrijpen maar daar vaak niet voor durfde uit te komen.  Als reactie op de hardnekkige vormen van uitsluiting en discriminatie die ze vaak ontmoetten vonden migranten steun en kracht in cultuur en religie uit hun land van herkomst.  Die steun en kracht vormden voor de ‘autochtone’ Hollandse omgeving juist weer stenen des aanstoots omdat die omgeving  daarmee geconfronteerd werd met het eigen religieuze verleden waarvan men dacht men dat voorgoed  en met succes achter zich had gelaten.

 Met succes achter zich gelaten? De werkelijkheid is taaier en weerbarstiger. De typisch Hollandse hokjesgeest  en leerstellige steilheid lijken in de confrontatie met het ‘vreemde’ en de ‘vreemde’  een wonderbaarlijke herrijzenis te beleven, maar dan getransformeerd  in zogeheten ‘moderne’, geseculariseerde en vaak stereotiep antireligieuze houding. Een houding die in het beste geval migranten van niet-westerse afkomst niet ziet staan, in het slechtste geval hen onbeschaamd afwijst en uitsluit. Met als aanleiding vaak die eeuwige religie waarvan men zegt afstand te hebben gedaan. Met als onvermijdelijke twistappel die relicten uit de eigen Heilige Rechtstaat die herinneren aan het eigen pijnlijke verleden: de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs. Er worden al jarenlang alibi’s gezocht om die vrijheden aan bepaalde islamitische denominaties te kunnen ontzeggen. De staat die zich in religieuze richtingenstrijd wil mengen – de vaderlands-historische klok honderden jaren teruggedraaid, Van Oldenbarneveldt draait zich in zijn graf om. En intussen kunnen Pegida en andere fascisten straffeloos hun gang gaan…..

  =====nieuw op de site: =====================================================

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

.PU  Tussen Doggersbank en ‘Drooglijn’ : naar een heroïek van de terugtocht (in De Nederlandse Boekengids nr. 2/2019, Amsterdam 2019).

Nieuws/ Winter 2018-2019

De Europese dimensie van de Franse woede

Toen Macron mei vorig jaar president werd was de reactie binnen het zogeheten ‘weldenkend deel’ van ons werelddeel zelfgenoegzaam jubelend. Het spook van het populisme zou met verve in zijn hok terug gezet zijn, de conform de vertrouwde ordoliberale orders gedrilde EU kon gelukkig weer in volle vaart voorwaarts. Die zelfgenoegzaamheid was ook toen al even voorbarig als misplaats. Als Macron in de tweede ronde niet tegen Le Pen maar tegen Mélenchon had moeten uitkomen, was de overwinning naar links gegaan. Dat zou geen ondenkbare uitslag geweest zijn als het maar iets anders was gelopen; zo ver liepen de uitslagen tussen de voorste vier kandidaten in de eerste ronde ook  niet weer uiteen.

In de ogen van zijn toegewijde fans in binnen -en buitenland was Macron de aangewezen persoon om de vastgelopen politieke en sociale verhoudingen op zowel nationaal als Europees vlak te doorbreken. Als sociaal liberaal, maar al te graag flirtend met zowel de de laat 18e-eeuwse/ vroeg 19e-eeuwse utopische en meritocratische socialist Saint Simon als  een hedendaagse trendy ‘flexisécurité à la scandinavie’,  leek hij daarvoor bij uitstek geschikt. Maar achter die mooi en edel ogende facade bleek alras vooral een harde autoritaire praktijk schuil te gaan waarbij met succes  over de hele linie een aanval werd ingezet op sociale rechten en verworvenheden. Tot op heden met succes inderdaad – in de frontale conflicten over kwesties als de nieuwe arbeidswetgeving als de reorganisatie van de spoorwegen wist hij de vakbonden meesterlijk tegen elkaar uit te spelen. Daarbij bedwong hij het parlement door het uitvaardigen van een reeks decreten [‘ordonnances’] waarmee een serieuze nauwgezette parlementaire behandeling van de wetgeving onmogelijk gemaakt werd. Van enig tegenspel  in het parlement is daarbij nauwelijks sprake.  Macrons politieke formatie ‘La République en Marche’ beschikt over een zeer gerieflijke meerderheid in zowel Assemblée als Senaat. Tegen die achtergrond heeft zijn manier van optreden iets angstvallig voorzichtigs als dat van een controlfreak, alsof hij die hele decretenparade op touw heeft gezet om zijn goeddeels nog politiek totaal onervaren parlementariërs koste wat kost te behoeden voor welke foute daad of zelfs maar gedachte dan ook. Onwillekeurig doemt een beeld op van een president als een karikatuur van een Napoleon die de weg is kwijt geraakt in de 21e eeuw. Een karikatuur van sociale contactgestoordheid, gelet op hoe hij  ‘het volk’ in de gedaante van de ‘gele hesjes’ aanvankelijk helemaal niet zag staan.

De gele hesjes vormen in alles het tegendeel van waar Macron en zijn sociale milieu voor staan. Hij is niet alleen de president van de rijken maar ook vooral de president van de steden – van de booming metropolitaine stadsregio’s als Lyon en Bordeaux en de succesvolle yuppen die daar wonen. De aanvankelijk vooral tegen de gestegen brandstoffenprijzen agerende activisten van de pendelende gele hesjes moeten vaak uit economische noodzaak in de stad werken maar wonen om financiële redenen verderop – op het omringende  platteland waar een dak boven je hoofd een stuk minder kost maar waar het openbaar vervoer inmiddels wel grondig is afgebroken ten gunste van de verdere uitbouw van TGV’s voor het snelle metropolitaine Frankrijk [1].

De natiebrede opstand die begon met de gele hesjes kan zich met de Europese verkiezingen van mei 2019 in het vizier faliekant gaan keren tegen het keurslijf dat de ‘Brussel’ het nationale Franse staatsbudget oplegt. Dat keurslijf wordt hier al jaren lang als een schaamteloos over-Rijns Diktat ervaren, alsof de trotse Franse ‘hexagone[2] tot in de eeuwigheid onderhorig zou moeten blijven aan het Heilige Ordoliberale Rijk de Duitse Economie [3]. Als Mélenchon in 2017 president geworden was, had hij dat imperium de wacht aan willen zeggen [4]. Mocht Macron onder de volkswoede bezwijken, zou in het scenario van Mélenchon een op drift geraakt Frankrijk dan de hefboom kunnen worden om in zowel EU als Eurogroep de sociaal-economische bakens fundamenteel te verzetten? – iets waar andere rebelse landen als Griekenland of Italië niet toe in staat zijn. Het is een even riskante als discutabele strategie. Riskant. Omdat zo’n strategie het oplevend nationalisme in Europa, niet zelden gepaard gaande met onaangenaam autoritaire trekken, gevaarlijk in de kaart zou spelen. Discutabel, omdat het maar zeer de vraag of Europa onder Franse dominantie beter af zou zijn. Het vooral tot diep in Oost-Europa doordringende Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie mag dan geen sociale schoonheidsprijs verdienen, dat geldt evenzeer voor de manier waarop Frankrijk economisch en financieel [5] nog steeds zijn neokoloniale macht in westelijk Afrika misbruikt. En economisch en ecologisch heeft de hexagone ons werelddeel zeker niet meer te bieden dan zijn in deze opzichten succesvolle oosterbuur.

Waarschijnlijk bezwijkt Macron niet, maar moet hij wel – net als zijn voorganger Hollande overigens – verder als aangeschoten wild zijn ambtstermijn uitzitten. Die situatie zou wellicht de mogelijkheid kunnen bieden om – gebruik makend van het door de Franse volkswoede opgewekte verzetsgeest – de komende jaren van onderop een Europa-brede beweging op gang te brengen. Een beweging die met de Europese verkiezingen in zicht zijn eerste piketpaaltjes kan slaan. In dit verband lijkt het initiatief interessant dat de econoom/ historicus Thomas Piketty [auteur van de geruchtmakende studie Kapitaal in de 21e eeuw uit 2013] in december [2018] lanceerde. In een manifest ondersteund door  meer dan vijftig vooraanstaande economen, historici en [oud-]politici  verspreid over heel Europa, van Groot Brittannië tot Slovenië en van Duitsland tot Griekenland en Spanje, wordt gepleit voor een [ her]oprichting van de EU op het vlak van democratie, duurzaamheid en sociale gelijkheid en rechtvaardigheid. Dat zou gestalte moeten krijgen in de vorm van een nieuw Europees democratisch lichaam met een eigen substantieel budget, om te beginnen rond de 800 miljard. Daarmee zouden de sociale en ecologische scheefgroei in ons werelddeel gericht bestreden moeten worden, allereerst in de vorm van publiek te financieren investeringen – met name in innovatie om nieuwe banen mogelijk te maken alsook in groene technologie. Alsook in de vorm van financiële steun aan landen in een vluchtelingen-crisis en aan landen om er de overgang naar een duurzame industrie en landbouw mogelijk te  maken. Het geld daarvoor zou goeddeels moeten komen uit Europabreed te heffen winst, inkomsten- en vermogensbelastingen: op de winst van bedrijven [37%],  op de inkomens van particulieren [10%  respectievelijk 20% voor inkomens boven de 1 resp. 2 ton per jaar, boven op de nationaal te heffen inkomstenbelastingen]  en op vermogens [1% respectievelijk 2 % per jaar op vermogens van e 1  resp. 5 miljoen. De rest [ 10 % – 80 miljard] zou moeten worden uit belastingen op CO2-emissies [6]. Piketty’s benadering is  helaas – zoals gebruikelijk bij hem – sterk top down, voornamelijk institutioneel en daarbij vooral fiscaal gericht. Bovendien blijven vanuit zijn invalshoek de totaal uit balans geraakte sociaal-economische machtsverhoudingen in ons werelddeel nagenoeg buiten schot. Voor een échte Europa-brede beweging van onderop zijn concrete thema’s nodig die mensen in actie kunnen brengen. Radicale democratische zelforganisatie, het dominante parlementarisme en corporatisme ruimschoots voorbij, vormt daarvoor een onmisbaar ingrediënt – als herkenningsmotief en bindmiddel om de  gele, groene en rode hesjes van nu en in de toekomst te kunnen verenigen.

Projecten in uitvoering en voorbereiding
Winter/Voorjaar 2018-2019

 Tot en met januari 2019 ben ik samen met landschapsarchitect  Arjan Nienhuis bezig met de afronding van het project Moerasdraak bespeelt waterwolf [7]. De plaats van handeling van dit project is  Den Bosch – bijgenaamd ‘moerasdraak’ -, nabuurstad Oss en het hier gelegen gebied van Beerse Overlaat, een binnendijkse rivier die zich hier eertijds  in natte jaargetijden breed maakte. Wat is de relevantie van dit watererfgoed van rivierstad en –land – waaronder dat van de Zuiderwaterlinie – voor hedendaagse klimaatopgaven? -dat was hier de centrale onderzoeksvraag. Een en ander mondde uit in een toekomstgericht interdisciplinair ontwerpend onderzoek in de geest van Krayenhoff en Lodewijk Napoleon, Deltacommissie en Ruimte voor de Rivier ruimschoots voorbij. Een en ander vond plaats in samenwerking met ondermeer de gemeentes Den Bosch en Oss, de provincie Noord-Brabant en het Waterschap  Aa en Maas  en werd financieel mede mogelijk gemaakt door het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie [SCI] en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [RCE].  We gaan nu als vervolgproject hierop onderzoeken of en hoe de problematiek van de van Groningen tot Bergen op Zoom lopende en door de klimaatverandering steeds verder landinwaarts verschuivende ‘Drooglijn’  [8] ook elders in ons land op vergelijkbare manier benaderd kan worden. Om te beginnen aan de hand van andere locaties in het rivierengebied, met de overslagbestendige dijk als concrete aanleiding en selectieve sloop van bebouwing als mogelijk onderdeel van het  repertoire  aan klimaatadaptieve stedenbouwkundige ingrepen.

Daarnaast bevindt zich een educatief project onder werktitel Migratieroutes door de wereld, migratiereizen door de stad  [over Den Haag en omgeving] In een oriënterende fase. Er wordt gedacht aan een mobiel-geografische invalshoek [bijvoorbeeld aan de hand van routes  en tijdreizen] aan de hand waarvan de wereldwijde migratieverhalen met de migratieverhalen binnen de stad verbonden kunnen worden. Een stad als het cultureel en sociaal zo diverse Den Haag is bij uitstek geschikt om als playground voor een dergelijke opzet te dienen. Een verkenningstocht met de vraag hoe nieuwkomers hun weg in de stad vonden en vinden. Hoe hardnekkige barrières te doorbreken zijn: tussen ‘veen’ en ‘zand’, arm en rijk, privé en publiek. En waar en hoe je je liefste schuilheuvels in de raadselachtige Haagse stadsarchipel kunt vinden.

Over deze twee en mogelijk nog andere toekomstige plannen bericht ik meer in volgende afleveringen van deze nieuwsbrief. 

NOTEN

[1]
Zeer illustratief in dit verband is de achtergrondonderzoeksnotitie  die de Fondation Jean Jaurès in november [2018] het licht deed zien waarin ondermeer werd ingezoomd op het gebied Nord/ Pas de Calais, waar de wegblokkades van de hesjes zich niet alleen concentreren in de oude zieltogende mijnrevieren maar met name ook op strategisch gelegen rotondes aan de randen van een in de laatste decennia met de opening van de Kanaaltunnel sterk opgekomen stad als Lille/ Rijsel – als symbolische landmarks in hun strijd. Meer hierover zie: Matthieu Goar, Les “gilets jaunes”, symptóme du déclassement  In :  Le Monde van 29 november 2018, blz. 8 [met intrigerende themakaart van Nord/ Pas de Calais]

[2]
Dat betekent zeshoek; verwijst naar de zeshoekige omtrek van de grenzen op de kaart van Frankrijk

[3]
De term is met een knipoog ontleend aan: Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand  In : Le Monde diplomatique februari 2018 blz. 13

[4]
Jean Luc Mélenchon, Le choix de l’’insoumission [biografisch onderhoud met Marc Endeweld] en dan het  laatste hoofdstuk Une échappe vers l’avenir  [vanaf blz. 325] Parijs [Éditions du Seuil] 2016

[5]
Een treffend staatje van Frans financieel neokolonialisme is te vinden in : Scandal: according to a german newspaper, Africa pays approximately  400 billions euros anaually to France  In: How Africa News 29 nov. 2018  zie link: https://howafrica.com/scandal-according-to-a-german-newspaper-africa-pays-approximately-400-billion-euros-annually-to-france/?fbclid=IwAR3v40Cy7yePA5OfR4a7NKtJTrYHhOBcFSGcCxxvsHiVIqr-hrxzWn6ky0o

[6]
=Jennifer Rankin,  Group led by Thomas Piketty presents a plan for ‘a fairer Europe’    In The Guardian  9 dec. 2018 ; zie ook de link:  https://www.theguardian.com/world/2018/dec/09/eu-brexit-piketty-tax-google-facebook-apple-manifesto?CMP=Share_iOSApp_Other&fbclid=IwAR1q8jVWP-yp1uRCLufF4a7R0lYUvhYUt6AHiLKSMrLAJCbNfL9uF29YrGg

=Thomas Piketty, Our manifesto to save Europe  from itself  In: The Guardian  9 dec. 2018 Zie link: https://www.theguardian.com/commentisfree/2018/dec/09/manifesto-divided-europe-inequality-europeans

=Manifeste pour la démocratisation de l’Europe   In: Le Monde 11 dec. 2018, blz. 24; zie ook de link met aanvullende  informatie op de site : www.tdem.eu

zie link: risse of
= Het is overigens niet de eerste keer dat Piketty zich inzet voor de democratisering van de EU; zie ook:
Stephanie Hennette, Thomas Piketty e.a. Naar een democratischer Europa – Voorstel voor een nieuw verdrag Amsterdam [De Bezige Bij] 2017. Daarin  wordt met name gepleit voor de instelling van een eigen parlement voor de eurozone, mét de nodige bevoegdheden.

[7]

Zie: voor een korte voorlopige samenvatting van dit project :  KEER – Klimaatadaptie, Energietransitie, Erfgoed &  Ruimte  Rapport van het Stimuleringsfonds van de Creatieve industrie [RCI]  Rotterdam [RCI met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Vereniging Deltametropool] 2018, blz. 36-37  Zie link: https://content.stimuleringsfonds.nl/files/nws/i_4175/KEER.pdf

[8]
Voor een nadere toelichting op het begrip ’drooglijn’ zie:  Doorpakken aan de natte kant van de Drooglijn, in het redactioneel van de wintereditie 2028-2019 van de website www.dubbelkrimp.nl

Nieuws/ Herfst 2018

Holland op zijn smalst – op zoek naar het spook van de ‘overbevolking’

Het is je eigen voetafdruk,

hypocriete sukkel !

Er waart ineens een spook door de Hollandse polder, het spook van de overbevolking.  In het westen des lands is ie de volte er eigenlijk altijd al geweest, daar heette ie vroeger ‘randstad’, nu deftig ‘deltametropool’. Over die laatste mag je helemaal niets slechts zeggen. Hij wordt geadoreerd als een achtste wereldwonder, als een wonderbaarlijke symbiose van economische dynamiek en ecologische duurzaamheid.

En nu is er dan dat spook. Waarom zijn al die Hollanders daar opeens zo bang voor? Om de dreiging voor een nog verdere teloorgang van groene open ruimte? Maar  die  beweging is helaas in de randstad al veel langer aan de gang en vindt niet in de laatste plaats zijn oorzaak in de sterke lobby van de drie later vier grote steden om veel economische bedrijvigheid naar zich toe te trekken -pas in  dit decennium is het ‘brainport’ Eindhoven eindelijk gelukt om als fünfte im Bunde ‘deltametropool-erkenning’ te krijgen.  In tegenstelling tot de uitdijende en verstoppende randstad lopen ‘ krimpgebieden’  in het noorden, oosten en zuiden verder leeg.

Zou de vrees ook iets te maken kunnen hebben met de financiële crisis die tien jaar geleden uitbrak? Ongetwijfeld. Precarisering door groeiende werkloosheid  en flexibilisering van de arbeidsmarkt  hebben de schrik er flink ingejaagd. De conjunctuur is wel weer opgeveerd, maar wat bleef en zich verder doorzette is de angst voor verdere precarisering van de economie en het gevoel van onzekerheid over de hele linie. Niet lang na het uit breken van de crisis was de al eerder op gang gekomen toestroom van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa in een stroomversnelling gekomen – een proces dat mogelijk gemaakt werd door de steeds verdere flexibilisering van de arbeidsverhoudingen in Nederland.  En nu de conjunctuur overuren draait, stromen de oosterlingen helemaal in sneltreinvaart toe, zo lijkt het. Het spook heeft een gezicht gekregen. Maar gaat, als we goed kijken, achter dat gezicht niet stiekem die oer-Hollandse Januskop van enerzijds uitgekookt geldelijk gewin en anderzijds opgewonden beginselruiterij schuil? Uit de giftige reacties tussen beide gezichtshelften dreigt steeds opnieuw een  penetrante xenofobe lucht op te stijgen.

Wie zich wel oprecht zorgen maakt over de aantasting van de groene open ruimte door mogelijke overbevolking zou bereid moeten zijn serieus zelfkritisch de oorzaken van demografische bewegingen en de gevolgen daarvan voor de ruimtelijke leefbaarheid te onderzoeken –  in dit verband allereerst  onderzoek naar bewegingen op het front  van de arbeidsmigratie.  Die bewegingen worden beïnvloed door pull- en push-factoren. Om met onszelf Hollanders te kunnen beginnen komen dan eerst de pull-factoren in aanmerking voor een nadere analyse. Nederland werkt als magneet op arbeidsmigranten omdat onze voetafdruk zo groot is, zowel ecologisch als sociaal-economisch. Hier gaat het natuurlijk allereerst om de economische footprint. Nederland waant zichzelf maar al te graag als een super innovatief land met een hoge arbeidsproductiviteit en keurige sociale voorzieningen. Wie de zaak nader op de keeper beschouwt ontdekt dat maar al te veel sectoren van de vaderlandse economie ondenkbaar zouden zijn als er geen arbeidskrachten van buiten zouden worden ingeschakeld – dat gebeurt vaak tegen onzekere en belabberde woon- en arbeidsomstandigheden. We kennen die sectoren allemaal wel maar willen ze eigenlijk liever niet kennen en als middle class Nederlanders maar liever niet in hoeven werken. Het gaat dan om sectoren als de land- en tuinbouw, de bouw, distributie en logistiek. Arbeidsintensief en tegelijkertijd ruimteverslindend. Voor  een klein, dichtbevolkt en sterk verstedelijkt land als Nederland dat zorgvuldig met zijn schaarse groene ruimte moet omgaan zijn dat nou niet bepaald de meest handige bedrijfssectoren. Bovendien zijn het vaak nou net ook die sectoren die verantwoordelijk zijn voor een veel te ver buiten de eigen landsgrenzen uitdijende ecologische voetafdruk – neem de land- en tuinbouw.

Het zijn natuurlijk allereerst de eigen Hollandse pull-factoren die verantwoordelijk zijn voor de gestage groei  van de arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa. Maar daarnaast kunnen de push-factoren in dit verband evenmin genegeerd worden. De centrale pushfactor is hier de maatschappelijke ontwrichting die sinds de Val van de Muur in het oosten van ons werelddeel plaatsgegrepen – een onderwerp dat al meerdere malen in de kolommen van deze nieuwsbrief aan de orde kwam. De massieve overname van de  economie door het West-Europese – vooral West-Duitse – bedrijfsleven is hier niet de minste boosdoener. Werkloosheid, groeiende sociale ongelijkheid en privatisering  van het openbare leven  hebben een uittocht van mensen teweeg gebracht, op zoek naar werk in het rijke west Europa.  Tegen de achtergrond van de totale economische overrompeling  van het oosten is West Europa  – het immer gewiekste Holland incluis – onvermijdelijk schuldig geworden aan de ontstane situatie, schuldig aan het Verdriet van Europa.

Nieuws/ Zomer 2018

Het verdriet van Visegrad

“Enerzijds zegt een flinke meerderheid van de bevolking [in de voormalige DDR] voor democratie en tegen  dictatuur te zijn, anderzijds is de roep om een sterke eenheidspartij  en een sterke man luid. Dergelijke autoritaire opvattingen zijn opmerkelijk sterk vertegenwoordigd in de leeftijdscategorie van 18 tot 29 jaar. Het is een denkpatroon dat opvallende overeenkomsten vertoont met de stemming in de aangrenzende Visegrad-landen (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) […]  De overeenkomsten zijn over de hele linie onmiskenbaar.  Laten we met de economie beginnen. Alle drie [nu vier] landen maakten in het interbellum deel uit van het cordon sanitaire, de buffer tegen het rode gevaar van de Sovjet Unie. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen zij samen met de DDR in het schuitje van het Warschaupact terecht. Na de Wende van 1989 werden zij in het kapitalistische diepe gegooid, na de val van de Sovjet Unie ongeremder en onbesuisder dan ooit; de DDR had daarbij het geluk ietsje zachter te vallen in het vangnet de van de in middels verenigde Bondsrepubliek. Een belangrijk deel van de industrie kwam in westerse handen, die van de Visegrad-landen in handen van Duitsland en Oostenrijk – daarbij gaat het vooral om automobielindustrie,  machinebouw, elektronica en chemie [1].  De sociale ongelijkheid,  werkloosheid en economische kwetsbaarheid zijn in de ruim een kwart eeuw na de Wende flink toegenomen ondanks alle juichende verhalen over economische groei ten spijt, het sterkst in Polen met zijn losgeslagen neoliberalisme en het minst in Tsjechië dat al tijdens het interbellum dankzij een machtige sociaaldemocratie sterke egalitaire verhoudingen kende [2]. Het is primair deze sociaal-economische onzekerheid die de politieke en maatschappelijke verhoudingen hier in danig de war schopt en leidt tot kansen voor autoritaire politieke stromingen die inmiddels met name in Polen en Hongarije dominant geworden zijn. West Europa beziet deze ontwikkelingen met onbegrip en afwijzing, vergetend dat deze voor een niet onbelangrijk deel het resultaat zijn van een overhaaste en primair economisch gerichte inlijving van de landen van Midden- en Oost-Europa bij de EU na de Wende. De Midden- en Oost-Europeanen zelf op hun beurt voelen zich als sociaal-economisch tweederangs-Europeanen ook vergeten en bovenal miskend door het westen.  Dat zien we zowel in de Visegrad-landen als in belangrijke delen van de voormalige DDR.”     

Dit schreef ik ruim anderhalf jaar geleden in mijn nieuwsbrief [3].  Wordt het in dit verband niet tijd na inmiddels bijna 30 jaar na de Val van de Muur  om nu eens nader de balans op te maken van die val en de jaren die daarop volgden? Le Monde deed eind juni een stap in die richting in de vorm van een mooi maar mistroostig stemmend artikel [4]. Aan het woord komen ondermeer de Tsjechische  Anna Sabatova [67 jaar] ,strijdster voor mensenrechten ten tijde van het stalinisme  [Charta 77] en haar dochter Sasa [41 jaar], journaliste net als haar vader. De eerste  generatie had geen duidelijk beeld van een toekomstige samenleving na de Val van Muur maar droomde wel stilzwijgend van een soortement welvarend scandinavisch sociaaldemocratisch systeem.  Maar dat is dus lelijk mis gegaan. Achteraf registreert  Anna dat na de Wende er opeens weinig respect was voor de armen. Heel snel werd duidelijk dat een fors deel van de samenleving tot de verliezers zou gaan behoren. Louter functioneel herstelde er  wel iets van een  sociale orde, maar de broodnodige sociale cohesie viel weg. De mensen bleven onbeschermd achter, een vruchtbare voedingsbodem voor een steeds dieper gevoeld ressentiment, tegenover bijna alles en iedereen – het stalinisme van vroeger, de hedendaagse arrogantie van het rijke  West Europa, vreemdelingen in het algemeen. Dochter Sasa  deelt in het kritisch sociale engagement van haar moeder. Als  journalist voelt zij zich solidair met hen die vergeten zijn door het hedendaagse Tsjechische kapitalisme en met haar collegae kritische jonge journalisten ziet zij zich onderdeel van een tegenbeweging van de macht-van-de-machtelozen in de geest van indertijd Vaclav Havel.

Het zou geen kwaad kunnen als  het rijke Noordwest Europa  beduidend meer oog krijgt voor deze kant van het  Midden- en Oost-Europese verhaal. Tegen de steeds verdere autoritaire ondermijning van democratische grondrechten en beginselen kan alleen met succes gemobiliseerd worden als centraal en oostelijk Europa eindelijk een eerlijk sociaal perspectief geboden wordt. Maar of een EU  die braaf aan de leiband van het Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie loopt daartoe überhaupt in staat zal zijn, is zeer de vraag.

Noten

[1]
Zie hier over m.n.:
=Julien Lefilleur, Géographie industrielle de l’Europe centrale et orientale Parijs [Ed. Harmattan] 2010 ; 2]
>En recenter gepubliceerd:
-Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand  In : Le Monde diplomatique februari 2018 blz. 13

[2]
Zie hierover :
=Laila Porras, Inégalités de revenues et pauvreté dans la transformation post-socialiste. Une analyse institutionnelle des cas tchèque, hongrois et russe Parijs [Ed. Harmattan] 2013 en dan met name blz. 61 [tabel met de gini-coëfficienten [die de (inkomens-)on)gelijkheden aangeven tussen de verschillende Midden- en Oost-Europese landen tussen 1989 en  2005.]
>En recenter gepubliceerd:
=Philippe Descamps, Souverainité économique limitée de l’Europe centrale – Désanchantement européen en Slowaquie In: In:  Le Monde diplomatique  September 2017, blz. 4-5
=Bouleversement démograpique en Europe Dossier met diverse artikelen [blz. 13-18] in: Le Monde Diplomatique juni 2018 [gaat met name in op de sociaal-demografische neergang in centraal en oostelijk Europa – vooral tot uiting komend in de forse daling van kindertal en levensverwachting en de groei van arbeidsmigratie naar West Europa na de Val van de Muur]

[3]
Zie onder de knop Nieuws op deze website stevenvanschuppen.nl, het item Nieuws/ Winter 2016-2017

[4]
Sylvie Kaufmann, Après le rideau de fer, la fracture democratique In: Le Monde  26 juli 2018  blz. 18-19

Nieuws/ Lente 2018

De casussen Duitsland en Nederland als voorbeeld

Continent van
gemankeerde natiestaten

Het is en vogue de gebreken van ’Europa’ breed uit te meten. Maar moeten we het tekort van de EU ook niet zoeken in het falen van de lidstaten? Het zou dan flauw zijn meteen te wijzen naar de als instabiel bekend staande staten in de periferie van ons werelddeel. Laten we ons dan primair richten op’Kern-Europa’. En laten we daarbij het door tweedracht verlamde België dan ook maar even buiten beschouwing – dat zou evenzeer onsportief zijn. Nee, we richten onze schreden hier primair tot het o zo solide ogende Duitsland en Nederland. Een kleine ontdekkingstocht door het verraderlijk gespleten labyrinth van vastgelopen natiestaten en verkeerd begrepen internationalisme. Met als conclusie een pleidooi voor een heel concreet postnationaal interregionalisme.  

 >Driedeling en stagnerende innovatie in het ‘Heilige Roomse Rijk der Duitse Economie’

Sociaal-economische voorspoed en  rotsvaste politieke stabiliteit dankzij een uitgekiende constitutie van checks and balances – zie daar het imago waar de Bondsrepubliek Duitsland zich graag op laat voorstaan.  De laatste jaren zijn echter wat scheuren in dat flatteuze beeld gekomen. Door die scheuren is zichtbaar geworden dat de Duitse eenwording van na de Val van de Berlijnse Muur in 1989  na ruim een kwart eeuw beslist minder geslaagd heeft uitgepakt dan het gangbare vertoog wil doen geloven. Nog steeds blijven de neue Länder in het oosten sociaal-economisch hardnekkig achter de rijke deelstaten in het westen aanhinken. Belangrijker is de sociaal psychologische achterstelling die in het oosten des lands gevoeld, vooral  wegens de manier waarop de BV West Duitsland na de Wende het oosten botweg  en blitzschnell  heeft overgenomen, althans zo wordt dat ervaren – getuige ook het uitgebreide onderzoek dat vorig najaar gepubliceerd werd  naar de waardering van het opereren van de Treuhandanstalt [1].  Die Anstalt was de instelling die in de vroege jaren 90 van de vorige eeuw de privatisering en liquidatie van grond en bedrijven in de voormalige DDR regelde.  De wijze van operen van deze in de volksmond als ‘Treuhand’ bekend staande organisatie heeft tot massale afbraak van industrieën en bijbehorende werkgelegenheid  geleid, waarop naderhand veel kritiek gekomen is. Met een geleidelijker aanpak met meer piëteit met en respect voor het goede wat in de DDR ook was opgebouwd had veel onheil voorkomen kunnen worden. De harde kapitalistische afbraak betekende in een moeite door een verregaande vernietiging van waardevol sociaal weefsel. Ik herinner me uit die dagen de demonstraties van kompleet zwijgende mensen die geen enkel antwoord onder woorden konden brengen op wat hen overkwam. De sprakeloze burgers van toen zijn de hedendaagse Ossi-Wutbürger.

Niet alleen de sociaal-economische en mentale kloof tussen de Ossi’s en de rest van Duitsland is de afgelopen kwart eeuw gegroeid. Er is ook een kloof ontstaan tussen het  economisch uitgesproken voorspoedige en technologisch geavanceerde in het zuidwesten van het land (met de deelstaten Beieren, Baden-Württemberg en Hessen) en gebieden met oude fossiele industrie elders in West Duitsland met het Ruhrgbied in de deelstaat Noordrijn-Westfalen als meest in het oog springende  voorbeeld.  Een driedeling  tussen Oost, Zuidwest en Noordwest Duitsland dus. Ook die nieuwe driedeling houdt verband met de Val van de Muur. Het verdwijnen van het IJzeren Gordijn maakte  het de Duitse (vooral de machine- en met name de auto-industrie in de jaren 90 van de vorige eeuw  mogelijk op grote schaal  sleutelbedrijven in Midden- en  Oost-Europa (in Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije)  over te nemen en deze via deze weg in te schakelen  in de eigen productieketens. Daarmee kregen deze Duitse multinationals volop goedkope arbeid binnen handbereik, geografisch meteen om de hoek. Dat had tegelijk een forse verzwakking van de positie van de factor arbeid in West Duitsland tot gevolg. Die verzwakte positie maakte het  kanselier Gerhard Schröder (SPD – in de volksmond  Genosse der Bosse genoemd) des te makkelijker om in de jaren na de eeuwwende  de  sociale bezuinigingsmaatregelen  van zijn  ‘Agenda 2010’ door te drukken, met als gevolg verregaande bezuinigingen op sociale voorzieningen en een steeds verdere precarisering van de arbeidsomstandigheden. De effecten daarvan waren extra voelbaar in regio’s waar het toch al niet al te florissant ging, waaronder ook de ooit zo bloeiende maar nu verouderde, nog vaak volledig op fossiele energievoorziening draaiende industrierevieren in het westen des lands. De opgave tot verduurzaming van de (energie)productie die hier heden ten dage op de agenda staat zet dergelijke regio’s sociaal-economisch nog verder onder druk [2].

 Zowel in de kern – het voormalige West Duitsland – als in de randgebieden – in Midden- en Oost-Europa  – begint het ‘Heilige Roomse rijk der Duitse economie’ nu flink te kraken. In het economisch  opkrabbelende Midden en Oost Europa groeit de onvrede over de gigantische loonkloof tussen het eigen relatief lage loon en de veel hogere lonen in Duitsland, hetgeen meer en meer tot stakingen voor loonsverhoging leidt [3].  Als de loonkloof hier gaat verkleinen dreigt de economische basis onder het hele bouwwerk van het Heilige Roomse rijk der Duitse economie ondermijnd te worden. Daarmee kan ook de alom bewierookte Konkurrenzfähigkeit van de Duitse industrie serieus in de problemen komen. De Franse productiviteit per arbeidsuur ligt zeker zo hoog als de Duitse. Door het reservoir aan relatief goedkope arbeid binnen eigen Europese  Wirtschaftsraum is Duitsland op technisch-innovatief opzicht relatief lui geworden en loopt mede daardoor op ICT-domeinen internationaal beslist niet voorop. De grote macht van de rijke familiebedrijven in Duitsland is daar ook debet aan. Families zijn lang niet altijd de beste managers en hun financiële voorkeuren kunnen de economisch en technisch beste keuzes hier vaak danig in de weg zitten [4]. Een verregaande herschikking van economische en vooral sociale prioriteiten over de hele linie –  zowel intern nationaal als in de relatie met de Europese buren – is hier geboden, maar of en hoe het politiek, sociaal  en mentaal verscheurde en gedesillusioneerde land daartoe in staat zal zijn, is de vraag.

>Het  ‘steenrijke Holland’ in een zelf gekozen isolement

Tussen zee en vasteland – zo wordt de positie van ons land vaak gekarakteriseerd [5].  Laten we hier beginnen met het vasteland. Nederland is de laatste jaren steeds meer met de rug naar het  continent waar het zelf deel van uitmaakt komen te staan, zo constateerden we al eerder op deze site [6]. Dat gemis wordt des te nijpender nu de Frans-Duitse as weer kracht en allure lijkt te krijgen.  De oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was er altijd al een meester in geweest op een gewiekste manier profijt te trekken van verschuivingen in de geo-economische en geo-politieke krachtsverhoudingen op het Europese continent. Een hoofdrol  binnen de vrij losse confederatie van provincieën van de Republiek  was weggelegd voor het welvarende zeer strategisch aan de mondingen van Rijn en Maas gelegen kustgewest Holland. De financieel-economische elite van dit in zijn hoogtijdagen spreekwoordelijk steenrijke Holland  wist ook in de 19e en de  vroege 20e eeuw toen het land een steeds kleinere speler op het Europese toneel  werd behendig gebruik te maken van de veranderende verhoudingen tussen oude en nieuw opkomende natiestaten in Europa. Het meest profiteerde zij in dit verband wel van de Duitse eenwording in 2870 waarna de transitohandel vanuit Rotterdam door met de even te voren opgekomen industrie in het Ruhrgebied in een stroomversnelling kwam. Een tweede economische impuls mocht Holland in de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog ondervinden: Marshallhulp uit Amerika, de vondst van Groninger gasbel en  de het ontstaan van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal [EGKS], het grensoverschrijdende kartel dat de basis vormde voor de latere EEG. Waar de  mazen van de EEG-afspraken en verordeningen voor het financieel  handig opererende Holland te knellend dreigden te worden wisten de Hollandse rekenmeesters het in 1972 tot de EEG toegetreden Groot Brittannië doorgaans met succes in stelling brengen.  Deze en soortgelijke vliegers gaan inmiddels echter niet meer op of zullen binnen afzienbare tijd tot het verleden behoren. Met de  Brexit zal Nederland het in de EU zonder het financieel al even geslepen Abion moeten doen. En binnen de EU wordt de zaak zo niet op korte dan wel op iets langere termijn onvermijdelijk steeds verder financieel en fiscaal geharmoniseerd. Het lijkt Europa inmiddels eindelijk gelukt de diarree aan Hollandse belastingontduikings- en ontwijkingstrucs een halt toe te roepen. Een volgende stap zou moeten zijn de in ‘Den Haag’ zo geliefde race naar de  bodem door de winstbelasting steeds te verlagen en zelfs de dividendbelasting helemaal af te schaffen nu eindelijk eens resoluut te stoppen. Holland voelt de bui al hangen.  Daarom stopt het huidige kabinet het hoofd het liefst diep in het zand om maar niet aan nader overleg met de tandem Macron – Merkel over de toekomst van de EU te hoeven denken, alles uit angst om met de billen bloot te moeten. Hoeveel zou de financieel-economische elite van het steenrijke Holland er uiteindelijk voor over hebben om in bij de euro en in de EU te kunnen blijven en welke overwegingen spelen daarbij op de achtergrond een rol? Als puntje bij paaltje komt heeft zij daar waarschijnlijk veel en veel meer voor over dan ze op dit moment voor de vaderlandse Bühne openlijk zou willen toegeven.

De andere pool waartussen het reilen en zeilen van Holland zich beweegt is de zee, van de Noordzee tot en met al vroeg alle oceanen van de wereld. Het belang van de ‘eigen’ Noordzee is men heden ten dage maar al te vaak geneigd over het hoofd te zien. Natuurlijk klaagt men steen en been over de te verwachten schade die de Brexit de Nederlandse economie kan brengen. in de huidige nieuw ontstane situatie zou het echter zinvoller zijn te onderzoeken welke mogelijkheden nauwere samenwerking met  andere regio’s aan de Noordzeekusten zou kunnen bieden: allereerst op het gebied van duurzame zilte voedsel- energievoorziening van windmolen tot algen en kweektong. En dan op het gebied van transportlogistiek – scheepvaart – en in de vorm van sociale en culturele ideeënuitwisseling tussen de Noordzeese kuststreken. De Noordzee-landen en regio’s hebben cultureel, mentaal en religieus (protestantisme) zeker heel wat gemeen, maar er zijn ook onmiskenbaar verschillen. Het oostelijke Scandinavische deel van het Noordzeegebied is Luthers en sociaal-democratisch op een heel eigen manier, ontstaan uit een fijnmazig mozaïek van – van oorsprong agrarische – coöperaties. Het zuidwestelijk deel van het Noordzeegebied, Groot Brittannië en Nederland voorop, is uitgesproken kapitalistisch en hier toont de Reformatie zijn scherpste kantjes in de gedaante van het Nederlandse en Schotse calvinisme. Wat echter met name Nederland weer met Scandinavië bindt is de op consensus gerichte politieke en maatschappelijke cultuur [7]. Vanuit die invalshoek zou Nederland zich heel goed tot schakel tussen de Noordse landen en EU/ Eurozone kunnen ontwikkelen; het vaak harde en egoïstische Holland kan daar alleen maar beter van worden. Het doel is daarbij dan niet om Scandinavië stukje bij beetje (verder) ‘Europa’ in te willen lokken – voor een toetreden tot de monetaire unie bedanken de Noordse landen beleefd; daarvoor vormt het keurslijf van de Euro te zeer een bedreiging voor de eigen zo zorgvuldig opgebouwde verzorgingsstaat. Wél om een gezamenlijk economisch, ecologisch, ruimtelijk, sociaal en cultureel ontwikkelingsperspectief te kunnen ontwikkelen dat meer soelaas biedt dan in een scenario zonder Noordse bondgenoten en louter binnen de kaders van de as Berlijn-Parijs mogelijk is. In de dynamiek van de Noordzee is een wereld te winnen; het zou een interessant parallel spoor kunnen bieden binnen en tegelijk deels naast de EU.

De oriëntatie op Skandinavië zou voor Holland  een goede aanleiding kunnen vormen de blik eindelijk eens serieus op de eigen vergeten buitengewesten in het Noorden des lands te richten. En dat is zo langzamerhand  harder  nodig dan ooit.  ‘Holland’ heeft altijd weinig oog gehad voor de buitengewesten. Dat geldt voor het zuiden, waar Brabant  ten tijde van de Republiek als generaliteitsland rechtstreeks vanuit Den Haag bestuurd werd. Ook later, in de eenheidsstaat van het Koninkrijk, leidde de onderwaardering van het land beneden de Moerdijk leidde nog lange tijd een hardnekkig bestaan. Eigenlijk ziet ‘ Holland’  pas de laatste anderhalve decennium Brabant serieus staan en is ‘Brainport’ Eindhoven als vijfde grote stad  van het land door de Randstad-4 eindelijk in genade aangenomen. Het Noorden des lands kent een iets andere maar zeker niet minder dramatische geschiedenis. Ten tijde van de Republiek konden de noordelijke gewesten dankzij de grote autonomie een eigen koers varen. Tijdens het Tweede Stadhouderloze tijdperk (1702-1748) had het Noorden zijn eigen stadhouders.  Hoewel  het zwaartepunt ten tijde van de Republiek weliswaar in Holland lag, ontwikkelde het Noorden zijn eigen sterke punten: economisch (Groningens grootschalige turfwinning in haar ommelanden), theologisch en wetenschappelijk  (universiteit van Franeker). Hoe anders werd dat onder de eenheidsstaat van het Koninkrijk. Het Noorden werd dumpplaats  en ( van Veenhuizen tot de VAM) en energetisch wingewest: van het Drents-Friese turf tot aardgas, met de als traumatisch ervaren aardbevingen in Groningen als voorlopig dieptepunt. De baten van de gasbel van Slochteren vielen maar zeer mondjesmaat aan het hoge Noorden toe, terwijl 88% daarvan naar investeringen de infrastructuur in Randstad Holland is gegaan [8]. In dit verband rijst de vraag: wat wil het Koninkrijk nog met het Noorden nu de aardbevingen een einde aan de wingewestpraktijken lijkt te hebben gemaakt? Het zou een vraag die in een beschaafde staat als Nederland niet gesteld zou hoeven en mogen worden. Een eenheidsstaat  die over alle middelen en bevoegdheden beschikt om in alle billijkheid met oog voor gelijke kansen aandacht en opbrengsten rechtvaardig over het hele land te verdelen, niet in de laatste plaats ook op ruimtelijk-geografisch vlak. Natuurlijk kent ieder land zijn achtergebleven gebieden maar het zou voor een nationale overheid op zijn minst een inspanningsverlichting moeten zijn om de regionale verschillen en onevenwichtigheden tegen te gaan.

Hoe anders is dat in onze buurlanden. Frankrijk kent weliswaar vanouds grote verschillen en onevenwichtigheden tussen Parijs en de provincie en tussen Noord en Zuid. Maar om die scheefgroei actief tegen te gaan ontwikkelde de centrale staat vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw vanuit het besef van équité (billijkheid, rechtvaardigheid, kansengelijkheid) tegenover alle regio’s  een ruimtelijk beleid  van polycentrisme maillé (verknoopte meerkernigheid) om de verstedelijkingsdruk op Parijs en het Ile de de France te ontlasten  en in plaats daarvan bepaalde provinciesteden een flinke boost te geven die in een brede hoefijzervormige kring op zeer geruime afstand van de hoofdstad liggen: Rennes, Nantes, Bordeaux, Toulouse, Montpellier, Lyon, Straatsburg [9]. Dit breed van links tot rechts gedragen beleid heeft de afgelopen vier decennia de nodige vruchten afgeworpen in de vorm van uitgesproken demografische en economische groei waar eerder stagnatie en krimp overheersten. De vraag is nu hoe Macron met deze erfenis en uit het recente en zeer recente verleden om zal gaan. Natuurlijk heeft hij in de slipstream het onder  Sarkozy ingezette megalomane project Le Grand Paris  de nodige lippendienst  moeten betonen aan de hoofdstad, maar tegelijkertijd lijkt hij vooral zijn hart te hebben verpand aan die stedelijke parels uit het hoefijzer die in de grote boze buitenwereld opvallend goed hun innovatieve mannetje weten te staan, te weten de regio Toulouse-Bordeaux en het stedelijk landschap aan de benedenloop van de Rhone met  de metropolitane regio Grand Lyon als duidelijk trekpaard en als zodanig bij voorkeur ten voorbeeld gesteld.

Ook in de federaal opgebouwde Duitse Bondsrepubliek is het verantwoordelijkheidsbesef voor  achtergebleven regio’s goed ontwikkeld. Dat betreft dan in de eerste plaats de gigantische operatie waarbij de westelijke deelstaten, de rijke zuidwestelijke het meest, de afgelopen kwart eeuw betaalden voor de enorme investeringen in (vaak geheel nieuwe) infrastructuur in het onderkomen oosten. Dat daarbij tegelijkertijd  de achtergebleven gebieden in het westen vaak hardnekkig vergeten werden is niet in de laatste plaats te wijten aan het verstokte ordoliberale economische beleid  van de vorige minister van financiën (en in de jaren 90 Treuhand-opperhoofd!) Wolfgang Schäuble, voor wie de schwarze Null steeds heiliger dan heilig is. Denk bij dergelijke westelijke achterblijvers niet alleen aan een voor een hand liggend geval als het Ruhrgebied maar ook aan grensgebieden als het Saarland of in het Noordwesten gelegen vergeten grensregio’s als Eemsland en Oost Friesland.

>Tussen  vastgelopen natiestaten en verkeerd begrepen internationalisme       

Naar aanleiding van het weinig florissante lot van dergelijke grensregio’s kunnen we een cruciaal maar ondanks alle goed bedoelde PR voor het verschijnsel van de euregio helaas doorgaans schromelijk verontachtzaamd thema in de discussie over ‘Europa’ op het spoor komen. Onderzoek wijst steeds weer uit dat dergelijke grensgebieden die zonder de nationale barrières die opgeworpen op het vlak van arbeidsmarkt, onderwijs,  infrastructuur en zorg over spectaculair betere ontwikkelingsmogelijkheden zouden kunnen beschikken dan nu het geval is [10]. De hardnekkige en steeds weer terugkomende tegenvallers in het functioneren  van Europese natiestaten zijn dus niet alleen te wijten aan de eigen interne nationale tegenstellingen en onevenwichtigheden, maar ook en niet in de laatste plaats aan het gebrek aan grensoverschrijdende samenwerking tussen de staten. Het meest schrijnend en  soms op het lachwekkende af  komt dat wel aan het licht  in die delen van het zo dynamische  Noordwest Europa  terwijl men daar economisch, sociaal, infrastructureel, waterstaatkundig en ecologisch steeds sterker op elkaar aangewezen raakt. Binnen de driehoek Randstad Holland – Vlaamse Ruit – RheinRuhrgebied bijvoorbeeld, waar de Benelux door de onderlinge tegenstellingen  binnen en tussen de drie deelnemende landen na 50 jaar nog steeds niet uit de startblokken weet te komen en de ooit zo trotse Duitse deelstaat  Noordrijn-Westfalen van het steeds centralistischer opererende  Berlijn steeds minder ruimte gegund wordt. Of, een ander voorbeeld,  binnen de zone van de Noordzeese kustregio’s,  waar baaierd aan loyaliteitsdilemma’s en belangentegenstellingen een nadere  samenwerking danig parten kan spelen – dilemma’s in verband met de uiteenlopende  Europese status van de diverse landen (wel/niet aangesloten  bij EU en/of Euro) of  tegenstellingen die voortvloeien uit de problematische positie van een kustgebied ten opzichte van de sterk continentaal  georiënteerde natiestaat waar het als streek deel van uitmaakt. Dergelijke gordiaanse knopen zijn alleen te ontwarren als de problemen waarvoor we staan niet langer als een internationale opgave benaderd worden maar als een postnationale. Bij een internationale benadering blijven we immers nog te veel hangen in de wereld van de natiestaten die hier juist het grote obstakel vormen. Maar postnationaal alleen biedt dan ook weer te weinig richting; de regio als de entiteit op het best hanteerbare ‘Europa-compatibele’ schaalniveau zou hier kan dan soelaas kunnen bieden. Grensoverschrijdend  Iinterregionalisme dus, maar dan niet  primair in algemene, pan-Europese termen opgevat zoals bijvoorbeeld in de gedaante van een even plechtig als vrijblijvend beleden ‘Europa van de Regio’s’. Omdat het gevoel voor relevantie en urgentie daarbij doorgaans node gemist wordt verliezen dergelijke megalomane concepten zich al te licht in richtingloze bezweringsformules.  Nee – een dergelijke interregionale benadering kan alleen met succes op gang gebracht worden aan de hand van heel  concrete aanleidingen –  sociaal, economisch en ecologisch. Vooralsnog eerst als pilots in veelbelovende en geografisch zinvol af te bakenen gebieden als de eerdergenoemde driehoek Holland-Vlaanderen-Ruhr of een ‘Noordzee-Unie’  in enigerlei vorm.  En route!

Noten

[1]
Prof. Dr. Constantin Goschler/ Marcus Böick M.A., Studie zur Wahrnehmung unds bewertung der Arbeit der Treuhandanstalt Bochum [Ruhr-Universität] 9 november 2017; zie ook: http://www.bmwi.de/Redaktion/DE/Publikationen/Studien/wahrnehmung-bewertung-der-arbeit-der-treuhandanstalt-lang.pdf?__blob=publicationFile&v=22

[2]
Zie o.m. : Julien Lefilleur, Géographie industrielle  de l’Europe centrale et orientale  Parijs [Ed. L’Harmattan] 2010, Christian Odendahl,  The Hartz Myth – A closer look at Germany’s labour market reforms  Londen [Centre for European reform]  Juli 2017 http://www.cer.eu/sites/default/files/pbrief_german_labour_19.7.17.pdf en Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand In: Le Monde diplomatique  Februari 2018, blz. 13

[3]
Als goed voorbeeld geldt de forse loonsverhoging als gevolg van een geslaagde staking [de eerste sinds de jaren 90!] in de Volkswagenfabriek in Bratislava – zie Philippe Descamps, Victoire ouvrière chez Volkswagen In:  Le Monde diplomatique  September 2017, blz. 5; het betreft hier een kadertekst binnen een groter artikel met de veelzeggende titel  Souverainité économique limitée de l’Europe centrale – Désanchantement européen en Slowaquie, blz 4-5

[4]
Zie: Marcel Fratzscher, Verteilungskampf  – Warum Deutschland immer ungleicher wird München [Hanser] 2016; Hoofdstuk 19:  Im Land der reichen Familienunterhehmen , blz. 148

[5]
Zie ondermeer recentelijk in: Haroon Sheikh, 7. Tussen wereldzee en vasteland – Aanzetten voor een Nederlandse Grote Strategie In: Gabriël van den Brink [red.], Waartoe is Nederland op aarde? Amsterdam [Boom]  2018, blz. 211

[6]
Met de rug naar het continent staan waarvan je zelf deel uitmaakt;  onder de knop Nieuws op deze site: Nieuws/ Zomer 2016

[7]
Meer hierover in ondermeer de diverse bijdragen in Lesley Riddoch and Eberthardt Bort, McSmörgasbord – What post-Brexit Scotland can learn from the Nordics Edinburgh [Luath Press] 2017

[8]
Steven van Schuppen, The medium is the map, de paragraaf  Koninkrijk  In: Marcel Möhring, Christoph Fink, Harry de Wit en Steven van Schuppen, “Afhankelijk van de legenda kan kortom alles een kaart zijn” – Proeve van een culturele cartografie voor de regio  Groningen-Assen   Amsterdam [Architectura & Natura] 2008, blz. 6 En:  Het Noorden zoekt het dan zelf wel uit Kadertekst bij Jan Dirk Dorrepaal en Steven van Schuppen, Nederland is passé. De toekomst is aan Noorderland, Randstad en Zuiderland   In: NRC/HB van 8 Maart 2008  En diverse recente  artikelen over de materie op de site dubbelkrimp.nl, onder de knop Archief

[9]
Meer hierover in : Jean-Louis Guigou, Aménager la France de 2020. Mettre les territoires en mouvement  Parijs [La Documentation Francaise/DATAR] 2000

[10]
Zie hiervoor  o.m. het onderzoek van Gerard Marlet, e.a. , Groeien aan de grens –  De kansen  voor grensregio’s   Nijmegen [VOC Uitgevers/ Atlas voor gemeenten] 2014