Nieuws/ Herfst 2018

Holland op zijn smalst – op zoek naar het spook van de ‘overbevolking’

Het is je eigen voetafdruk,

hypocriete sukkel !

Er waart ineens een spook door de Hollandse polder, het spook van de overbevolking.  In het westen des lands is ie de volte er eigenlijk altijd al geweest, daar heette ie vroeger ‘randstad’, nu deftig ‘deltametropool’. Over die laatste mag je helemaal niets slechts zeggen. Hij wordt geadoreerd als een achtste wereldwonder, als een wonderbaarlijke symbiose van economische dynamiek en ecologische duurzaamheid.

En nu is er dan dat spook. Waarom zijn al die Hollanders daar opeens zo bang voor? Om de dreiging voor een nog verdere teloorgang van groene open ruimte? Maar  die  beweging is helaas in de randstad al veel langer aan de gang en vindt niet in de laatste plaats zijn oorzaak in de sterke lobby van de drie later vier grote steden om veel economische bedrijvigheid naar zich toe te trekken -pas in  dit decennium is het ‘brainport’ Eindhoven eindelijk gelukt om als fünfte im Bunde ‘deltametropool-erkenning’ te krijgen.  In tegenstelling tot de uitdijende en verstoppende randstad lopen ‘ krimpgebieden’  in het noorden, oosten en zuiden verder leeg.

Zou de vrees ook iets te maken kunnen hebben met de financiële crisis die tien jaar geleden uitbrak? Ongetwijfeld. Precarisering door groeiende werkloosheid  en flexibilisering van de arbeidsmarkt  hebben de schrik er flink ingejaagd. De conjunctuur is wel weer opgeveerd, maar wat bleef en zich verder doorzette is de angst voor verdere precarisering van de economie en het gevoel van onzekerheid over de hele linie. Niet lang na het uit breken van de crisis was de al eerder op gang gekomen toestroom van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa in een stroomversnelling gekomen – een proces dat mogelijk gemaakt werd door de steeds verdere flexibilisering van de arbeidsverhoudingen in Nederland.  En nu de conjunctuur overuren draait, stromen de oosterlingen helemaal in sneltreinvaart toe, zo lijkt het. Het spook heeft een gezicht gekregen. Maar gaat, als we goed kijken, achter dat gezicht niet stiekem die oer-Hollandse Januskop van enerzijds uitgekookt geldelijk gewin en anderzijds opgewonden beginselruiterij schuil? Uit de giftige reacties tussen beide gezichtshelften dreigt steeds opnieuw een  penetrante xenofobe lucht op te stijgen.

Wie zich wel oprecht zorgen maakt over de aantasting van de groene open ruimte door mogelijke overbevolking zou bereid moeten zijn serieus zelfkritisch de oorzaken van demografische bewegingen en de gevolgen daarvan voor de ruimtelijke leefbaarheid te onderzoeken –  in dit verband allereerst  onderzoek naar bewegingen op het front  van de arbeidsmigratie.  Die bewegingen worden beïnvloed door pull- en push-factoren. Om met onszelf Hollanders te kunnen beginnen komen dan eerst de pull-factoren in aanmerking voor een nadere analyse. Nederland werkt als magneet op arbeidsmigranten omdat onze voetafdruk zo groot is, zowel ecologisch als sociaal-economisch. Hier gaat het natuurlijk allereerst om de economische footprint. Nederland waant zichzelf maar al te graag als een super innovatief land met een hoge arbeidsproductiviteit en keurige sociale voorzieningen. Wie de zaak nader op de keeper beschouwt ontdekt dat maar al te veel sectoren van de vaderlandse economie ondenkbaar zouden zijn als er geen arbeidskrachten van buiten zouden worden ingeschakeld – dat gebeurt vaak tegen onzekere en belabberde woon- en arbeidsomstandigheden. We kennen die sectoren allemaal wel maar willen ze eigenlijk liever niet kennen en als middle class Nederlanders maar liever niet in hoeven werken. Het gaat dan om sectoren als de land- en tuinbouw, de bouw, distributie en logistiek. Arbeidsintensief en tegelijkertijd ruimteverslindend. Voor  een klein, dichtbevolkt en sterk verstedelijkt land als Nederland dat zorgvuldig met zijn schaarse groene ruimte moet omgaan zijn dat nou niet bepaald de meest handige bedrijfssectoren. Bovendien zijn het vaak nou net ook die sectoren die verantwoordelijk zijn voor een veel te ver buiten de eigen landsgrenzen uitdijende ecologische voetafdruk – neem de land- en tuinbouw.

Het zijn natuurlijk allereerst de eigen Hollandse pull-factoren die verantwoordelijk zijn voor de gestage groei  van de arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa. Maar daarnaast kunnen de push-factoren in dit verband evenmin genegeerd worden. De centrale pushfactor is hier de maatschappelijke ontwrichting die sinds de Val van de Muur in het oosten van ons werelddeel plaatsgegrepen – een onderwerp dat al meerdere malen in de kolommen van deze nieuwsbrief aan de orde kwam. De massieve overname van de  economie door het West-Europese – vooral West-Duitse – bedrijfsleven is hier niet de minste boosdoener. Werkloosheid, groeiende sociale ongelijkheid en privatisering  van het openbare leven  hebben een uittocht van mensen teweeg gebracht, op zoek naar werk in het rijke west Europa.  Tegen de achtergrond van de totale economische overrompeling  van het oosten is West Europa  – het immer gewiekste Holland incluis – onvermijdelijk schuldig geworden aan de ontstane situatie, schuldig aan het Verdriet van Europa.

Nieuws/ Zomer 2018

Het verdriet van Visegrad

“Enerzijds zegt een flinke meerderheid van de bevolking [in de voormalige DDR] voor democratie en tegen  dictatuur te zijn, anderzijds is de roep om een sterke eenheidspartij  en een sterke man luid. Dergelijke autoritaire opvattingen zijn opmerkelijk sterk vertegenwoordigd in de leeftijdscategorie van 18 tot 29 jaar. Het is een denkpatroon dat opvallende overeenkomsten vertoont met de stemming in de aangrenzende Visegrad-landen (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije) […]  De overeenkomsten zijn over de hele linie onmiskenbaar.  Laten we met de economie beginnen. Alle drie [nu vier] landen maakten in het interbellum deel uit van het cordon sanitaire, de buffer tegen het rode gevaar van de Sovjet Unie. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen zij samen met de DDR in het schuitje van het Warschaupact terecht. Na de Wende van 1989 werden zij in het kapitalistische diepe gegooid, na de val van de Sovjet Unie ongeremder en onbesuisder dan ooit; de DDR had daarbij het geluk ietsje zachter te vallen in het vangnet de van de in middels verenigde Bondsrepubliek. Een belangrijk deel van de industrie kwam in westerse handen, die van de Visegrad-landen in handen van Duitsland en Oostenrijk – daarbij gaat het vooral om automobielindustrie,  machinebouw, elektronica en chemie [1].  De sociale ongelijkheid,  werkloosheid en economische kwetsbaarheid zijn in de ruim een kwart eeuw na de Wende flink toegenomen ondanks alle juichende verhalen over economische groei ten spijt, het sterkst in Polen met zijn losgeslagen neoliberalisme en het minst in Tsjechië dat al tijdens het interbellum dankzij een machtige sociaaldemocratie sterke egalitaire verhoudingen kende [2]. Het is primair deze sociaal-economische onzekerheid die de politieke en maatschappelijke verhoudingen hier in danig de war schopt en leidt tot kansen voor autoritaire politieke stromingen die inmiddels met name in Polen en Hongarije dominant geworden zijn. West Europa beziet deze ontwikkelingen met onbegrip en afwijzing, vergetend dat deze voor een niet onbelangrijk deel het resultaat zijn van een overhaaste en primair economisch gerichte inlijving van de landen van Midden- en Oost-Europa bij de EU na de Wende. De Midden- en Oost-Europeanen zelf op hun beurt voelen zich als sociaal-economisch tweederangs-Europeanen ook vergeten en bovenal miskend door het westen.  Dat zien we zowel in de Visegrad-landen als in belangrijke delen van de voormalige DDR.”     

Dit schreef ik ruim anderhalf jaar geleden in mijn nieuwsbrief [3].  Wordt het in dit verband niet tijd na inmiddels bijna 30 jaar na de Val van de Muur  om nu eens nader de balans op te maken van die val en de jaren die daarop volgden? Le Monde deed eind juni een stap in die richting in de vorm van een mooi maar mistroostig stemmend artikel [4]. Aan het woord komen ondermeer de Tsjechische  Anna Sabatova [67 jaar] ,strijdster voor mensenrechten ten tijde van het stalinisme  [Charta 77] en haar dochter Sasa [41 jaar], journaliste net als haar vader. De eerste  generatie had geen duidelijk beeld van een toekomstige samenleving na de Val van Muur maar droomde wel stilzwijgend van een soortement welvarend scandinavisch sociaaldemocratisch systeem.  Maar dat is dus lelijk mis gegaan. Achteraf registreert  Anna dat na de Wende er opeens weinig respect was voor de armen. Heel snel werd duidelijk dat een fors deel van de samenleving tot de verliezers zou gaan behoren. Louter functioneel herstelde er  wel iets van een  sociale orde, maar de broodnodige sociale cohesie viel weg. De mensen bleven onbeschermd achter, een vruchtbare voedingsbodem voor een steeds dieper gevoeld ressentiment, tegenover bijna alles en iedereen – het stalinisme van vroeger, de hedendaagse arrogantie van het rijke  West Europa, vreemdelingen in het algemeen. Dochter Sasa  deelt in het kritisch sociale engagement van haar moeder. Als  journalist voelt zij zich solidair met hen die vergeten zijn door het hedendaagse Tsjechische kapitalisme en met haar collegae kritische jonge journalisten ziet zij zich onderdeel van een tegenbeweging van de macht-van-de-machtelozen in de geest van indertijd Vaclav Havel.

Het zou geen kwaad kunnen als  het rijke Noordwest Europa  beduidend meer oog krijgt voor deze kant van het  Midden- en Oost-Europese verhaal. Tegen de steeds verdere autoritaire ondermijning van democratische grondrechten en beginselen kan alleen met succes gemobiliseerd worden als centraal en oostelijk Europa eindelijk een eerlijk sociaal perspectief geboden wordt. Maar of een EU  die braaf aan de leiband van het Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie loopt daartoe überhaupt in staat zal zijn, is zeer de vraag.

Noten

[1]
Zie hier over m.n.:
=Julien Lefilleur, Géographie industrielle de l’Europe centrale et orientale Parijs [Ed. Harmattan] 2010 ; 2]
>En recenter gepubliceerd:
-Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand  In : Le Monde diplomatique februari 2018 blz. 13

[2]
Zie hierover :
=Laila Porras, Inégalités de revenues et pauvreté dans la transformation post-socialiste. Une analyse institutionnelle des cas tchèque, hongrois et russe Parijs [Ed. Harmattan] 2013 en dan met name blz. 61 [tabel met de gini-coëfficienten [die de (inkomens-)on)gelijkheden aangeven tussen de verschillende Midden- en Oost-Europese landen tussen 1989 en  2005.]
>En recenter gepubliceerd:
=Philippe Descamps, Souverainité économique limitée de l’Europe centrale – Désanchantement européen en Slowaquie In: In:  Le Monde diplomatique  September 2017, blz. 4-5
=Bouleversement démograpique en Europe Dossier met diverse artikelen [blz. 13-18] in: Le Monde Diplomatique juni 2018 [gaat met name in op de sociaal-demografische neergang in centraal en oostelijk Europa – vooral tot uiting komend in de forse daling van kindertal en levensverwachting en de groei van arbeidsmigratie naar West Europa na de Val van de Muur]

[3]
Zie onder de knop Nieuws op deze website stevenvanschuppen.nl, het item Nieuws/ Winter 2016-2017

[4]
Sylvie Kaufmann, Après le rideau de fer, la fracture democratique In: Le Monde  26 juli 2018  blz. 18-19

Nieuws/ Lente 2018

De casussen Duitsland en Nederland als voorbeeld

Continent van
gemankeerde natiestaten

Het is en vogue de gebreken van ’Europa’ breed uit te meten. Maar moeten we het tekort van de EU ook niet zoeken in het falen van de lidstaten? Het zou dan flauw zijn meteen te wijzen naar de als instabiel bekend staande staten in de periferie van ons werelddeel. Laten we ons dan primair richten op’Kern-Europa’. En laten we daarbij het door tweedracht verlamde België dan ook maar even buiten beschouwing – dat zou evenzeer onsportief zijn. Nee, we richten onze schreden hier primair tot het o zo solide ogende Duitsland en Nederland. Een kleine ontdekkingstocht door het verraderlijk gespleten labyrinth van vastgelopen natiestaten en verkeerd begrepen internationalisme. Met als conclusie een pleidooi voor een heel concreet postnationaal interregionalisme.  

 >Driedeling en stagnerende innovatie in het ‘Heilige Roomse Rijk der Duitse Economie’

Sociaal-economische voorspoed en  rotsvaste politieke stabiliteit dankzij een uitgekiende constitutie van checks and balances – zie daar het imago waar de Bondsrepubliek Duitsland zich graag op laat voorstaan.  De laatste jaren zijn echter wat scheuren in dat flatteuze beeld gekomen. Door die scheuren is zichtbaar geworden dat de Duitse eenwording van na de Val van de Berlijnse Muur in 1989  na ruim een kwart eeuw beslist minder geslaagd heeft uitgepakt dan het gangbare vertoog wil doen geloven. Nog steeds blijven de neue Länder in het oosten sociaal-economisch hardnekkig achter de rijke deelstaten in het westen aanhinken. Belangrijker is de sociaal psychologische achterstelling die in het oosten des lands gevoeld, vooral  wegens de manier waarop de BV West Duitsland na de Wende het oosten botweg  en blitzschnell  heeft overgenomen, althans zo wordt dat ervaren – getuige ook het uitgebreide onderzoek dat vorig najaar gepubliceerd werd  naar de waardering van het opereren van de Treuhandanstalt [1].  Die Anstalt was de instelling die in de vroege jaren 90 van de vorige eeuw de privatisering en liquidatie van grond en bedrijven in de voormalige DDR regelde.  De wijze van operen van deze in de volksmond als ‘Treuhand’ bekend staande organisatie heeft tot massale afbraak van industrieën en bijbehorende werkgelegenheid  geleid, waarop naderhand veel kritiek gekomen is. Met een geleidelijker aanpak met meer piëteit met en respect voor het goede wat in de DDR ook was opgebouwd had veel onheil voorkomen kunnen worden. De harde kapitalistische afbraak betekende in een moeite door een verregaande vernietiging van waardevol sociaal weefsel. Ik herinner me uit die dagen de demonstraties van kompleet zwijgende mensen die geen enkel antwoord onder woorden konden brengen op wat hen overkwam. De sprakeloze burgers van toen zijn de hedendaagse Ossi-Wutbürger.

Niet alleen de sociaal-economische en mentale kloof tussen de Ossi’s en de rest van Duitsland is de afgelopen kwart eeuw gegroeid. Er is ook een kloof ontstaan tussen het  economisch uitgesproken voorspoedige en technologisch geavanceerde in het zuidwesten van het land (met de deelstaten Beieren, Baden-Württemberg en Hessen) en gebieden met oude fossiele industrie elders in West Duitsland met het Ruhrgbied in de deelstaat Noordrijn-Westfalen als meest in het oog springende  voorbeeld.  Een driedeling  tussen Oost, Zuidwest en Noordwest Duitsland dus. Ook die nieuwe driedeling houdt verband met de Val van de Muur. Het verdwijnen van het IJzeren Gordijn maakte  het de Duitse (vooral de machine- en met name de auto-industrie in de jaren 90 van de vorige eeuw  mogelijk op grote schaal  sleutelbedrijven in Midden- en  Oost-Europa (in Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije)  over te nemen en deze via deze weg in te schakelen  in de eigen productieketens. Daarmee kregen deze Duitse multinationals volop goedkope arbeid binnen handbereik, geografisch meteen om de hoek. Dat had tegelijk een forse verzwakking van de positie van de factor arbeid in West Duitsland tot gevolg. Die verzwakte positie maakte het  kanselier Gerhard Schröder (SPD – in de volksmond  Genosse der Bosse genoemd) des te makkelijker om in de jaren na de eeuwwende  de  sociale bezuinigingsmaatregelen  van zijn  ‘Agenda 2010’ door te drukken, met als gevolg verregaande bezuinigingen op sociale voorzieningen en een steeds verdere precarisering van de arbeidsomstandigheden. De effecten daarvan waren extra voelbaar in regio’s waar het toch al niet al te florissant ging, waaronder ook de ooit zo bloeiende maar nu verouderde, nog vaak volledig op fossiele energievoorziening draaiende industrierevieren in het westen des lands. De opgave tot verduurzaming van de (energie)productie die hier heden ten dage op de agenda staat zet dergelijke regio’s sociaal-economisch nog verder onder druk [2].

 Zowel in de kern – het voormalige West Duitsland – als in de randgebieden – in Midden- en Oost-Europa  – begint het ‘Heilige Roomse rijk der Duitse economie’ nu flink te kraken. In het economisch  opkrabbelende Midden en Oost Europa groeit de onvrede over de gigantische loonkloof tussen het eigen relatief lage loon en de veel hogere lonen in Duitsland, hetgeen meer en meer tot stakingen voor loonsverhoging leidt [3].  Als de loonkloof hier gaat verkleinen dreigt de economische basis onder het hele bouwwerk van het Heilige Roomse rijk der Duitse economie ondermijnd te worden. Daarmee kan ook de alom bewierookte Konkurrenzfähigkeit van de Duitse industrie serieus in de problemen komen. De Franse productiviteit per arbeidsuur ligt zeker zo hoog als de Duitse. Door het reservoir aan relatief goedkope arbeid binnen eigen Europese  Wirtschaftsraum is Duitsland op technisch-innovatief opzicht relatief lui geworden en loopt mede daardoor op ICT-domeinen internationaal beslist niet voorop. De grote macht van de rijke familiebedrijven in Duitsland is daar ook debet aan. Families zijn lang niet altijd de beste managers en hun financiële voorkeuren kunnen de economisch en technisch beste keuzes hier vaak danig in de weg zitten [4]. Een verregaande herschikking van economische en vooral sociale prioriteiten over de hele linie –  zowel intern nationaal als in de relatie met de Europese buren – is hier geboden, maar of en hoe het politiek, sociaal  en mentaal verscheurde en gedesillusioneerde land daartoe in staat zal zijn, is de vraag.

>Het  ‘steenrijke Holland’ in een zelf gekozen isolement

Tussen zee en vasteland – zo wordt de positie van ons land vaak gekarakteriseerd [5].  Laten we hier beginnen met het vasteland. Nederland is de laatste jaren steeds meer met de rug naar het  continent waar het zelf deel van uitmaakt komen te staan, zo constateerden we al eerder op deze site [6]. Dat gemis wordt des te nijpender nu de Frans-Duitse as weer kracht en allure lijkt te krijgen.  De oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was er altijd al een meester in geweest op een gewiekste manier profijt te trekken van verschuivingen in de geo-economische en geo-politieke krachtsverhoudingen op het Europese continent. Een hoofdrol  binnen de vrij losse confederatie van provincieën van de Republiek  was weggelegd voor het welvarende zeer strategisch aan de mondingen van Rijn en Maas gelegen kustgewest Holland. De financieel-economische elite van dit in zijn hoogtijdagen spreekwoordelijk steenrijke Holland  wist ook in de 19e en de  vroege 20e eeuw toen het land een steeds kleinere speler op het Europese toneel  werd behendig gebruik te maken van de veranderende verhoudingen tussen oude en nieuw opkomende natiestaten in Europa. Het meest profiteerde zij in dit verband wel van de Duitse eenwording in 2870 waarna de transitohandel vanuit Rotterdam door met de even te voren opgekomen industrie in het Ruhrgebied in een stroomversnelling kwam. Een tweede economische impuls mocht Holland in de wederopbouwjaren na de Tweede Wereldoorlog ondervinden: Marshallhulp uit Amerika, de vondst van Groninger gasbel en  de het ontstaan van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal [EGKS], het grensoverschrijdende kartel dat de basis vormde voor de latere EEG. Waar de  mazen van de EEG-afspraken en verordeningen voor het financieel  handig opererende Holland te knellend dreigden te worden wisten de Hollandse rekenmeesters het in 1972 tot de EEG toegetreden Groot Brittannië doorgaans met succes in stelling brengen.  Deze en soortgelijke vliegers gaan inmiddels echter niet meer op of zullen binnen afzienbare tijd tot het verleden behoren. Met de  Brexit zal Nederland het in de EU zonder het financieel al even geslepen Abion moeten doen. En binnen de EU wordt de zaak zo niet op korte dan wel op iets langere termijn onvermijdelijk steeds verder financieel en fiscaal geharmoniseerd. Het lijkt Europa inmiddels eindelijk gelukt de diarree aan Hollandse belastingontduikings- en ontwijkingstrucs een halt toe te roepen. Een volgende stap zou moeten zijn de in ‘Den Haag’ zo geliefde race naar de  bodem door de winstbelasting steeds te verlagen en zelfs de dividendbelasting helemaal af te schaffen nu eindelijk eens resoluut te stoppen. Holland voelt de bui al hangen.  Daarom stopt het huidige kabinet het hoofd het liefst diep in het zand om maar niet aan nader overleg met de tandem Macron – Merkel over de toekomst van de EU te hoeven denken, alles uit angst om met de billen bloot te moeten. Hoeveel zou de financieel-economische elite van het steenrijke Holland er uiteindelijk voor over hebben om in bij de euro en in de EU te kunnen blijven en welke overwegingen spelen daarbij op de achtergrond een rol? Als puntje bij paaltje komt heeft zij daar waarschijnlijk veel en veel meer voor over dan ze op dit moment voor de vaderlandse Bühne openlijk zou willen toegeven.

De andere pool waartussen het reilen en zeilen van Holland zich beweegt is de zee, van de Noordzee tot en met al vroeg alle oceanen van de wereld. Het belang van de ‘eigen’ Noordzee is men heden ten dage maar al te vaak geneigd over het hoofd te zien. Natuurlijk klaagt men steen en been over de te verwachten schade die de Brexit de Nederlandse economie kan brengen. in de huidige nieuw ontstane situatie zou het echter zinvoller zijn te onderzoeken welke mogelijkheden nauwere samenwerking met  andere regio’s aan de Noordzeekusten zou kunnen bieden: allereerst op het gebied van duurzame zilte voedsel- energievoorziening van windmolen tot algen en kweektong. En dan op het gebied van transportlogistiek – scheepvaart – en in de vorm van sociale en culturele ideeënuitwisseling tussen de Noordzeese kuststreken. De Noordzee-landen en regio’s hebben cultureel, mentaal en religieus (protestantisme) zeker heel wat gemeen, maar er zijn ook onmiskenbaar verschillen. Het oostelijke Scandinavische deel van het Noordzeegebied is Luthers en sociaal-democratisch op een heel eigen manier, ontstaan uit een fijnmazig mozaïek van – van oorsprong agrarische – coöperaties. Het zuidwestelijk deel van het Noordzeegebied, Groot Brittannië en Nederland voorop, is uitgesproken kapitalistisch en hier toont de Reformatie zijn scherpste kantjes in de gedaante van het Nederlandse en Schotse calvinisme. Wat echter met name Nederland weer met Scandinavië bindt is de op consensus gerichte politieke en maatschappelijke cultuur [7]. Vanuit die invalshoek zou Nederland zich heel goed tot schakel tussen de Noordse landen en EU/ Eurozone kunnen ontwikkelen; het vaak harde en egoïstische Holland kan daar alleen maar beter van worden. Het doel is daarbij dan niet om Scandinavië stukje bij beetje (verder) ‘Europa’ in te willen lokken – voor een toetreden tot de monetaire unie bedanken de Noordse landen beleefd; daarvoor vormt het keurslijf van de Euro te zeer een bedreiging voor de eigen zo zorgvuldig opgebouwde verzorgingsstaat. Wél om een gezamenlijk economisch, ecologisch, ruimtelijk, sociaal en cultureel ontwikkelingsperspectief te kunnen ontwikkelen dat meer soelaas biedt dan in een scenario zonder Noordse bondgenoten en louter binnen de kaders van de as Berlijn-Parijs mogelijk is. In de dynamiek van de Noordzee is een wereld te winnen; het zou een interessant parallel spoor kunnen bieden binnen en tegelijk deels naast de EU.

De oriëntatie op Skandinavië zou voor Holland  een goede aanleiding kunnen vormen de blik eindelijk eens serieus op de eigen vergeten buitengewesten in het Noorden des lands te richten. En dat is zo langzamerhand  harder  nodig dan ooit.  ‘Holland’ heeft altijd weinig oog gehad voor de buitengewesten. Dat geldt voor het zuiden, waar Brabant  ten tijde van de Republiek als generaliteitsland rechtstreeks vanuit Den Haag bestuurd werd. Ook later, in de eenheidsstaat van het Koninkrijk, leidde de onderwaardering van het land beneden de Moerdijk leidde nog lange tijd een hardnekkig bestaan. Eigenlijk ziet ‘ Holland’  pas de laatste anderhalve decennium Brabant serieus staan en is ‘Brainport’ Eindhoven als vijfde grote stad  van het land door de Randstad-4 eindelijk in genade aangenomen. Het Noorden des lands kent een iets andere maar zeker niet minder dramatische geschiedenis. Ten tijde van de Republiek konden de noordelijke gewesten dankzij de grote autonomie een eigen koers varen. Tijdens het Tweede Stadhouderloze tijdperk (1702-1748) had het Noorden zijn eigen stadhouders.  Hoewel  het zwaartepunt ten tijde van de Republiek weliswaar in Holland lag, ontwikkelde het Noorden zijn eigen sterke punten: economisch (Groningens grootschalige turfwinning in haar ommelanden), theologisch en wetenschappelijk  (universiteit van Franeker). Hoe anders werd dat onder de eenheidsstaat van het Koninkrijk. Het Noorden werd dumpplaats  en ( van Veenhuizen tot de VAM) en energetisch wingewest: van het Drents-Friese turf tot aardgas, met de als traumatisch ervaren aardbevingen in Groningen als voorlopig dieptepunt. De baten van de gasbel van Slochteren vielen maar zeer mondjesmaat aan het hoge Noorden toe, terwijl 88% daarvan naar investeringen de infrastructuur in Randstad Holland is gegaan [8]. In dit verband rijst de vraag: wat wil het Koninkrijk nog met het Noorden nu de aardbevingen een einde aan de wingewestpraktijken lijkt te hebben gemaakt? Het zou een vraag die in een beschaafde staat als Nederland niet gesteld zou hoeven en mogen worden. Een eenheidsstaat  die over alle middelen en bevoegdheden beschikt om in alle billijkheid met oog voor gelijke kansen aandacht en opbrengsten rechtvaardig over het hele land te verdelen, niet in de laatste plaats ook op ruimtelijk-geografisch vlak. Natuurlijk kent ieder land zijn achtergebleven gebieden maar het zou voor een nationale overheid op zijn minst een inspanningsverlichting moeten zijn om de regionale verschillen en onevenwichtigheden tegen te gaan.

Hoe anders is dat in onze buurlanden. Frankrijk kent weliswaar vanouds grote verschillen en onevenwichtigheden tussen Parijs en de provincie en tussen Noord en Zuid. Maar om die scheefgroei actief tegen te gaan ontwikkelde de centrale staat vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw vanuit het besef van équité (billijkheid, rechtvaardigheid, kansengelijkheid) tegenover alle regio’s  een ruimtelijk beleid  van polycentrisme maillé (verknoopte meerkernigheid) om de verstedelijkingsdruk op Parijs en het Ile de de France te ontlasten  en in plaats daarvan bepaalde provinciesteden een flinke boost te geven die in een brede hoefijzervormige kring op zeer geruime afstand van de hoofdstad liggen: Rennes, Nantes, Bordeaux, Toulouse, Montpellier, Lyon, Straatsburg [9]. Dit breed van links tot rechts gedragen beleid heeft de afgelopen vier decennia de nodige vruchten afgeworpen in de vorm van uitgesproken demografische en economische groei waar eerder stagnatie en krimp overheersten. De vraag is nu hoe Macron met deze erfenis en uit het recente en zeer recente verleden om zal gaan. Natuurlijk heeft hij in de slipstream het onder  Sarkozy ingezette megalomane project Le Grand Paris  de nodige lippendienst  moeten betonen aan de hoofdstad, maar tegelijkertijd lijkt hij vooral zijn hart te hebben verpand aan die stedelijke parels uit het hoefijzer die in de grote boze buitenwereld opvallend goed hun innovatieve mannetje weten te staan, te weten de regio Toulouse-Bordeaux en het stedelijk landschap aan de benedenloop van de Rhone met  de metropolitane regio Grand Lyon als duidelijk trekpaard en als zodanig bij voorkeur ten voorbeeld gesteld.

Ook in de federaal opgebouwde Duitse Bondsrepubliek is het verantwoordelijkheidsbesef voor  achtergebleven regio’s goed ontwikkeld. Dat betreft dan in de eerste plaats de gigantische operatie waarbij de westelijke deelstaten, de rijke zuidwestelijke het meest, de afgelopen kwart eeuw betaalden voor de enorme investeringen in (vaak geheel nieuwe) infrastructuur in het onderkomen oosten. Dat daarbij tegelijkertijd  de achtergebleven gebieden in het westen vaak hardnekkig vergeten werden is niet in de laatste plaats te wijten aan het verstokte ordoliberale economische beleid  van de vorige minister van financiën (en in de jaren 90 Treuhand-opperhoofd!) Wolfgang Schäuble, voor wie de schwarze Null steeds heiliger dan heilig is. Denk bij dergelijke westelijke achterblijvers niet alleen aan een voor een hand liggend geval als het Ruhrgebied maar ook aan grensgebieden als het Saarland of in het Noordwesten gelegen vergeten grensregio’s als Eemsland en Oost Friesland.

>Tussen  vastgelopen natiestaten en verkeerd begrepen internationalisme       

Naar aanleiding van het weinig florissante lot van dergelijke grensregio’s kunnen we een cruciaal maar ondanks alle goed bedoelde PR voor het verschijnsel van de euregio helaas doorgaans schromelijk verontachtzaamd thema in de discussie over ‘Europa’ op het spoor komen. Onderzoek wijst steeds weer uit dat dergelijke grensgebieden die zonder de nationale barrières die opgeworpen op het vlak van arbeidsmarkt, onderwijs,  infrastructuur en zorg over spectaculair betere ontwikkelingsmogelijkheden zouden kunnen beschikken dan nu het geval is [10]. De hardnekkige en steeds weer terugkomende tegenvallers in het functioneren  van Europese natiestaten zijn dus niet alleen te wijten aan de eigen interne nationale tegenstellingen en onevenwichtigheden, maar ook en niet in de laatste plaats aan het gebrek aan grensoverschrijdende samenwerking tussen de staten. Het meest schrijnend en  soms op het lachwekkende af  komt dat wel aan het licht  in die delen van het zo dynamische  Noordwest Europa  terwijl men daar economisch, sociaal, infrastructureel, waterstaatkundig en ecologisch steeds sterker op elkaar aangewezen raakt. Binnen de driehoek Randstad Holland – Vlaamse Ruit – RheinRuhrgebied bijvoorbeeld, waar de Benelux door de onderlinge tegenstellingen  binnen en tussen de drie deelnemende landen na 50 jaar nog steeds niet uit de startblokken weet te komen en de ooit zo trotse Duitse deelstaat  Noordrijn-Westfalen van het steeds centralistischer opererende  Berlijn steeds minder ruimte gegund wordt. Of, een ander voorbeeld,  binnen de zone van de Noordzeese kustregio’s,  waar baaierd aan loyaliteitsdilemma’s en belangentegenstellingen een nadere  samenwerking danig parten kan spelen – dilemma’s in verband met de uiteenlopende  Europese status van de diverse landen (wel/niet aangesloten  bij EU en/of Euro) of  tegenstellingen die voortvloeien uit de problematische positie van een kustgebied ten opzichte van de sterk continentaal  georiënteerde natiestaat waar het als streek deel van uitmaakt. Dergelijke gordiaanse knopen zijn alleen te ontwarren als de problemen waarvoor we staan niet langer als een internationale opgave benaderd worden maar als een postnationale. Bij een internationale benadering blijven we immers nog te veel hangen in de wereld van de natiestaten die hier juist het grote obstakel vormen. Maar postnationaal alleen biedt dan ook weer te weinig richting; de regio als de entiteit op het best hanteerbare ‘Europa-compatibele’ schaalniveau zou hier kan dan soelaas kunnen bieden. Grensoverschrijdend  Iinterregionalisme dus, maar dan niet  primair in algemene, pan-Europese termen opgevat zoals bijvoorbeeld in de gedaante van een even plechtig als vrijblijvend beleden ‘Europa van de Regio’s’. Omdat het gevoel voor relevantie en urgentie daarbij doorgaans node gemist wordt verliezen dergelijke megalomane concepten zich al te licht in richtingloze bezweringsformules.  Nee – een dergelijke interregionale benadering kan alleen met succes op gang gebracht worden aan de hand van heel  concrete aanleidingen –  sociaal, economisch en ecologisch. Vooralsnog eerst als pilots in veelbelovende en geografisch zinvol af te bakenen gebieden als de eerdergenoemde driehoek Holland-Vlaanderen-Ruhr of een ‘Noordzee-Unie’  in enigerlei vorm.  En route!

Noten

[1]
Prof. Dr. Constantin Goschler/ Marcus Böick M.A., Studie zur Wahrnehmung unds bewertung der Arbeit der Treuhandanstalt Bochum [Ruhr-Universität] 9 november 2017; zie ook: http://www.bmwi.de/Redaktion/DE/Publikationen/Studien/wahrnehmung-bewertung-der-arbeit-der-treuhandanstalt-lang.pdf?__blob=publicationFile&v=22

[2]
Zie o.m. : Julien Lefilleur, Géographie industrielle  de l’Europe centrale et orientale  Parijs [Ed. L’Harmattan] 2010, Christian Odendahl,  The Hartz Myth – A closer look at Germany’s labour market reforms  Londen [Centre for European reform]  Juli 2017 http://www.cer.eu/sites/default/files/pbrief_german_labour_19.7.17.pdf en Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand In: Le Monde diplomatique  Februari 2018, blz. 13

[3]
Als goed voorbeeld geldt de forse loonsverhoging als gevolg van een geslaagde staking [de eerste sinds de jaren 90!] in de Volkswagenfabriek in Bratislava – zie Philippe Descamps, Victoire ouvrière chez Volkswagen In:  Le Monde diplomatique  September 2017, blz. 5; het betreft hier een kadertekst binnen een groter artikel met de veelzeggende titel  Souverainité économique limitée de l’Europe centrale – Désanchantement européen en Slowaquie, blz 4-5

[4]
Zie: Marcel Fratzscher, Verteilungskampf  – Warum Deutschland immer ungleicher wird München [Hanser] 2016; Hoofdstuk 19:  Im Land der reichen Familienunterhehmen , blz. 148

[5]
Zie ondermeer recentelijk in: Haroon Sheikh, 7. Tussen wereldzee en vasteland – Aanzetten voor een Nederlandse Grote Strategie In: Gabriël van den Brink [red.], Waartoe is Nederland op aarde? Amsterdam [Boom]  2018, blz. 211

[6]
Met de rug naar het continent staan waarvan je zelf deel uitmaakt;  onder de knop Nieuws op deze site: Nieuws/ Zomer 2016

[7]
Meer hierover in ondermeer de diverse bijdragen in Lesley Riddoch and Eberthardt Bort, McSmörgasbord – What post-Brexit Scotland can learn from the Nordics Edinburgh [Luath Press] 2017

[8]
Steven van Schuppen, The medium is the map, de paragraaf  Koninkrijk  In: Marcel Möhring, Christoph Fink, Harry de Wit en Steven van Schuppen, “Afhankelijk van de legenda kan kortom alles een kaart zijn” – Proeve van een culturele cartografie voor de regio  Groningen-Assen   Amsterdam [Architectura & Natura] 2008, blz. 6 En:  Het Noorden zoekt het dan zelf wel uit Kadertekst bij Jan Dirk Dorrepaal en Steven van Schuppen, Nederland is passé. De toekomst is aan Noorderland, Randstad en Zuiderland   In: NRC/HB van 8 Maart 2008  En diverse recente  artikelen over de materie op de site dubbelkrimp.nl, onder de knop Archief

[9]
Meer hierover in : Jean-Louis Guigou, Aménager la France de 2020. Mettre les territoires en mouvement  Parijs [La Documentation Francaise/DATAR] 2000

[10]
Zie hiervoor  o.m. het onderzoek van Gerard Marlet, e.a. , Groeien aan de grens –  De kansen  voor grensregio’s   Nijmegen [VOC Uitgevers/ Atlas voor gemeenten] 2014

Nieuws/ Winter 2017-2018

Bij de nieuwe prognoses van een temperatuurstijging van 3 [!] graden in 2100

De Wüstungen van de 21e eeuw’ actueler dan ooit

Wüstungen zijn nederzettingen en andere in cultuur gebrachte gebieden die door de nood der omstandigheden moesten worden opgegeven. Het is een begrip dat in de Duitse geschiedschrijving is ontwikkeld naar aanleiding van het verlaten van nederzettingen en cultuurlandschappen in de late middeleeuwen met een uitloop naar de vroeg moderne tijd [1]. Die nood der omstandigheden werd toentertijd niet in de laatste plaats veroorzaakt door de economische gevolgen van seculaire klimaatfluctuaties in de vorm van het periodiek voorkomen van zogeheten kleine ijstijden in combinatie met politiek-militaire conflicten, later uiteindelijk uitmondend in bijvoorbeeld de godsdienstoorlogen van de 16e eeuw en daarna in de rampzalige Dertigjarige Oorlog (1618-1648).  Tempo en ritme van de toen nog hoofdzakelijk agrarisch bepaalde economische conjunctuur werd in die dagen sterk  beïnvloed door klimatologische veranderingen. Dat veranderde vanaf het eind van de 18e eeuw met de industriële revolutie toen het relatief trage seculaire agrarische conjunctuurritme vervangen werd door de driftige hartslag van het industriële kapitalisme. Dat industriële kapitalisme maakte in de daarop volgende twee eeuwen een steeds verdergaande technische beheersing van de krachten der natuur mogelijk, waardoor het hovaardige idee kon post vatten dat mens, economie en maatschappij zich geheel onafhankelijk van de natuur zouden kunnen ontwikkelen. Van een dergelijke hoogmoedswaan moeten we heden ten dage terugkomen. De door de industrialisatie teweeg gebrachte CO2-uitstoot lijkt nu zelfs de klimatologische seculaire fluctuaties fataal te verstoren. Over de vraag of, hoe is en op welke termijn die bedreigende ontwikkeling terug te draaien is bestaat echter minder duidelijkheid dan in moed wanhoop alom wordt gehoopt.  De laatste onderzoeksresultaten wijzen in de richting van een temperatuurstijging van 3 graden in 2100, ook bij naleving van ‘Parijs 2015’ [2]. Bovendien moet ook bij een snellere

omschakeling naar duurzame energiewinning  rekening gehouden gehouden worden met de naijl-effecten van de gedurende de afgelopen twee eeuwen opgebouwde en de komende halve eeuw nog op te bouwen Co2-uitstoot die de komende eeuw garant staan voor een verdergaande klimaatwijziging, zeespiegelstijging en sterkere neerslagfluctuaties incluis. Wie denkt het alle onheil met voorbeeldig duurzaam gedrag te kunnen bezweren houdt zichzelf gruwelijk voor de gek. We moeten daarom afzien van de onaantastbaarheid van de klassieke moderniteit uit het tijdperk van het industriële kapitalisme en terugkeren tot het met ontzag rekening te houden met de natuur zoals in de vroeg moderne periode nog gebeurde – de natuur, ook met zijn minder aangename luimen. Bij dat ‘rekening houden met’ hoort ook de houding van de ‘helden van de terugtocht’ zoals de Duitse essayist Hans Magnus Enzensberger het zo treffend heeft genoemd [3]. In ruimtelijk opzicht moet een dergelijke terugtocht soms ook heel letterlijk-geografisch opgevat kunnen worden, bijvoorbeeld in de vorm van Wüstungen:  het gedeeltelijk of geheel opgeven van nederzettingen en andere in cultuur gebrachte gebieden of de  ingrijpende transformatie van de functies van die nederzettingen en gebieden onder druk van de veranderende natuurlijke omstandigheden.

De  echte consequenties daarvan durft echter nog bijna niemand en bijna nergens te trekken.  In het Duitsland van een Enzensberger zal dat besef nog het eerste doordringen – het land waar het begrip Wüstungen  is uitgevonden en waar de Wüstungen ten tijde van de Dertigjarige Oorlog nog steeds een onlosmakelijk onderdeel van het collectieve geheugen vormen. Denk bij Wüstungen dan zeker ook aan laaggelegen kustgebieden die bij stijging van de zeespiegel  en de daaraan voorafgaande toename van de stormkracht in het verleden en in de toekomst (soms weer opnieuw) opgegeven moesten en moeten worden. Zelfs hele kuststeden op termijn misschien zoals bijvoorbeeld Bremerhaven en Wilhelmshaven – zie een recent pleidooi in die richting in de Tageszeitung [4]. In het veel sterker door het water bedreigde Nederland is een dergelijke gedachtegang nagenoeg ondenkbaar – het Nederland dat als Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1648 bij de Vrede van Münster glorieus uit de oorlog te voorschijn kwam en zijn Wüstungen uit het verleden, hier vooral tot uitdrukking komend in het opgeven van hele poldergebieden, weer voor een belangrijk deel ongedaan wist te maken in de vorm van de aanleg van voor die tijd grootschalige droogmakerijen dankzij de inzet van het gigantische surplus aan beschikbaar kapitaal. Wellicht daardoor kennen we in het Nederlands niet een begrip als ‘Wüstungen‘ en zo er al in het verleden – ook nog in de vroeg moderne periode – er een dergelijk besef bestond is dat later volledig overstemd door het geloof in economische groei en in het vermogen tot waterstaatkundige allesbeheersing dat vorm kreeg met het ontstaan de moderne centralistische natiestaat van het Koninkrijk der Nederlanden in de vroege 19e eeuw waarvan de wording en verdere uitbouw geheel en al verweven is met dit waterstaatkundig triomfalisme. Iets meer relativering van de eigen nationale Hollandse mythes zou in ruimtelijk verband daarom beslist geen kwaad kunnen. Door inmiddels economisch en waterstaatkundig hoogstnoodzakelijke grensoverschrijdende  samenwerkingsverbanden aan te gaan zou er wellicht op dit vlak een opening in deze vierkant-Hollandse mentaliteit kunnen plaatsgrijpen.

=De opgave: anticipatie op de Wüstungen van de toekomst

Wüstung’ is een natuurlijk een predikaat dat pas achteraf, vaak veel later dan een en ander plaatsvond, aan een bepaald verschijnsel is toegekend is op grond van veelal indirecte bronnen, vaak in de vorm van vaak fragmentarische schriftelijke en/of archeologische relicten. Waarschijnlijk is zal de gebeurtenis door degenen die er de gevolgen van ondergingen als weinig glorieus ervaren zijn. De smadelijkheid van het te elfder opgeven staat immers zelden met hoofdletters in de annalen opgetekend. Vaak zal er sprake geweest zijn van een door de nood der veranderende omstandigheden onvermijdelijk geworden ontwikkeling. Voor de Wüstungen die in deze eeuw nog moeten komen is het echter zaak met al onze groeiende kennis en inzichten de ontwikkelingen waar mogelijk voor te zijn door tijdig doodlopende paden te verlaten en nieuwe wegen in te slaan, ook als daar heel wat voor moet worden opgeofferd. Voorrang geven aan de lange termijn perspectieven en de korte termijn van de economische en politieke conjunctuur daaraan ondergeschikt te maken wordt het devies. Maar er is meer dan dat nodig, meer en bovendien fundamenteel anders: ook het hardnekkige bijgeloof dat de mens via de nieuwste duurzaamheidsrituelen de wereld en de natuur toch weer stiekem volledig in zijn broekzak denkt te krijgen moet in dat verband meedogenloos op de helling. Tja, en dat vereist natuurlijk wel de broodnodige distantie ten opzichte van de mechanisering van het wereldbeeld die sinds de late 18e eeuw in het denken opgeld heeft gedaan. Maar of de hogepriesters van het klassiek-moderne hegonomisme over de natuur daarvoor veel voelen is zeer de vraag. Er zijn hier dus nog heel wat bakens te verzetten, niet alleen materieel maar vooral mentaal.

Projecten in uitvoering en voorbereiding

Het thema van de Wüstungen van de 21e eeuw speelt  een rol in praktisch in al mijn onder handen en in voorbereiding zijnde projecten voor komend jaar. Om te beginnen in vorm van een of meerdere artikelen, mogelijk naar aanleiding van de laatste twee boeken van Philipp Blom [5], bijvoorbeeld in de serie essays die ik schrijf en heb geschreven voor De Gids en De Nederlandse Boekengids. In de eerste helft van 2018 richt ik mij vooral op het project Moerasdraak bespeelt waterwolf. Plaats van handeling: Den Bosch, Fort Sint Andries en Beerse Overlaat. Over de relevantie van het watererfgoed van rivierstad en -land voor hedendaagse klimaatopgaven. Een toekomstgericht  interdisciplinair ontwerpend onderzoek  in de geest van Krayenhoff en Lodewijk Napoleon, Deltacommissie  en Ruimte voor de Rivier ruimschoots voorbij.  In samenwerking met ondermeer de landschapsarchitecten Arjan Nienhuis, Bart Bomas.  Met hetzelfde tweetal pleeg ik de nodige voorbereidingen voor de opstart van nog een ander project:  De ballade van roerend en onroerend goed in de Zuidwestelijke delta. Dat behelst een verkennend interdisciplinair onderzoek naar de relatie tussen klimaatverandering, demografische krimp en toeristische verblijfsaccommodatie mede naar aanleiding van het initiatief ‘Bescherm de kust’ van Natuurmonumenten waarbij naast het gebruikelijke overwegend defensieve beleidsinstrumentarium aan de hand van voorbeeldlocaties nieuwe strategieën voor behoud en kwaliteitsverbetering van natuur, cultuur en leefbaarheid kunnen worden ontwikkeld. Inclusief een te ontwikkelen strategie om tegenwicht te bieden aan de dreigende door de vastgoedsector aangedreven tendens tot verdere verstening van de kust.

Noten

[1] Zie o.m.: Wilhelm Abel, Die Wüstungen des ausgehendes Mittelalters  Stuttgart [Fischer] 1955(2) en voor de Nederlandse verhoudingen: Johannes (Hans) Renes, Wüstungsprozesse in den Niederlanden zwischen 1000 und 1800  In: Klaus Fehn e.a.. Siedlungsdsforschung – Archäologie, Geschichte, Geographie Band 12 Bonn [ Verlag für Siedlungsforschung] 1994, blz. 201-233. In tegenstelling tot Abels sterk agrarisch gerichte benadering onderscheidt Renes  drie oorzaken voor het ontstaan van Wüstungen, van het structurele analyseniveau afdalend naar het evenementiële: het natuurlijk milieu (in Nederland sterk watergebonden in de vorm van bodemdaling, ontwatering en dijkenbouw), veranderende sociaal-economische verhoudingen en ten derde toevallige oorzaken als plundering en oorlog. Binnen de praktijk van onderzoek naar Wüstungen heeft de aandacht op het ‘tussenniveau’ van de veranderende sociaal-economische verhoudingen altijd te eenzijdig gelegen op het economische gelegen; de sociale kant hebben de  Wüstungs-historici  in Renes’visie te zeer genegeerd. Laat die kant nu mijns inziens juist van essentieel belang zijn voor het beoordelen van de kansen en mogelijkheden voor een ruimtelijke ‘Wüstungs-strategie’ voor de 21e eeuw.

Zie: https://www.kulturlandschaft.org/publikationen/siedlungsforschung/sf12-1994.pdf

[2] Zie o.m.: The 3-degree  world: the cities that will be drowned  by gobal warming  In:  The Guardian 3 november 2017. Zie: https://www.theguardian.com/cities/ng-interactive/2017/nov/03/three-degree-world-cities-drowned-global-warming  In Europa staat Den Haag [i.c. Randstad  Holland] op nummer 1 op de top tien van de door overstroming bedreigde steden  met maarliefst zo’n 2,5 miljoen mensen die op termijn hun woonstee zouden moeten verlaten.

[3] Zie Enzensbergers in het omineuze jaar 1989 gepubliceerde essay Die Helden des Rückzugs – Broullion zu einer politischen Moral der Macht  In: Zickzack – Aufsätze  Frankfurt/ M  [Suhrkamp] 1997, blz. 55

[4] Benno Schirrmeister, Bye, bye, Bremerhaven  In: Tageszeitung 28 december 2016. Zie http://www.taz.de/Archiv-Suche/!5369465&s=&SuchRahmen=Print/

[5] Zie: Philipp Blom,  De opstand van de natuur – Een geschiedenis van de kleine IJstijd (1570-1700) en het ontstaan van het moderne Europa Amsterdam/ Antwerpen [De Bezige Bij] 2017 en van dezelfde auteur:  Wat er op het spel staat   Amsterdam [De Bezige Bij] 2017

 

 ===nieuw op de site: ===================================================

>onder de knop  EURandstad:

  • PU  Spiegelbeeld van Randstad, maar dan beter – Operatie Noorder-Randstad  In: ROMagazine  (Amersfoort 10 oktober 2016 [samen met Jan Dirk Dorrepaal])

Nieuws/ Herfst 2017

Eén, twee,vele Forten Oranje!

“De langste stad strekt zich uit langs de Noordzeekust. […] Een stad die niet als zodanig ervaren wordt, maar wel degelijk bestaat. […] Een ‘sluikstad’, die bewust aan het oog onttrokken wordt. Schaamgroen verhult dit landschap [van recreatiewoningen en stacaravans], de slagboom weert bezoekers af. Een landschap waarover besmuikt wordt gedaan, dat eigenlijk niet mag bestaan maar toch bestaat. […] Ontkend door planologen die zich schamen voor hun planoleugens. […]  Onze langste stad heeft een heel belangrijke rol vervuld in de eerste 20 à 25 jaar na de oorlog als reserve-woningvoorraad in tijden van woningnood en snelle economische ontwikkeling. […] Buiten het seizoen konden er mensen terecht die blij waren met elk huis, al was het nog zo klein en eenvoudig. Ook toen in de loop van de jaren zestig de welvaart in brede kringen doordrong, bleef onze langste stad haar rol vervullen als onmisbare schaduwstad, als onderdak voor tijdelijke en/of ‘illegale’ werkkrachten: in de bollen, in de kassen, in de bouw, in de Hoogovens en in de Rotterdamse haven, net als vóór die tijd. Als onderdak voor mensen die door scheiding of andere plotselinge wendingen van het levenslot acuut een toevluchtsoord nodig hebben.”

Uit:  Steven van Schuppen en Vladimir Mars, De langste stad Van Het Zwin tot De Slufter Reis langs het verblijfstoeristisch erfgoed van de Nederlandse kust  Den Haag 2005, blz. 4-11

Toen ik dit schreef, nu ruim 12 jaar geleden, moest de kredietcrisis van 2008 nog beginnen. Die crisis  heeft veel mensen over de rand geduwd waarbij zij hun toevlucht in de recreatie-schaduwstad moesten zoeken om onder de radar van schuldeisers, justitie, fiscus en uitkeringsinstanties te blijven. Een stad die zich niet alleen uitstrekt langs de kust maar ook in meer landinwaarts gelegen bosrijke gebieden als het Brabants Plateau en de Veluwe. Velen verblijven nog steeds in die schaduwstad en zullen daar ook voorlopig nog wel blijven, ook al heet de crisis nu voorbij te zijn. Hun lot kwam de laatste maanden volop aan het licht bij de ontruiming van Recreatieoord Fort Oranje in Rijsbergen in de gemeente Zundert in westelijk Noord Brabant. Die hele operatie laat een buitengewoon wrange smaak na. In De langste stad  pleitten we  voor ”nieuwe eigentijdse vormen en gedachten waarin met name de terreinen aan de onderkant van de markt en de sociale ladder nieuw leven ingeblazen kan worden.  Want  die terreinen worden bedreigd – overal langs de kust is de druk groot om deze onderkant te vervangen door luxueuzere vormen van accommodatie voor het oude en het nieuwe geld.”  Dus: stadsvernieuwing is hier op zijn plaats, maar zónder de fouten die bij de ‘echte’ stadsvernieuwing  werden gemaakt. Zonder een hardnekkige armoedeval met als eindresultaat. En helemaal zonder operaties met mobiele eenheid a.u.b.!  Om in de strijdbare geest van Che Guevara te blijven: Eén, twee, vele Forten Oranje – dat is het parool!

De Langste Stad langs de kust is de laatste jaren ook via andere kanalen in de publieke aandacht gekomen.  En wel via het initiatief Bescherm de kust  dat zo’n twee jaar geleden van start kwam vanuit terechte zorgen om het feit dat de Nederlandse kust steeds verder dichtgebouwd  dreigt te worden.  De actie kwam en komt uit de hoek van diverse natuurbeschermingsorganisaties onder leiding van Natuurmonumenten en heeft  inmiddels onder regie van het Rijk met enige moeite geleid tot een waar  ‘Kustpact’ tussen diverse overheden, toeristisch-recreatieve brancheorganisaties en de natuurbeweging.  De verstening dreigt het sterkst aan de kusten van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse delta – een goede reden om die hoek van de kust aan een nader kritisch onderzoek te onderwerpen.  Natuurmonumenten, provinciale landschappen en Stichting Duinbehoud kwamen in dit verband met hun de kustvisie Naar het behoud en een betere bescherming van de gouden rand van de Zuidwestelijke Delta [1] (2015). Daarin wordt een forse overcapaciteit aan recreatief vastgoed geconstateerd, inclusief de daaruit voortvloeiende leegstand, vooral in het lagere marktsegment. Bepleit wordt  in dit verband renovatie en herstructurering van ‘verouderde’ vakantieparken alvorens tot nieuwbouw over te gaan. Grote vraag daarbij is dan wel hoe de belangen voor de sociale onderkant van De  Langste Stad gewaarborgd kan worden. Dat zou zowel voor de belangen van mensen die er niet met vakantie zijn maar de woningen als laatste toevlucht gebruiken moeten gelden als  voor recreanten en  toeristen met een smalle beurs – te smal om interessant te zijn voor uitbaters van vakantie-accommodatie op zoek naar lucratievere investeringen. Die vraag verzuimen  de natuurbeschermers in hun rapport te stellen en daarmee spreiden zij een kwalijke blinde blek op sociaal vlak ten toon.

Aansluitend op deze problematiek houd ik me de komende tijd in de eerste plaats bezig met het project  De ballade van roerend en onroerend goedVerpozen en verblijven in de Zuidwestelijke Delta. Vooral het sociale aspect ervan zal in deze overcommerciële tijden heel moeilijk over het voetlicht te brengen zijn. De tijden waarin gesproken werd van sociaal toerisme liggen immers al zeer ver achter ons – inmiddels niet meer dan een vage herinnering uit de wederopbouwperiode. Ik houd u lezers op de hoogte!

Over de invloed van de klimaatverandering op ver-/ontstedelijking gaat het in voorbereiding zijnde project Den Bosch – de lotgevallen van een Moerasdraak [i.s.m. landschapsarchitect Arjan Nienhuis]. Daarbij staat de vraag centraal hoe de omgang met het water in het verleden kan inspireren voor de toekomst met waterregelknop Fort Sint Andries, Beerse Maas en Binnendieze als strategische bouwstenen in de geest van Krayenhoff  en Lodewijk Napoleon, Deltacommissie en Ruimte-voor-de-Natuur ruimschoots voorbij.

In de serie essays over sociaal-economische en politieke ontwikkelingen in diverse delen van Europa, zoals Duitse delingen (over de groeiende economische en geografische ongelijkheid en politieke en sociaal-culturele scheiding der geesten, gepubliceerd in nr  5/2016 van De Nederlandse Boekengids) ben ik nu bezig met een essay onder de [werk]titel serie Europa vs. een antisociale EU, mede naar aanleiding  van   ‘politieke [deel]mémoires’ van radicaal linkse voormannen als Yannis Varoufakis (Adults in the room. My  Battle with Europe’s Deep Establishment) en Jean Luc Mélenchon (Le choix de l’insoumission).

Noten

[1]  http://beschermdekust.nl/wp-content/uploads/2017/03/Kustanalyse-2015.pdf