Nieuws/ Winter 2019-2020

Wie werpt zich in het kolkgat van de dijkdoorbraak?

Over de eigen schaduw heenspringen:
opgave en uitdaging ineen

“Het wassende water is het centrale thema waarmee een nieuwbakken deltacommissie zich momenteel bezig houdt. De trefwoorden zijn genoegzaam bekend: stijging van de zeespiegel, daling van de bodem, sterkere fluctuaties in de toevoer van het rivierwater en in de neerslag, verbrakking die gevolgd door verzilting. Inderdaad: ‘pas dan op voor de zee en de rivieren’. De ondergang van de  van de ‘onnatuur’ die nog honderd jaar kan duren in  de woorden van [J.B.] Charles [1]  van een halve eeuw geleden lijkt meer en meer, wetenschappelijk onderbouwd en al, waarachtig werkelijkheid te kunnen gaan worden.

Wat zou een adequate houding tegenover deze nieuwe toekomst van landschap en natuur kunnen zijn? Kan de hiervoor al vermelde, door [Simon] Schama gehanteerde primitieve paniek – letterlijk te lezen als Pan-iek met een verwijzing naar Pan, de god van onder meer de beestachtigheid en het dierlijk instinct – hier soelaas bieden? Kan de oermens, de autochthon, de sleutel vormen tot een nieuwe verhouding ten opzichte van de natuur in die zin dat er een op de evolutie theorie gebaseerde continuïteit tussen dier en mens bestaat? [2] Het is een prikkelende flirt met de klassieke mythologie, maar zo’n flirt alleen is natuurlijk niet genoeg – de flirt zou als het daarbij zou blijven neerkomen op culturele en intellectuele regressie. Hoe kunnen angstvisioenen van overwoekering en overstroming gesublimeerd worden in creatieve land- en waterschappelijke combinaties en transformaties? – dat is hier de centrale vraag. In het geval van het visioen van de overstroming kent het vanouds amfibisch ingestelde Nederland in dit opzicht een rijke maar helaas maar al te vaak verdrongen traditie uit het vroeg-moderne tijdperk waarin behendig en tegelijk met de nodige eerbied voor de oerkracht van de natuur ingespeeld werd op de krachten van het zeewater. Het icoon bij uitstek van die traditie is de inlaag – de waterwisselruimte  tussen Waker- en Slaperdijk. Eertijds behalve als buffer tegen het wassende water ingericht en ook voor de nodige aardhaling om de dijken en het land op peil en kracht te brengen. Hoe kan heden ten dage de inlaag zich ontpoppen tot proeftuin en kweekvijver voor duurzame zoete en zilte teelten en voor energieopwekking door het samenspel van zoet en zout, het trauma van de Hedwigepolder voorbij?  Jawel – dat zou zomaar in dit land de gedroomde symbiose van natuur en cultuur van de 21e eeuw kunnen worden. Maar is meebewegen alléén wel voldoende? Wie werpt zich in het kolkgat van de dijkdoorbraak?”

Dat vroeg ik me zeven jaar geleden af aan het slot van mijn artikel in het 175-jarig jubileumnummer van De Gids [3].  Die vraag is heden en dage, een slap klimaatakkoord en een beschamende stikstofcrisis verder, actueler dan ooit.  Naast de vraag wie zich in het kolkgat werpt zijn de vragen waar en wanneer dat moet gebeuren minstens zo relevant. Laten we hier beginnen met de waar-vraag, natuurlijk niet primair in letterlijk zin op  te vatten maar in figuurlijke. In de huidige maatschappelijke discussie ligt nu nog sterk de nadruk op de strategie van het terugdingen van de uitstoot van broeikasgassen en veel minder op de strategie van het meebewegen met de luimen van het water. Maar de laatste tijd begint men meer oog te krijgen voor de vraag wat te doen als processen als  klimaatverandering en stijging van de zeespiegel ondanks de nodige  duurzaamheidsmaatregelen zich toch doorzetten, misschien zelfs in een beduidend sneller tempo dan dat tot voor kort voor mogelijk werd geacht. Dan zou de strategie van het meebewegen sterker in beeld kunnen komen, iets dat de laatste maanden meer en meer lijkt te gebeuren, getuige diverse artikelen en reportages in de media [4]. In  beide strategieën bestaat de neiging ex- dan wel impliciet uit te gaan van een antropocentrische benadering.  In de anti-broeikasgassen-strategie is die neiging  in bepaalde opzichten misschien nog wel het sterkst. Daar lijkt het geloof in de gehanteerde wetenschappelijke prognoses het krachtigst beleden, het ontzag voor de mogelijkheden van het menselijk vernuft  natuurlijke processen in al  hun complexe  consequenties  voor de menselijke soort bijna feilloos te kunnen doorgronden het grootst.  De strategie  van het meebewegen lijkt die neiging  tot een zekere overschatting van het cognitieve minder te vertonen, lijkt  eerder openingen te bieden  om nieuwe inzichten en technieken te kunnen paren aan een intuïtief respect voor een natuur waarin de mens slechts één schakeltje is en zeker geen directeur of rentmeester. En de vroomste rentmeesters ontpoppen zich immers niet zelden tot de meest onwaarachtige potentaten.

Bij het stellen  van de wanneer-vraag stuiten we opnieuw op beide strategische oriëntaties met hun d onderlinge tegenstrijdigheden. Of gaat het hier vooral om slechts schijnbare tegenstrijdigheden? In ieder geval sluiten beide oriëntaties elkaar niet uit maar vullen elkaar vooral aan. In de anti-broeikasgassen-strategie staat de tijdhorizon op zijn scherpst: als we Moeder Aarde rond 2050 klimaatneutraal willen hebben, moeten we nu meteen beginnen. Bij  de meebewegen-strategie ligt de overstromingsrampen-tijdhorizon weliswaar niet vóór het jaar  2100 te liggen, maar planologisch zouden we gezien de afschrijvingsduur 5] van gebouwen van 75 jaar eigenlijk ook nu al moeten beginnen, door bijvoorbeeld in ieder geval nu al niet meer te bouwen op laaggelegen waterstaatkundig precaire locaties. Mag de tijdhorizon in beide strategische oriëntaties dus minder met elkaar in strijd  te zijn dan op het eerste gezicht lijkt, wat betreft prioriteitsstelling in de handelingsperspectieven lijken de tegenstrijdigheden serieuzer. Lijken inderdaad. Want de nadruk mag  op dit moment in de hele  klimaatdiscussie weliswaar nog steeds op de broeikasgassen liggen, inmiddels ontstaat intussen langzaam het besef dat het zou beslist geen kwaad zou kunnen ook nu al simultaan een ‘Plan B’ te ontwikkelen voor het geval de klimaatverandering sneller en heftiger verloopt dan verwacht of beoogd, een plan met een meebewegen als belangrijk bestanddeel. Hier wordt het dus de centrale opgave én uitdaging om nu eindelijk eens over de volle dubbele bandbreedte over de eigen schaduw heen te gaan springen door het terugbrengen van de uitstoot  van broeikasgassen te paren aan het meebewegen met de luimen van het water.

Over de eigen schaduw heen springen als opgave en uitdaging – het is een adagium dat minstens zo sterk van toepassing is op de wie-vraag. Wie speelt de hoofdrol in de uitvoering van beide even onmisbare strategieën? Het individu of de sociaaleconomische machtsstructuren? “Geen van beide en  tegelijk allebei“ is het even voor de hand liggende als lastig in het dagelijkse leven in de praktijk te brengen antwoord. Ongetwijfeld  is alles altijd ‘de schuld van het kapitaal’, maar wie die macht  met succes wil kunnen bestrijden moet zowel in zowel zijn strijdmethoden als in zijn alledaagse levenspraktijk in bredere zin persoonlijk de beoogde nieuwe duurzame levensstijl kunnen vóórleven. En dat gaat niet zonder het  “au“  van het klassieke offer.

=====nieuw op de site===================================================

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

  • PU  (Neo)kolonialisme, kapitalisme en de plundering van de natuur (In: Indies Tijdschrift – krities en onafhankelik  nulnummer, Den Haag, oktober 2019)

NOTEN

[1]
Hier wordt verwezen naar het gedicht Zuid Holland van de dichter  J.B. Charles, waarvan hieronder de meest relevante passage:

Pas dan op voor de zee en de rivieren!

Hier hebben vogels
het voor het schreeuwen
en voor het schrijven
van hun namen
in de hemel boven
vlossige regenbomen,
die hier krampachtig
maar onvoldoende
wortelen in hun onmachtig-
zwarte moerasgrond,
nauwelijks drooggepompt
door de gemalen.

In dompige schuren
wordt onmondig vee
gevangen gehouden ;

 Kalveren, lammeren,
voorgangers, martelaren,
het mes wikkelt ze los
uit de dampende huiden;
zacht smoort het vlees in de pot
en op het perkamenten omhulsel
schrijven mannen in zwarte jassen
met zwarte hoeden,
(van de wol van de schapen)
godgeleerde tractaten.
De vissen die hier wonen
weigeren boven te komen
om die geschriften te lezen.
Zij denken: deze onnatuur kan
nog honderd jaar duren maar dan,
pas dan op voor de zee en de rivieren!
Onze orde komt terug!
Op de bodem van een van de plassen
Werken nijvere dieren
Aan het geheime bevrijdingsplan.
De vogels vermoeden het al jaren.
Straks zullen zij zich aan de kant
Van de opstandelingen scharen.

Uit:  J.B. Charles, Ik ben het. Gedichten  Amsterdam [De Bezige Bij] 1990

 [2]
Simon Schama, Landschap & Herinnering  Amsterdam [Contact]1995, p. 558-559

 [3]
Steven van Schuppen, Vóór ons de zondvloed In: De Gids Jubileumnummer 2012/7

 [4]
Zie bijvoorbeeld de tv-programma’s
=Waterlanders [VPRO/ Tegenlicht] van 22 september 2019; zie link: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2019-2020/waterlanders.html
= Buitenhof van 6 oktober 2019 [Nederland en de zeestijging] ; zie link: https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~POMS_AT_15693841~nederland-na-de-zeestijging~.html

[5]
Zie in dit verband de  bijdrage van planoloog en voormalig directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving Maarten Hajer met ondermeer diens pleidooi een planningstermijn van zeker 75 jaar te hanteren, ook in het programma Nederland en de zeestijging ; zie [opnieuw] link: https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~POMS_AT_15693841~nederland-na-de-zeestijging~.html .

Nieuws/ Herfst 2019 [b]

Kapitalisme in combinatie met calvinistische predestinatie 

Een fatale verbinding

 . “In het vroege 18e-eeuwse liberalisme stonden matigheid en soberheid en niet het streven naar ongebreidelde groei en winstbejag centraal. Niet voor niets schreef Adam Smith naast The Wealth of Nations zijn The theory of the moral sentiments. Alle gepredikte soberheid doet echter niets af aan de constatering van [filosoof] Thomas Deleus dat in de democratische revoluties van de 18e eeuw de reikwijdte van democratie beperkt wordt tot het politieke domein, geheel in lijn met de denkwereld en de belangen van een bourgeoisie wiens emancipatie in deze jaren in een stroomversnelling komt.”

 Dat schreef ik in no.7/ 2013 van De Gids [Democratie, gelijkheid en markt]. De  door Smith voorgestane matigheid past in het calvinisme van de Church of Scotland. Die cultuur van rationele matigheid wordt ingegeven door de calvinistische predestinatieleer volgens welke de mens zijn uitverkiezing niet zelf kan beïnvloeden – bijvoorbeeld door het verrichten van goede werken zoals in de katholieke kerk – maar geheel afhankelijk is van goddelijke genade. Maar de mens – mits waarachtig gelovig  – mag er wél in alle redelijkheid vanuit gaan dat God hem gunstig gezind is. Óf dat het geval is zou af te lezen zijn aan de mate waarin de inspanningen in berekenende matigheid en in een systematisch doorgevoerd arbeidsethos al in het aardse leven hun vruchten afwerpen. Wereldlijke voorspoed als graadmeter voor goddelijke uitverkiezing – dat is  juist het tegenovergestelde van de betrokkenheid met de verschoppelingen der aarde zoals in Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs gepredikt wordt – zie onze eerdere herfst-nieuwsbrief. Crypto-merocratische hardvochtigheid ten aanzien het uitschot der aarde van onder een o zo vrome dekmantel…

De Duitse socioloog Max Weber [1864-1920] heeft in zijn boek Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus niet zozeer de causale dominantie van denken boven de economie willen  stellen, maar wel willen aangeven hoe uit een verbinding van twee elementen – kapitalisme en calvnistische predinatieleer – iets nieuws kon ontstaan.  De beslissende push in die richting is waarschijnlijk van de economie uitgegaan toen het kapitalisme in de loop van de 18e eeuw in een stroomversnelling raakte en de bandbreedte waarop het opereerde doorslaggevend verbreedde. Het ‘calvinisme’ leeft in zijn gesecuariseerde,  niet-transcendentele vorm heden ten dage sterker dan ooit voort, als Geist des Kapitalismus.  Met de geest van Paulus heeft het echter bitter weinig meer van doen.

Nieuws/ Herfst 2019

Paulus, Badiou

en de legitimiteit van de utopie

TINA: The Is No Alternative.  Dat is sinds de neoliberale jaren 90, sinds de ‘afschaffing’ van de geschiedenis, het allesbeheersende adagium van deze tijd. De status quo als Eeuwigheid der Dingen, met daaraan gekoppeld het Grote Taboe op de Verfoeilijke Utopie, die immers onvermijdelijk in de praktijk in naargeestige distopie zou gaan verkeren.

Tegen een dergelijk cynisch flirten met het noodlot als ultieme wijsheid bestond na de Val van de Muur maar weinig oppositie, maar die is er, hoe zwak in ons even broodnuchtere als door en door neoliberale Nederland ook, altijd wél blijven bestaan om na de economische crisis van 2008 weer meer gehoor te krijgen. De belangrijkste oppositionele denkers kwamen en komen veelal uit  linkse,  vooral Zuid-Europese hoek. Het zijn denkers die zich nimmer zelfgenoegzaam hebben ingegraven in hun  eigen socialistisch wetenschappelijke voortreffelijkheid, maar altijd oog hebben gehouden voor de utopische, messianistische kant van bijvoorbeeld van – vooral een jonge – Marx. Hun aandacht richt zich daarbij onvermijdelijk op het vroegste christendom, en dan met name op de brieven van de apostel Paulus.  Het betreft hier dan linkse politieke filosofen als de Italiaan Giorgio Agamben, de Sloveen Slavoj Zizek en de Fransman Alain Badiou wiens Saint Paul. La fondation de l’universalisme uit 1997 pas ruim tien jaar later in Nederlands werd vertaald als Paulus. De fundering van het universalisme  [Kampen (Ten Have) 2008]. Dit drietal staat ook centraal in Het uitschot en de geest. Paulus onder filosofen van de Njmeegse filosoof Gerrit-Jan van der Heiden [Nijmegen (Vantilt) 2018].

Mijn aandacht op die titels werd deze zomer weer gewekt door een interview in de NRC met Badiou naar aanleiding van een lezing die hij gaf op het Wijsgerig festival Drift in Amsterdam afgelopen mei. Het onmogelijke mogelijk maken is in dat interview zijn devies, geheel in de geest van Plato én in de geest van Paulus. De revolutie die de drie linkse Paulus-filosofen op het oog hebben behelst geen kerkelijke omwenteling maar een politiek-maatschappelijke revolutie tegen het kapitalisme, van een puur metafysische oriëntatie naar een te ontwikkelen alternatief in het werkelijke ondermaanse leven met Christus’ opstanding en Paulus’ brieven als inspiratiebronnen. En daarbij gaat het vooral over diens brieven over genade en liefde met name voor de verschoppelingen der aarde – als in de eerste brief aan de Corinthiërs [het ‘uitschot’ in de titel van Van der Heidens boek] – en daar in de brieven waar  de geest ofwel de intentie gesteld wordt tegenover ‘het vlees’ in de betekenis van het vergankelijke en het louter op korte termijn haalbare en tegenover de doodse letter van de wet.

Dat er toch de nodige meningsverschillen bestaan tussen de drie filosofen in hun interpretatie van Paulus wordt duidelijk uit Van der Heidens boek. Zo ziet Badiou de opstanding vooral als volledig nieuw begin en als zodanig als scherpe breuk met de oudtestamentische wortels, het Joodse messianisme incluis – dit in tegenstelling in Agamben. Diens  benadering is veel genuanceerder  en heeft mede daardoor minder de neiging tot politieke instrumentalisering. Toch lijkt de maoïst Badiou op zijn oude dag ook genuanceerder te worden. In het interview met de NRC zegt hij dat hij inmiddels meer oog heeft voor een strategie van kleine stapjes: “Ik heb het liever over positieve, opbouwende actie in plaats van puur protest, en vervolgens helemaal niets.  [1]

[1]

Nynke van Verschuer, Filosoof Alain Badiou: “Zoek en weg die de wereld verandert”  In:  NRC/HB van 26 juli 2019  Zie ook link: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/26/filosoof-alain-badiou-zoek-een-weg-die-de-wereld-verandert-a3968340?fbclid=IwAR2Amubs7VAUa76I2YJZq0cY4sBLT-f8z1frd1Rz5rhrSSSSUidfEH7tynM

Nieuws/ Zomer 2019

Europa

30 jaar na de Val van de Muur

Dit schreef ik bijna tien jaar geleden op de covertekst van de in het najaar van 2009 verschenen Atlas Landschap van de Koude Oorlog [1]:

“Koude Oorlog – een periode van ruim vier decennia waarin de tegenstellingen soms gevaarlijk op scherp kwamen te staan zonder dat dit tot een gewapende confrontatie op wereldschaal leidde. Een oorlog die uiteindelijk wonderbaarlijk onbloedig eindigde. Wellicht is het relatieve gemak dat ging er de oorzaak van dat deze periode vrij snel op de achtergrond raakte.Het communisme was een vergissing van de geschiedenis, thans was het einde van de geschiedenis aangebroken en werd het eeuwige, universele paradijs van de liberale democratie betreden.

  Twintig jaar na de Val van de Muur staat de Koude Oorlog opnieuw in de belangstelling. He neoliberale paradijs lijkt alweer verloren voordat het goed en wel is aangebroken. Een ongeremd ‘casinokapitalisme’ wekt verontwaardiging, en dat was al vóór de kredietcrisis van 2008 het geval.De vrije markt is niet meer in alle opzichten zo vanzelfsprekend, maar wat zijn de alternatieven? Heeft Amerika met zin interventies in het Nabije- en Midden-Oosten zijn hand overspeeld? Bovendien is de dreiging van een atoomoorlog beslist niet minder geworden.

 Het is in deze omstandigheden dat de Koude Oorlog weer de aandacht trekt . Thema’s rond vrede en veiligheid blijven onverminderd actueel, zij het onder veranderende sociaal-economische en politieke structuren en krachtsverhoudingen. En mogelijk biedt de ondramatische afloop van de Koude Oorlog de mentale ruimte de herinnering aan het tijdperk (zelf)kritischer tegemoet te treden dan in het geval van een ‘hete’ oorlog.”

 Dat schreef ik dus een kleine tien jaar geleden. Als we balans nu anno 2019 opmaken blijkt  de Koude Oorlog nog steeds zijn slagschaduwen vooruit te werpen, en dat is eerder sterker dan zwakker geworden, terwijl het besef van de grote betekenis van die periode voor hedendaagse ontwikkelingen in het collectieve bewustzijn steeds verder achter de einder is verdwenen.  Reden te meer om hier kort nader op die groeiende betekenis van die periode in te gaan.  Daarbij spits ik de kwestie hier toe op de betekenis  van de Koude Oorlog voor hedendaagse en toekomstige ontwikkelingen in de Europese Unie.

=Speelbal Midden- en Oost-Europa

Laten we ons dan in dit verband allereerst richten op de consequenties  die de Koude Oorlog heeft gehad en nog steeds heeft voor Midden- en Oost-Europa, de landen van het zogeheten voormalige Warschaupakt. Landen die na ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie  en het Ottomaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog onderdeel gingen uitmaken van het door westerse landen als Groot Brittannië en Frankrijk  geregisseerde cordon sanitaire als buffer tegen het rode gevaar van de Sovjet Unie.  Daarbij was het westen eigenlijk alleen geïnteresseerd in de vraag of de regimes in Midden en Oost-Europa wel genoeg anti-Sovjet waren. Het democratisch gehalte was daarbij irrelevant; voor de sociaal-economische ontwikkeling  van die landen bestond al helemaal geen belangstelling. Na De Tweede Wereldoorlog, ten tijde van de Koude Oorlog, veranderde de situatie radicaal.  Midden- en Oost-Europa kwamen goeddeels in de ijzeren greep van de Sovjet Unie, waarbij de hele economie in Comecon-verband op de grote oosterbuur gedwongen werd. Na de Val van de Muur werden Midden- en Oost-Europa opnieuw speelbal, ditmaal  van een vanaf het begin van de jaren 90 als een zich bikkelhard zowel neo- als ordoliberaal manifesterende EU waarbij door de Europese politieke en economische elites rigoureus  gebroken werd met het ‘sociale contract’ met de werkende klassen  dat tot dan toe min of meer stilzwijgend gegolden had onder de druk van de dreiging die van het loutere bestaan van de Sovjet Unie uitging [2] . Die breuk met het sociale contract werd het eerst en hardst gevoeld werd in Midden- en Oost-Europa, waar werkloosheid en bestaasonzekerheid omhoog schoten, terwijl  de (vooral machine- en auto-)industrie zonder pardon door West-Europese (vooral West-Duitse) bedrijven overgenomen werd. De maatschappelijke ontwrichting die dit teweeg gebracht heeft werkt heden ten dage  nog steeds door. Midden- en Oost-Europa zijn een soort vrij wingewest voor het Noordwest-Europese bedrijfsleven geworden, als reactie daarop valt men daar terug op conservatief-nationalistische en autoritaire reflexen uit de periode van het cordon sanitaire en verfoeit men het recentere als traumatisch ervaren stalinistische verleden. Hoe verknipt kun je zijn – een compleet sub-werelddeel in de sociale en mentale kreukels…

=Het verdriet van Zuid-Europa

In Zuid Europa werd de breuk met het Europese sociale contract pas na de kredietcrisis van 2008 in de volle breedte en diepte voelbaar. Het gaat hier dan met name om landen die in de laatste, extra felle fase van de Koude Oorlog heel bewust in de EEG – de voorloper van de EU – getrokken werden,  niet zozeer om economische, maar vooral om geopolitieke redenen – uit angst voor het communistische gevaar. Landen die in een eerder stadium politiek gedestabiliseerd geraakt waren en daardoor vatbaar konden worden voor sociaal politieke experimenten: Griekenland, in 1974 bevrijd van het kolonelsregime, trad in1982 toe tot de EEG; Portugal werd met de Anjerrevolutie van 1974  bevrijd van het Caetano-regime en trad in 1986 toe tot de EEG nadat onder druk van diezelfde EEG de tijdens de Anjerrevolutie opgebouwde landbouwcoöperaties eerst vakkundig om zeep waren gebracht; Spanje trad na de dood van Franco in 1975 ook in 1986 tot de EEG toe.

Hoe het Zuidelijk Europa vergaan is na de krediet- en vervolgens de euro- en Griekenlandcrisis is maar al te bekend. Hoe Griekenland op zeer hardvochtige wijze  door het duo Schäuble-Dijsselbloem op de knieën gedwongen werd, hoe als reactie daarop de rest van Zuid-Europa eieren voor zijn geld  koos, met uitzondering van Portugal dat zich echter sociaal-economisch inmiddels sterk afhankelijk heeft gemaakt van Chinees krediet.  Over de hele linie is voor Zuid-Europa is de balans uitgesproken negatief. Zo is zelfs ten tijde van de huidige hoogconjunctuur de werkloosheid nog steeds buitenproportioneel hoog, vooral onder de jeugd. Vooral het lot van Italië ziet er heel onheilspellend uit  – met een economie die de laatste tijd versneld naar beneden keldert en een coalitie tussen Lega en Vijf Sterren die op springen staat. Het is bij dit alles overigens de vraag of het lidmaatschap van de monetaire unie die plaatsvond in het kielzog van de toetreding tot de EEG/EU in de laatste, verscherpte fase van de Koude Oorlog als een vloek of een zegen moet worden beschouwd. Potentieel als een zegen alleen als de democratische zeggenschap en controle over de monetaire unie en haar bank eindelijk eens naar behoren geregeld worden – om te beginnen  met een eigen parlement voor de eurozone, met een eigen substantiële begroting én met de nodige greep op de ECB, iets waarvoor ik al eerder  in navolging van onder anderen Thomas Piketty in deze kolommen pleitte [3]. Maar dat is natuurlijk niet meer dan een allereerste begin. Het wachten is op een krachtige buitenparlementaire transnationale en transsectoriële Europese beweging van onderop.

=====nieuw op de site: =====================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

.PU  Moerasdraak bespeelt waterwolf Ontwerpverkenning naar kansen voor gebiedsontwikkeling in de Beerse Maas (samen met Arjan Nienhuis en Pieter Veen, Zaltbommel 2019).

NOTEN

[1]

Arjan Nienhuis, Maarten Peters, Steven van Schuppen e.a.,  Atlas Landschap van de Koude Oorlog  Den Haag 2009

[2]

Deze visie op de teloorgang van een dergelijk  ‘sociaal contract’ werd ontwikkeld door ondermeer Etienne Balibar > zie diens lezing Meer dan ooit – voor een ander Europa Tien stellingen uit  2015, later opgenomen in diens bundel  Voor een ander Europa Essays, lezingen, stellingen Amsterdam 2019, blz. 197-198

[3]

Zie eerder onder de knop ‘Nieuws’ op www.stevenvanschuppen.nl , ondermeer:  De Europese dimensie van de Franse woede [Winter 1018/2019] en Een eigen parlement voor de Euro-zone?  [Lente 2017]  Zie ook:
Stephanie Hennette, Thomas Piketty e.a. Naar een democratischer Europa – Voorstel voor een nieuw verdrag Amsterdam [De Bezige Bij] 2017. Daarin  wordt met name gepleit voor de instelling van een eigen parlement voor de eurozone, mét de nodige bevoegdheden.

Nieuws/ Lente 2019

Inconsistenties in het mainstream cultureel-politieke vertoog

Hoezo Vrijheid van godsdienst, van onderwijs?

Het is bon ton nieuwkomers in ons land naast de strenge meetlat van de zogeheten ‘democratische rechtstaat’ te leggen. Naarmate de xenofobie toeneemt, des te larmoyanter wordt de flinksheid  waarmee de liniaal gehanteerd wordt. Maar meer en meer dreigt men daarbij in het eigen rechtstatelijke zwaard te vallen. Dat komt niet in de laatste plaats doordat  men het contradictoire karakter van de wortels van de eigen historische gegroeide cultuur niet meer kent of niet meer wil kennen. Soms leidt dat tot ridicule situaties die tot enige vrolijkheid aanleiding zouden kunnen worden, ware het niet dat een en ander met zoveel  kwaadaardigheid gepaard gaat dat menigeen de lust tot lachen vergaat.

De grootste bron van misverstanden, hilariteit en kwaadaardigheid  vormt  in dit verband wel  de complexe verzameling aan onderwerpen gerelateerd aan godsdienst en levensovertuiging.  Nederland wordt, niet in de plaats door de zogeheten culturele -zich vaak graag als liberaal of ‘vrijzinnig’ afficherende – elite, volstrekt ten onrechte gekenschetst als een natie waar de scheiding van kerk en staat zo ongeveer werd uitgevonden. Daarbij wordt bovendien ook nog curieus genoeg een typisch Frans-laïcistische interpretatie van dit beginsel  aangehangen die daar voorbij puur neutralistisch tot uitgesproken antireligieus gaat.  In de Franse traditie is dat verklaarbaar op de historische positie van een omnipotente rooms-katholieke kerk. Die allesoverheersende factor heeftin Nederland altijd ontbroken, hier ging het  – tenminste sinds de Bataafse Revolutie aan het eind  van de 18e eeuw – primair om de vrijheid van godsdienst , van verschillende godsdiensten wel te verstaan, waarbij niet  en bepaalde religie allesoverheersend was. Dat  de herinnering aan die religieuze pluriformiteit  in de loop van de  tweede helft van de 20e eeuw zo plotseling  en grondig verdrongen is  houdt niet alleen verband met de snelheid waarmee de ontkerstening hier toesloeg maar ook met heftigheid waarmee dat gebeurde – als een breuk met het  culturele en vooral sexuele conformisme van de verzuilde elite die tot dan toe top down niet alleen de politiek maar ook de cultuur compleet had gedomineerd.  Aan dat verleden wil geen kind van de sixties of seventies graag herinnerd worden terwijl het tegelijkertijd onvermijdelijk deel blijft uitmaken van het belevingsreservoir en -repertoire.  Het is dat collectief verdrongen herinneringslandschap dat ons roomser dan de meest laïcistische paus heeft gemaakt en ons plotseling weer in paniek brengt als we geconfronteerd worden met enige vorm van religieus of cultureel traditionalisme, zeker als dat uit vreemde en verre bron komt.

 Vreemd en ver, zowel  religieus-cultureel als geografisch. De diverse immigranten die zich hier de afgelopen decennia vestigden kwamen in menig opzicht van ver. Zij kwamen in een samenleving die de grootste moeite hield zichzelf en zijn verleden te begrijpen maar daar vaak niet voor durfde uit te komen.  Als reactie op de hardnekkige vormen van uitsluiting en discriminatie die ze vaak ontmoetten vonden migranten steun en kracht in cultuur en religie uit hun land van herkomst.  Die steun en kracht vormden voor de ‘autochtone’ Hollandse omgeving juist weer stenen des aanstoots omdat die omgeving  daarmee geconfronteerd werd met het eigen religieuze verleden waarvan men dacht men dat voorgoed  en met succes achter zich had gelaten.

 Met succes achter zich gelaten? De werkelijkheid is taaier en weerbarstiger. De typisch Hollandse hokjesgeest  en leerstellige steilheid lijken in de confrontatie met het ‘vreemde’ en de ‘vreemde’  een wonderbaarlijke herrijzenis te beleven, maar dan getransformeerd  in zogeheten ‘moderne’, geseculariseerde en vaak stereotiep antireligieuze houding. Een houding die in het beste geval migranten van niet-westerse afkomst niet ziet staan, in het slechtste geval hen onbeschaamd afwijst en uitsluit. Met als aanleiding vaak die eeuwige religie waarvan men zegt afstand te hebben gedaan. Met als onvermijdelijke twistappel die relicten uit de eigen Heilige Rechtstaat die herinneren aan het eigen pijnlijke verleden: de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs. Er worden al jarenlang alibi’s gezocht om die vrijheden aan bepaalde islamitische denominaties te kunnen ontzeggen. De staat die zich in religieuze richtingenstrijd wil mengen – de vaderlands-historische klok honderden jaren teruggedraaid, Van Oldenbarneveldt draait zich in zijn graf om. En intussen kunnen Pegida en andere fascisten straffeloos hun gang gaan…..

  =====nieuw op de site: =====================================================

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

.PU  Tussen Doggersbank en ‘Drooglijn’ : naar een heroïek van de terugtocht (in De Nederlandse Boekengids nr. 2/2019, Amsterdam 2019).