Categorie archief: Geen categorie

Nieuws/ Zomer 2017

Europese eensgezindheid

is Berlijn en Den Haag

wel een financiële mis waard

maar het ontbreken van een sociale economie en van democratische transparantie blijven

onvermijdelijke twistappels

Hoe zou het tegen deze achtergrond dan toch nog mogelijk kunnen worden Europa democratisch en sociaal te maken? Door de zaak bij de kern aan te vatten door met voorrang de Eurozone allereerst economisch consistenter en tegelijk politiek democratischer en socialer te laten worden. Maar hoe dan in concreto? Door om te beginnen die Eurozone mét ECB en al onder directe democratische controle van een eigen parlement en een eigen regering te brengen – een idee dat al geruime tijd wordt  bepleit door de befaamde  Franse ‘gelijkheids-econoom’ Thomas Piketty. Of Duitsland en andere succesvolle aangrenzende export-economieën als bijvoorbeeld de Benelux daar ooit aan zouden willen meewerken? Als de Trumpiaanse protectionisme-tsunami echt gaat losbarsten en de mondiale concurrentie verder verhevigt zouden zij misschien wel eens eieren voor hun geld moeten gaan kiezen, daarbij noodgedwongen het armere Zuid Europese deel van de Eurozone mee in de vaart der volkeren opstotend. Zou zo van de nood dan toch nog een deugd gemaakt kunnen worden?  

Bovenstaand de laatste alinea van mijn vorige [lente]nieuwsbrief: als reactie op de vulgair economische en anti-ecologische agressie van een Trump zou een economisch zo succesvol Noord Europa zich wel eens gedwongen kunnen zien de nodige economische en sociale concessies te doen aan het armere zuiden van de EU, en dan om te beginnen binnen het verband van de monetaire unie. Om de lomperik aan gene zijde van de Grote Plas met succes het hoofd te kunnen bieden is Europese eengezindheid een eerste vereiste. Die eensgezindheid zal Duitsland en diens ordoliberale schoothondjes als het steenrijke Holland per saldo waarschijnlijk wel een financiële mis waard zijn, zij het dat zelfs de eventuele eurobonds-hostie met onveranderd hardnekkige en nauw verholen tegenzin genuttigd zal worden.

Het lijkt inmiddels allemaal beduidend sneller die richting op te gaan dan ik eind februari toen ik bovenstaande passage schreef had kunnen vermoeden. Maar al ruim vóór de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen werden toch al wel de eerste  tekenen zichtbaar. Het succes van de figuur van Macron speelt daarin een hoofdrol. In maart discussieerde hij in Berlijn met Jürgen Habermas,  Duitslands grote filosoof van de tweede helft van de 20e eeuw  en de laatste mohicaan uit de kritisch traditie van de  zogeheten Frankfurter Schule [1].  De oude leermeester waarschuwde nogmaals voor de groeiende sociaaleconomische kloof tussen noord en zuid die als een tikkende tijdbom het continent bedreigt. Om dat te vookomen moeten Duitsland en Frankrijk samen de kar uit het moeras trekken. Als het Europese project mislukt dan ligt de schuld bij Duitsland, aldus Habermas. Macron hoorde de grijze maar nog immer kritische denker eerbiedig aan en verklaarde zich vervolgens van zijn kant bereid tot ingrijpende ‘hervormingen’ van de EU.

Na Macrons overwinning en het steeds grimmiger optreden van de hooligan uit de States lijkt de wil tot hervorming bij zowel de Frans-Duitse as als ‘Brussel’ in een stroomversnelling gekomen te zijn. Onder druk lijkt veel vloeibaar te kunnen worden, zoals een iets soepeler hanteren van de EU-begrotingsregels voor de armere lidstaten en beschikbaar stellen van meer noordelijk investeringsgeld voor het achtergebleven zuiden. Maar in ruil daarvan wil Schäuble natuurlijk dan wel verdere hervormingen van de arbeidsmarkt in Europa, niet in de laatste plaats in Frankrijk. Macron is voor die operatie zijn ideale bondgenoot. Die is immers ook zelf maar al te graag bereid om te ‘hervormen’, allereerst in de vorm van een verdere uitholling van het arbeidsrecht, uitmondend in een steeds schrijnender precarisering van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en een daarmee gepaard gaande verdere groei van de sociale ongelijkheid. Wat Noord-Europese duitjes in ruil voor een nog verdere neoliberalisering van de Europese economie, dat is de deal dus. En het moet dan nog maar blijken of het echt zal komen van een werkelijk effectieve democratische controle over het verder te stroomlijnen financiële reilen en zeilen van de Euro-zone, het economische motorblok van het continent. Een Europese minister van financiën zonder de nodige democratische transparantie en sturing kan juist onderdeel van het probleem worden.

Toch is de situatie voor ‘links’ Europa verre van hopeloos, in tegendeel. Onder druk van de spectaculair verschuivende mondiale geo-economische en -politieke verhoudingen kunnen er zich op het interne Europese speelveld juist tal van interessante nieuwe kansen voordoen. Daar moet goed op in te spelen zijn, mits men zich daarbij maar steeds verre houdt van nationalistisch getoonzet links populisme. Dat zou het paard achter de wagen spannen zijn.

Noten

[1] Zie: Peter Unfried, Emmanuel Macron in Berlin:  “Wir müssen die EU reformieren”   In Tageszeitung  17-3-2017

 

======Nieuw op de site: ======================================================

>onder de knop EURandstad:

  • PU  België: Europa’s gemankeerd laboratorium  In: De Nederlandse Boekengids  2/ 2017  Amsterdam april 2017

Nieuws/ Lente 2017

(om te beginnen Europees)
Internationalisme versus globalisering

Een eigen parlement voor de Euro-zone?

 Tegenover het klassiek linkse frame van sociaal-economisch solidair en tegelijk cultureel vrijzinnig-vooruitstrevend weten rechts en in het centrum gesitueerde politieke stromingen met groeiend succes een heel ander frame te ontwikkelen: het frame van de tegenstelling tussen de hoeders van economisch en identitair nationalisme enerzijds en de beschermers van economische en culturele globalisering anderzijds [1]. Brexit en recentelijk de komst van Trump hebben dat frame aanzienlijk versterkt en verbreed; rechts-populisten enerzijds en rechts-centristen anderzijds spinnen er goed garen bij. Dat ‘links’ nu met de mond vol tanden zit wordt al te makkelijk geweten aan ‘de crisis’ die onderlinge solidariteit in economisch moeilijke tijden nu eenmaal altijd ondergraaft. Maar die crisis waarvan we het ergste eindelijk gehad lijken te hebben was en is geen gewone crisis.  Op de achtergrond is iets veel structurelers en fundamentelers gaande, zowel sociaal-economisch als cultureel en mentaal.

Laat ik me hier eerst richten op de economische kant van de medaille. De laatste decennia is het karakter van het arbeidsproces veranderd: van de strak  gemechaniseerde Fordistisch- Tayloranistische  productielijnen uit het tijdperk van de klassieke industrialisatie naar flexibeler productieprocessen onder invloed van de nieuwe kennis- en informatietechnologie. Door de individualisering van de arbeid die deze processen met  zich meebrengen ontstaat enerzijds de illusie van grotere vrijheid maar anderzijds een sterk toegenomen besef van economische kwetsbaarheid, zeker tijdens crises zoals na de ‘kredietcrisis’ van 2008. Dat heeft tot gevolg dat het voor de ‘factor arbeid’ steeds moeilijker wordt verzet te leveren tegen slechter wordende arbeidsomstandigheden. Een ander leidt tot een verzwakking van de vakbeweging en aanverwante vormen van werknemersverzet. Maar niet alleen de economische tak van de arbeidersbeweging leidt een kwijnend bestaan, het geldt in nog sterkere mate voor de politieke tak van die beweging in al zijn uiteenlopende organisatie- en partijvormen. De ‘globalisering’ word in dit verband alom vaak als de ‘hoofdschuldige’ aangewezen. Terecht? Een nadere ontleding van de werking van die vaak zo gesmade globalisering  wijst inderdaad onvermijdelijk in een dergelijke richting. Al bij eerste waarneming doemt ‘globalisering’ eigenlijk onmiddellijk op als een soort  tweekoppig monster. Allereerst in de gedaante van een marktmechanisme dat werkelijk wereldwijd opereert en tot voor kort  – vóór de recente intrede van het Trump-protectionisme – zijn werkgebied met succes steeds verder wist uit te breiden en te intensiveren. Die wereldwijde globalisering heeft de afgelopen decennia geleid heeft wereldwijd een dubbele beweging teweeg gebracht. Enerzijds leidde deze tot een opmerkelijke groei van de zogeheten opkomende landen, naar tegelijk  tot de neergang van de economische positie van het westen, dat laatste met name tot uitdrukking komend in de verdere teloorgang van kwetsbare industriegebieden in VS en Europa.  Als tweede gedaante verscheen de globalisering op Europees schaalniveau zeer uitdrukkelijk in de vorm van de EU. Deze Europese Unie is op zijn beurt in minstens twee richtingen werkzaam: naar buiten toe, waar tot op heden op het wereldtoneel het vrijhandels-adagium in de Brusselse burelen nog volop overeind staat (met de nodige nadelige effecten op de economie van de zwakkere EU-lidstaten) en naar binnen toe waar de rat race op de gemeenschappelijke markt nog eens extra nadelig uitpakt voor de zwakkere lidstaten. En dan spelen er bovendien binnen de monetaire Eurozone ook nog tal van verraderlijke mechanismen op uiteenlopende gebieden die de al in werking zijnde groeiende sociale ongelijkheden nog eens extra aanjagen. Zo beknot bijvoorbeeld het geldende straffe begrotingsregime dat de Eurozone de lidstaten oplegt hen in hun democratische beslisbevoegdheid over de eigen  begroting, hetgeen vooral ten koste gaat  van de nodige sociale  beleidsruimte ten behoeve van de zwakkeren in de samenleving in arme én rijke lidstaten.

Er lijkt zich hier een lastig dilemma af te tekenen. Enerzijds is het onmiskenbaar dat de huidige strak volgens  ordoliberale beginselen bestierde EU en Eurozone de sociale ongelijkheid tussen landen en sociale klassen verhevigen en de democratie in het werelddeel ondermijnen, zowel van Europa in zijn geheel als van de afzonderlijke lidstaten. Maar anderzijds kan een loslaten van EU en Euro tot nog veel ernstiger misstanden en gevaren leiden. Zonder al die vaak inmiddels onmisbaar geworden grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden dreigen de afzonderlijke lidstaten speelbal  te worden van de immer wispelturige economische krachten op wereldschaal.  Elk afzonderlijk leggen de hedendaagse Europese landen, in de vorige eeuw al praktisch al hun koloniën kwijt geraakt, namelijk steeds minder gewicht in de weegschaal van de hedendaagse wereldeconomie. Daar komt nog bij dat in het economische hart van het werelddeel staatsgrenzen meer en meer hun economische ratio verliezen. Dat geldt  dan met name voor de goeddeels binnen de Eurozone gelegen geo-economische ‘motor’ van het continent in de gedaante van een aaneengesloten verstedelijkt gebied dat we zouden kunnen  typeren als ‘EURandstad[2]  – een soort randstad op Europees schaalniveau die Duitsland, Oostenrijk, Benelux, Noord Frankrijk  met Parijs, het oosten van het land met Straatsburg en Lyon en de stedenlandschappen van Noord en Midden Italië, Tsjechië en Zuidwest Polen omvat.  Hier zijn om economische redenen juist een veel nauwere interstatelijke samenwerking en een verder slechten van grensbelemmeringen geboden.

Hoe zou het tegen deze achtergrond dan toch nog mogelijk kunnen worden Europa democratisch en sociaal te maken? Door de zaak bij de kern aan te vatten door met voorrang de Eurozone allereerst economisch consistenter en tegelijk politiek democratischer en socialer te laten worden. Maar hoe dan in concreto? Door om te beginnen die Eurozone mét ECB en al onder directe democratische controle van een eigen parlement en een eigen regering te brengen – een idee dat al geruime tijd wordt  bepleit door de befaamde  Franse ‘gelijkheids-econoom’ Thomas Piketty [3]. Of Duitsland en andere succesvolle aangrenzende export-economieën als bijvoorbeeld de Benelux daar ooit aan zouden willen meewerken? Als de Trumpiaanse protectionisme-tsunami echt gaat losbarsten en de mondiale concurrentie verder verhevigt zouden zij misschien wel eens eieren voor hun geld moeten gaan kiezen, daarbij noodgedwongen het armere Zuid Europese deel van de Eurozone mee in de vaart der volkeren opstotend. Zou zo van de nood dan toch nog een deugd gemaakt kunnen worden?

 Over het culturele en mentale tekort van ‘links’ een volgende keer.

 Noten

[1] Zie de afrondende conclusie in: Jordy Cummings, Justin Trudeau, l’envers d’un icône In: Le Monde diplomatique februari 2017, blz. 11

[2] Zie hierover op deze website [ www.stevenvanschuppen.nl ]  onder de knop Dubbelkrimp en op de site www.dubbelkrimp.nl onder de knop Archief

[3] Niet al te lang geleden nog in : Thomas Piketty, Un vrai gouvernement pour la zone euro en Vive le populisme! In : LeMonde  14 resp. 16 januari 2016/ resp. blz.  3 [katern: Idées/ Rénover la gauche]  en blz. 25

======Nieuw op de site: ==================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

  • PU Waaierstad wint – Lage Landen vormen succesvol stedelijk weefsel In: De Ingenieur januari 2017 [samen met Jan Dirk Dorrepaal]

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

  • PU  Verdreven voor de Atlantikwall  – Ontruiming en afbraak van de Nederlandse kuststreek 1942 –  1945   Zwolle [W-Books]  maart 2017  [samen met Geert-Jan Mellink en Peter Saal]

Nieuws/ Winter 2016/2017

Het vergeten en miskende oosten

In de vorige nieuwsbrief [herfst 2016] besloot ik met het vermelden van het initiatief om de Keulse oriëntalist van Iraanse komaf Navid Kermani [1] naar voren te schuiven als kandidaat voor het ambt van  Duitse Bundespräsident.  Zover is het niet gekomen. Inmiddels hebben de partijen van de grote coalitie zich verenigd rondom de SPD-er  Frank-Walter Steinmeier – nu nog minister van buitenlandse zaken –  als nieuwe president. Alom is die keuze afgeschilderd als een zwaktebod. De man wordt hier en daar zelfs afgeschilderd als een veredeld soort super-ambtenaar. Hoe dit ook zij, het is in ieder geval zeer de vraag of het nieuwe staatshoofd in staat is om een bijdrage van betekenis  te leveren aan de opgave het verdeelde land bijeen te houden. Vorige keer ging ik mijn bijdrage Hoezo integratie? Welke integratie?  in op de verhouding tussen de autochtone bevolking en immigranten in Duitsland,  ditmaal staat het thema van de tegenstelling tussen oost en west centraal, zowel op Duits als Europees schaalniveau.

Om met het Duitse schaalniveau te beginnen, de tegenstelling tussen de Bondsrepubliek van vóór 1989  en de Duitse Democratische Repuibliek. Het gebied van de oude DDR blijft binnen de huidige verenigde bondsrepubliek sociaal en economisch sterk achter en zal de achterstand in de toekomst niet snel inhalen. De pijn zit hem hier in het oosten niet alleen in de economische achterstand op zichzelf maar vooral in de manier waarop de DDR daarbij indertijd onverbiddelijk door de BV BRD werd overgenomen, een en ander gepaard gaande met een even botte als sociaal desastreuze industriële afbraak. Na de Wende werden alle kaarten door de toenmalige CDU/FPD-coalitie onverbiddelijk op privatiserering gezet, terwijl een beter afgewogen herstructurering en sanering veel meer mogelijkheden zou hebben geboden om grotere delen van de industrie in aangepaste vorm een doorstart te kunnen geven [2].  Hierdoor is de politieke  en sociale polarisatie vooral in het armere oosten van het land enorm toegenomen: tussen stad en land, tussen hoog en laag opgeleiden, tussen de winnaars en de verliezers van de Wiedervereinigung en de globalisering.  In twee Oost-Duitse deelstaten wordt die polarisering op de voet gevolgd, in Thüringen en Sachsen. Thüringen kende in dit verband al eerder zijn Thüringen-Monitor,  de buurdeelstaat Sachsen heeft sinds dit jaar inmiddels ook zijn Sachsen-Monitor [3].Van de twee deelstaten is de polarisatie in Sachsen verreweg het sterkst – met zijn extreem hoge aantallen van aanslagen op vluchtelingen en met Dresden als thuisbasis van het islamofobe Pegida. Wat vooral opvalt in de Sachsen-Monitor  is de grote tegenstrijdigheden in de opvattingen over maatschappij en politiek: enerzijds zegt een flinke meerderheid van de bevolking  voor democratie en tegen  dictatuur te zijn, anderzijds is de roep om een sterke eenheidspartij  en een sterke man luid. Dergelijke autoritaire opvattingen zijn opmerkelijk sterk vertegenwoordigd inde leeftijdscategorie van 18 tot 29 jaar.

Het is een denkpatroon dat opvallende overeenkomsten vertoont met de stemming in de aangrenzende Visegrad-landen (Polen, Tsjechië, Slowakije en Hongarije), zo merkt een commentator in de Frankfurter Allgemeine op [4].  De overeenkomsten zijn over de hele linie onmiskenbaar.  Laten we met de economie beginnen.  Alle vier  de landen maakten in het interbellum deel uit van het cordon sanitaire, de buffer tegen het rode gevaar van de Sovjet Unie. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen zij samen met de DDR in het schuitje van het Warschaupact terecht.  Na de Wende van 1989  werden zij in het kapitalistische diepe gegooid, na de val van de Sovjet Unie ongeremder en onbesuisder dan ooit; de DDR had daarbij het geluk ietsje zachter te vallen in het vangnet de van de in middels verenigde Bondsrepubliek.  Een belangrijk deel van de industrie kwam in westerse handen, die van de Visegrad-landen in handen van Duitsland en Oostenrijk – daarbij gaat het vooral om automobielindustrie,  machinebouw, elektronica en chemie [5].  De sociale ongelijkheid,  werkloosheid en economische kwetsbaarheid  zijn in de 25 jaar na de Wende flink toegenomen ondanks alle juichende verhalen over economische groei ten spijt, het sterkst in Polen met zijn losgeslagen neoliberalisme en het minst in Tsjechië dat al tijdens het interbellum dankzij een machtige sociaaldemocratie sterke egalitaire verhoudingen kende [6].  Het is primair deze sociaal-economische onzekerheid die de politieke en maatschappelijke verhoudingen hier in danig de war schopt en leidt tot kansen voor autoritaire  politieke stromingen die inmiddels in Polen en Hongarije dominant geworden zijn. West Europa beziet deze ontwikkelingen met onbegrip en afwijzing, vergetend dat deze voor een niet onbelangrijk deel het resultaat zijn van een overhaaste en primair economisch gerichte inlijving van de landen van Midden- en Oost-Europa bij de EU na de Wende. De Midden- en Oost-Europeanen zelf op hun beurt voelen zich als sociaal-economisch tweederangs-Europeanen ook vergeten en bovenal miskend door het westen.  Dat zien we zowel in de Visegrad-landen als in belangrijke delen van de voormalige DDR.

Noten

[1] Dit najaar verscheen zojuist het laatste boek van Kermani, Goddelijke kunst Amsterdam [Cossee] 2016.  Een verrassende blik van een moslim op christelijke beeldende kunst.
[2 ]Over de aanpak van de privatiseringen en de (blijvende) gevolgen daarvan zie diverse interviews in: Burga Kalinowski, War das die Wende, die wir wollten? – Gespräche mit Zeitgenossen Berlijn [ Verlag Neues Leben] 2015, en dan met name het interview met Christa Luft, minister economische zaken in de regering Modrow [1889-1990], de [voor]laatste van de DDR.
[3] Zie:   https://www.thueringen.de/mam/th1/tsk/thueringen-monitor_2015/thuringen-monitor_2015.pdf                           en  https://www.staatsregierung.sachsen.de/download/staatsregierung/Ergebnisbericht_Sachsen-Monitor_2016.pdf
[4] Zie:  Stefan Locke,  Der widersprüchliche Sachse – “Sachsen-Monitor” sieht Paralellen zo den Visegrád-Staaten  In:  Frankfurter Allgemeine  Zeitung 23 11 2016
[5] zie hier over m.n.: Julien Lefilleur, Géographie industrielle de l’Europe centrale et orientale Parijs [Ed. Harmattan] 2010
[6] Laila Porras, Inégalités de revenues et pauvreté dans la transformation post-socialiste. Une analyse institutionnelle des cas tchèque, hongrois et russe Parijs [Ed. Harmattan] 2013 en dan met name blz. 61 [tabel met de gini-coëfficienten [die de (inkomens-)(on)gelijkheden aangeven] tussen de verschillende Midden- en Oost-Europese landen tussen 1989 en  2005 en Claire Guélaud met Mirel Bran, L’Europe centrale se porte mieux In : Le Monde, 26 augustus 2014, economiekatern, blz. 6-7

Projecten in voorbereiding en uitvoering

 >Vlucht niet opnieuw naar voren, Rotterdam! Onder deze titel schreef ik met Jan Dirk Dorrepaal  een artikel voor De Volkskrant [zie titellijst onder de knop ‘Dubbelkrimp’]. In het verlengde daarvan zijn nog meer artikelen verschenen  en zullen nog verschijnen met grensoverschrijdende verstedelijkingspatronen in de Lage Landen als centraal thema, zoals  Het water de stad en de natie op het aanslibsel der Franse en Duitse rivieren in De Nederlandse Boekengids nr 2/2016  [ook onder de knop ‘Dubbelkrimp’]  en diverse artikelen over het concept van de ‘Waaierstad’ in ROMagazine en De Ingenieur [zie verderop].

>De ballade van roerend en onroerend goed in de Zuidwestelijke delta Een verkennend interdisciplinair onderzoek naar de relatie tussen klimaatverandering, demografische krimp en toeristische verblijfsaccommodatie mede naar aanleiding van het initiatief ‘Bescherm de kust van Natuurmonumenten i.s.m. landschapsarchitect  Arjan Nienhuis waarbij naast het gebruikelijke overwegend defensieve beleidsinstrumentarium aan de hand van voorbeeldlocaties nieuwe strategieën voor behoud en kwaliteitsverbetering van natuur, cultuur en leefbaarheid kunnen worden ontwikkeld. Inclusief een te ontwikkelen strategie om tegenwicht te bieden aan de dreigende door de vastgoedsector aangedreven tendens tot verdere verstening van de kust.

>Een serie essays over sociaal-economische en politieke ontwikkelingen in diverse delen van Europa, zoals Duitse delingen (over de groeiende economische en geografische ongelijkheid en politieke en sociaal-culturele scheiding der geesten, inmiddels gepubliceerd in nr  5/2016 van De Nederlandse Boekengids). Een soortgelijk essay over België is in voorbereiding.

>Atlantikwall – de Grote Volksverhuizing  Een multimediaal project, uitmondend in het deze winter verschijnende  rijk geïllustreerde boek Verdreven voor de Atlantikwall  – Ontruiming en afbraak van de Nederlandse kuststreek 1942-1945 [i.s.m. Geertjan Mellink en Peter Saal – zie verderop] dat niet de militaire kant van de Duitse bunkers langs de Europese westkust behandelt maar nu eens vooral de collateral damage  die de ontwrichtende aanleg van de Wall  met zich mee bracht voor stad en land, landschap en maatschappij. Daarbij wordt niet alleen ingegaan op de gevolgen tijdens de oorlogsjaren maar ook op de manier waarop een en ander doorwerkte in de wederopbouwjaren: in stedenbouw en samenlevingsopbouw, in  de politieke en sociaalculturele verhoudingen.  Hiermee sluit ik een hele reeks papieren en digitale publicaties over het onderwerp af die begon met de verschijning van het toentertijd baanbrekende boekje De Atlantikwall – Omstreden erfgoed in 2005 (!)

 ===nieuw op de site: =======================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

  • PU  Duitse delingen  In: De Nederlandse Boekengids 5/2016  (Amsterdam oktober 2016)

>onder de knop Verdwalen is een kunst:

 

===verwacht in januari/ februari 2017=========================================

  • PU De grensoverschrijdende Waaierstad van de Lage Landen: Dynamisch, leefbaar en écht klimaatadaptief  In: De Ingenieur  (Den Haag januari 2017 [samen met Jan Dirk Dorrepaal])
  • PU Verdreven voor de Atlantikwall – Ontruiming en afbraak van de Nederlandse kuststreek 1942=1945 [i.s.m. Geert-Jan Mellink en Peter Saal]  (Zwolle [W-Books] februari 2017)

Nieuws/ Herfst 2016

Hoezo integratie? Welke integratie?

Integratie wordt niet zelden als eufemisme voor assimilatie gebruikt. In ieder geval gaat het  praktisch altijd om een nodig geachte aanpassing van nieuwkomers van ‘buiten’ aan de  instituties, zeden en gewoonten, normen en waarden van de zogeheten Leitkultur van het ‘land van aankomst’. Maar wil integratie zowel sociaal-economisch succesvol en ethisch aanvaardbaar zijn, dan zou het  om een wederzijds proces moeten gaan. Dat lijkt  vanzelfsprekend maar dat is het in het zowel in rationeel als mentaal opzicht ernstig vergiftigde maatschappelijke klimaat in Nederland helaas geenszins. Wie een dergelijk standpunt huldigt  wordt  hier door het  gros van dominante opiniemakers weggezet  als hopeloos naïef en ‘politiek correct’. Het is echter zeer de vraag wie hier het meest naïef is. Bij onze oosterburen loopt de openbare  meningsvorming langs heel andere lijnen. Een van de opmerkelijke  boeken die op dit vlak recentelijk zijn verschenen is Integriert euch! Plädoyer für ein selbtbewustes Einwanderungsland van de in migratieproblematiek gespecialiseerde sociologe Annette Treibel [1]. De titel is uitgesproken taboedoorbrekend bedoeld. Toch zou dat eigenlijk niet zo hoeven te zijn, zou je op het eerste gezicht zeggen, want als er één land dat gezien zijn naoorlogse  geschiedenis de nodige ervaring heeft opgedaan met  immigratie dan is het Duitsland wel. Eerst  in de eerste naoorlogse jaren de immigratie van Heimatvertriebene uit het oosten, in de jaren 90 na de implosie van de Sovjetunie  een nieuwe golf van etnische Duitsers gecombineerd met een  toevloed van vluchtelingen uit het verscheurde Joegoslavië en in de recente tijden  jaren een aanzwellende vluchtelingenstroom uit het Midden Oosten met als voorlopig hoogtepunt  vorig jaar de stroom van met name Syriërs.  Dat Duitsland deze immigratie decennialang met redelijk succes heeft kunnen verwerken houdt verband met de aanwezigheid van twee factoren:  de steeds verder doorzettende vergrijzing en demografische krimp van de reeds aanwezige bevolking en door economische groei gevoede voorspoedige werkgelegenheid.  Daardoor stijgt de vraag naar jonge arbeidskrachten van ‘buiten’. Die factoren zijn ook heden ten dage nog steeds present, maar er dienen zich inmiddels een gezelschap kleine en grotere beren op het pad aan waar minder makkelijk aan voorbij kan gegaan worden dan Annette Treibel doet.

Die beren operen op verschillende fronten, laten we op deze marsroute  beginnen met het sociaal-economische front.  Daar wordt het dringen op de arbeidsmarkt, ook in Duitsland waar de werkloosheid nu nog spectaculair  laag ligt en de de precarisering in de arbeidsverhoudingen zeker  vergeleken met buurland  Nederland vooralsnog binnen de perken lijkt te blijven.  In menig ander opzicht  op de sociaal-economische integratiekansenladder scoort Duitsland echter beduidend slechter. De sociale ongelijkheid is er  vergeleken met andere OESO-landen opvallend groot en wordt groeit gestaag. Het land is bepaald geen kampioen  in sociale mobiliteit [2]. Dat alles is zeker niet bevorderlijk voor de integratie van nieuwkomers.  Daar komt nog eens bovenop dat ook in Duitsland net als elders in het westen de inkomens- en werkgelegenheidspositie  van de middenklasse meer en meer ondergraven wordt, waardoor het extra dringen aan de onderkant van de arbeidsmarkt  wordt tussen nieuwkomers van ‘buiten’en van hun sociaal-economische  status beroofde Bodenansässigen.  Een en ander vergt van de oude teloloorgegane middenklasse minstens zo veel aanpassings- en intyegratievermogen als van de nieuwkomers.  Het is dit sociaal-economische aspect dat bij Treibel merkwaardig genoeg ontbreekt. Ook in de vijf beginselen die in Treibels visie de mate van integratie in de Duitse samenleving  bepalen als democratie, federalisme, individualisme, geljjkberechtiging  en burgerparticipatie ontbreekt het aspect van sociale gelijkheid. Een vergelijkbaar integratie-lijstje is te vinden in het  in dezelfde geest  geschreven ook recent verschenen Die neuen Deutschen –  Ein Land vor seiner Zukunft  van Marina en Herfried Münkler. Daar  zijn twee van de vijf punten wel sociaal-economisch, maar dan van uitgesproken magere liberaal meritocratische snit: dat een moderne  Duitser met zijn  eigen geld zichzelf en familie moet onderhouden en dat de Duitse maatschappij de gelegenheid moet bieden dat mensen hogerop kunnen komen door hun best te doen [3].

Het sociaal-culturele en levensbeschouwelijke front wordt in beide  titels van onmiskenbaar progressief linkse signatuur angstvallig bezworen door met opzichtige nadruk de individualisme-eis te stellen; de Münklers  komen daarbij met het volstrekt versleten laïcistische leerstuk van godsdienst als Privatsache op de proppen. Ach, waarom is het in ‘linkse’ kringen toch altijd o verschrikkelijk moeilijk de publieke en  maatschappelijke kant van religie te accepteren? Zonder de erkenning daarvan blijven we steken in even angstvallig en vruchteloos neutralisme. Wie een broodnodige inter-levensbeschouwelijke dialoog beoogt moet zich daarbij niet willen laten verleiden zich te verschansen in theologische of filosofische  schuttersputjes.  De drie openbaringsgodsdiensten zouden bijvoorbeeld elkaar kunnen vinden door het theologische dispuut te laten rusten en de gezamenlijk gekoesterde barmhartigheid centraal te stellen en zich samen te verwonderen over het goddelijk mysterie, zoals de Bossche bisschop Gerard de Korte onlangs opperde [4]. En wat zou ‘de politiek’ op dit vlak kunnen doen? Door bruggenbouwende  figuren op dit gebied naar voren te schuiven. Zou de Keulse islamgeleerde van Iraanse komaf  Navid Kermani de SPD-kandidaat voor  het Bundespresidentschap  ter vervanging van de volgend jaar aftredende  Joachim Gauck kunnen worden?  [5]. In Nederland lijken Aboutalebs kansen om PvdA-lijsttrekker te worden verkeken.

 

Noten

[1] Annette Treibel,   Integriert euch! Plädoyer für ein selbtbewustes Einwanderungsland Frankfurt/ New York  [Campus Verlag] 2016

[2] Zie met name: Marcel Fratschzer,  Verteilungskampf – Warum Deutschland immer ungleicher wird München [ Hanser] 2016

[3] Marina und Herfried Münkler, Die neuen Deutschen –  Ein Land vor seiner Zukunft  Berlijn [Rohwolt Verlag] 2016 en

Merlijn Schoonenboom, De flexibele Duitser In: De Groene Amsterdammer 29 september 2016

[4] Interview met Gerard de Korte in het tv-pogramma Buitenhof van 28 augustus 2016

[5] Paul Ingendaay, Ein Muslim und moderner Patriot  In: Frankfurter Allgemeine Zeitung 30 september 2016

Nieuws/ Lente 2016

Geen
“Derde Industriële  Revolutie”
zonder
sociale revolutie

’Derde Industriële Revolutie’ – die term hangt al weer heel wat jaren in de lucht. Vaak wordt daarmee vooral gedoeld op de informatie- en communicatietechnologie die vooral de laatste kwart eeuw een hoge vlucht heeft genomen. De laatste tijd wordt deze lange tijd  bejubelde ‘revolutie’ echter beduidend kritischer tegemoet getreden. Menigeen bekruipt een umheimlich gevoel dat er iets niet klopt met de jubelverhalen. Een hardnekkige crisis vanaf 1008 en een steeds verdergaande ondermijning van de privacy zijn daar debet aan.  Steeds vaker wordt  in dat verband betoogd dat  met een  ICT- revolutie  een derde industriële revolutie nog maar halfweegs is.  Iedere succesvolle industriële revolutie omvatte tot op heden een cumulatie van twee soorten elkaar versterkende technologische vernieuwingen: innovaties op het vlak van transport en communicatie enerzijds en innovaties op het gebied van energievoorziening anderzijds. We zouden op dit moment met de digitale revolutie zijn blijven steken in de communicatierevolutie, terwijl de energierevolutie nog zou moeten komen – die  revolutie zou dan moeten bestaan uit de verduurzaming van de energievoorziening,althans in de visie  van de Amerikaanse maar vooral in Europa populaire duurzaamheidsadviseur Jeremy Rifkin. De rol van de ICT voor de verduurzaming van de energievoorziening zou dan vooral gelegen zijn in de interactieve distributie van die nieuwe, geografisch sterk gespreide  vormen van energie  [1].  Daarbij lijken uit de digitale techniek  bijna als van zelf democratische op samenwerking en niet op concurrentie gerichte economische structuren voort te vloeien, bottom up in plaats van top down….

Ach, zoiets  klinkt natuurlijk te mooi om waar te kunnen zijn. Die ICT is natuurlijk helemaal geen ‘neutraal’ werkende  laat staan een emancipatoire technologie, maar zélf de vrucht  van zeer competitieve en hiërarchische omstandigheden, in dit geval met name van mechanismen die voortsproten uit het heetst  van de Koude Oorlog en na de Val van de Muur een tweede verhevigd en des te agressiever leven kregen in de financiële wereld – dit in de visie van ondermeer Frank Schirrmacher, een enkele jaren geleden overleden hoofdredacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung aan wie we in  deze kolommen meermalen aandacht hebben besteed  [2].  De wis- en natuurkundigen die in de tijd van de Koude Oorlog carrière maakten met de theorie van het afschrikkingsevenwicht  en de speltheorie die daarop gebaseerd was vonden na de Val van de Muur  emplooi in de financiële sector met de toepassing van de speltheorie op de hedendaagse digitale financiële handel en wandel met zijn periodieke flash cracks.  Hiermee dringen de neoliberale ideologie en praktijk door tot in de kleinste haarvaten van de maatschappij  van de macroeconomie via de microeconomie en de democratische constitutionele verhoudingen en nog dieper. De Koude Oorlog lijkt  teruggekeerd in de vorm van een  digitale soms nauwelijks beheersbare oorlog waarbij de samenleving  de oorlog aan zichzelf verklaard heeft [3].

Een tweede belangrijke kanttekening bij verdergaande digitalisering en automatisering i.c. robotisering van economie en samenleving is gelegen in de mogelijk zeer nadelige werkgelegenheideffecten die ermee gepaard gaan zolang de lakens in deze branche uitgedeeld worden door de grote digitale reuzen als Facebook en (voorheen) Google. Samen worden deze steeds machtiger en zijn daardoor bij steeds beter bij machte een beslissend  hun (a)sociale stempel  te drukken op de verdere ontwikkeling op het gebied van robots, drones, 3D-printers en dergelijke  (zij zijn op dat front trouwens al volop bezig), alle her en der circulerende vrome bezweringsformules waarschijnlijk ten spijt [4]. Om digitalisering dus ook echt tot een instrument voor emancipatie en sociale vooruitgang en gelijkheid te kunnen laten uitgroeien moet om te beginnen op zijn minst het eigendom van de robots gesocialiseerd worden. Geen “Derde Industriële Revolutie” zonder sociale revolutie dus. Maar de vraag hoe die sociale hervorming of zo men wil revolutie gestalte moet krijgen is moeilijker dan ooit te beantwoorden, en dat is zeker niet te doen in het korte bestek van dit kwartaalnieuws. Wordt derhalve vervolgd.

Noten

[1] Jeremy Rifkin, De derde industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving Amsterdam [Nieuw Amsterdam Uitgevers] 2014, met name blz. 55

[2] Zie: Nieuws Lente 2014: Europese democratie in de mangel tussen natiestaat  en kapitaal  en Nieuws Zomer 2014: Een monument van kritische journalistiek 

[3] Zie Frank Schirrmacher, Ego: Das Spiel  des Lebens  München [Blessing] 2013

[4]  Het gevaar bestaat  dat  de zogenoemde  op zichzelf ongetwijfeld goed bedoelde ‘inclusieve agenda’ voor robotisering  ook op zo’n bezweringsformule kan uitlopen zie:  Robert Went, André Knottnerus en Monique Kremer,  De robot de baas  Den Haag [WRR] 2015. Het besef  dat de  eigendomsverhoudingen  hier de sociale agenda  van de digitalisering bepalen klinkt overigens wel door in de bijdrage van Richard Freeman in dezelfde bundel  onder de titel Wie de robots bezit, bezit de macht , Hoofdstuk 7, blz. 135 e.v.  Echter het door hem bepleite vergrote  werknemersaandeel in het eigendom van robots vormt zeker geen afdoende garantie  tegen verdergaande groeiende sociale ongelijkheid, verre van dat – dat is in het verleden al vaak genoeg gebleken  en dat zal alleen maar des te sterker blijken als in de toekomst de verraderlijke dynamiek van de financiële  economie nog verder toeneemt.

===nieuw op de site: ====================================================

Deze keer geen nieuwe titels, wel het nodige nieuws over hetgeen in voorbereiding is.

=Een serie essays met onderwerpen als Het water, de stad en de natie (over deze heilige drie-eenheid uit de 19e en 20e eeuw die in de huidige eeuw van klimaatverandering ten onder lijkt te gaan)  en Regels en markt fnuiken de vrije techniek  (over de relatie tussen bureaucratie,markt, geweld en technologische revoluties die niet doorgingen of niet door dreigen te gaan).

= Ruimtelijk onderzoeksprojectDe Zeeuws-Brabantse Delta: nieuwe perspectieven binnen grensoverschrijdende  stedelijke netwerken. De Zeeuws-Brabantse Delta ligt zeer strategisch  tussen de havens Rotterdam en Antwerpen; dat geldt evenzeer voor het Zeeuws-Brabantse stedenlandschap in zijn geheel , in het hart van de driehoek Randstad  –  Vlaamse Ruit –  Rhein-Ruhrgebied gelegen.  Is er een grotere rol denkbaar en wenselijk  voor de Zeeuws-Brabantse Delta als haven- en stadgebied meer dan als overloop en verbinding tussen de twee havenreuzen? Wat zouden de potenties daarvan kunnen zijn gezien de ligging binnen het stedelijk landschap van Noordwestelijk Europa? Wat zouden de voordelen kunnen zijn ten opzichte van de huidige situatie op ruimtelijk, ecologisch, waterhuishoudkundig en transportlogistiek vlak? En welke nieuwe rollen zou dit gebied kunnen gaan spelen tijdens en na een ‘Derde Industriële Revolutie’ en onder welke sociaaleconomische condities?