Tagarchief: dubbelkrimp

Nieuws/ Zomer 2016

Met de rug naar het continent staan
waarvan je zelf deel uitmaakt

Het is een merkwaardige gewaarwording in deze tijden van een dreigende Brexit. In Nederland wordt er over gesproken en geschreven alsof het eigenlijk al een feit is en het startschot zal vormen voor de verdere desintegratie van ‘Europa’. Niet alleen lijkt de wens hier de vader van de gedachte zijn, het weerspiegelt ook hoezeer Nederland met de rug naar het continent staat waarvan het tegelijkertijd zelf deel van uit maakt. In de laatste plaats economisch, maar dat is een werkelijkheid die het steenrijke Holland het liefst in verste uithoeken van eigen hersenpan wegstopt. Men wil zo ontzettend graag vertrouwd met de grote wereld zijn, spiegelt zich vooral graag aan de Angelsaksische wereld maar is au fond over de hele linie de laatste jaren steeds verder naar binnen gekeerd geraakt. Op dit vlak spant de onbekendheid met het eigen continent wel de kroon, de eigen directe buren niet in de laatste plaats. Met totale bevreemding worden de vakbondsacties in België gade geslagen als men ze al tot zich laat doordringen. Voorzover een en ander in Nederland wel doordringt wordt het als een zinloos achterhoedegevecht afgedaan. Een soortgelijke hautaine bevreemding is bespeurbaar ten opzichte van de grote verzetsbeweging  Nuit Debout tegen het nieuwe arbeidswetvoorstel in Frankrijk – daar heeft het leeuwendeel van de Hollandse media het zelfs gepresteerd het hele verschijnsel lange tijd goeddeels te verzwijgen. Kennelijk heeft – ook links – Nederland zich dermate verzoend met de eigen zeer kwetsbaar geworden arbeidsverhoudingen – nergens op het Europese vasteland is de arbeid zo ‘geprecariseerd’ – dat men geen begrip meer kan opbrengen voor het Belgische en Franse verzet.

Ook ten opzichte van Duitsland blijft er in Nederland een grote onbekendheid en onverschilligheid bestaan. De karikaturale negatieve houding tegenover de grote Oosterbuur is na de Wende verdwenen. De laatste jaren tijd mag het land bij de Hollanders zich zelfs een zekere bescheiden populariteit verheugen, bijvoorbeeld tot uiting komend in het overnemen van hip bedoelde Duitse leenwoordjes en zinswendingen [1]. Maar de belangstelling blijft uitermate oppervlakkig; van een groeiende belangstelling voor de Duitse taal is bijvoorbeeld geen enkele sprake. Dat is helaas eveneens het geval waar het gaat om de interesse voor de Duitse sociale en politieke verhoudingen. Maar mét alle Hollandse onwetendheid is ook de laaglandse arrogantie gebleven. Had men in de jaren tachtig snel een afwijzend oordeel klaar over het ‘foute’ Duitsland, in recente jaren deden velen in Nederland vaak meewarig over de politieke overcorrectheid van de oosterburen waar het gaat om discriminatie en etniciteit. Nu de tegenstellingen het laatste jaar ook in Duitsland verscherpen lijkt er een lichte verwarring op het Hollandse front op te treden. Sommigen debiteren nog steeds met bravoure dat Duitsland met het afleggen van zijn politieke correctheid eindelijk volwassen is geworden. Bij anderen begint die twijfel te knagen, zeker gezien de opkomst van Pegida en de radicalisering van de partij Alternative für Deutschland. Recent onderzoek [2] geeft aan dat op het hele Duitse front de polarisatie razendsnel een met onrustbarende scherpe kantjes en kanten toeneemt, politiek en sociaaleconomisch: tussen oost  en west, arm en rijk, grootstedelijk en provinciaal.

Daarover gaat een van de essays waaraan ik de komende maanden schrijf. Daarnaast blijft mijn aandacht gericht op landschappelijke en ruimtelijke onderwerpen – zie de lijst van afgelopen kwartaal nieuw verschenen publicaties hieronder. In het verlengde daarvan bereid ik de komende maanden nieuwe projecten voor over de stad op de grens van ‘nat’ en ‘droog’, de relatie tussen water, Energiewende  en ver/ontstedelijking in Rotterdam / Den Haag en de kritische verhouding tussen recreatie, landschap en natuur langs de Zeeuwse kusten. Ik houd u/ jullie op de hoogte.

——————-

Noten

[1] Zie hierover bijvoorbeeld de ARD-correspondent in Nederland Tilman Bünz in: Von den Moffen zu Lieblingen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 15 juni 2016

[2] In studies als bijvoorbeeld:

=Marcel Fratschner, Verteilungskampf  – Warum Deutschland immer ungleicher wird München [Hanser] 2016

=Oliver Decker e.a, Die enthemmte Mitte – Autoritäre und rechtsextreme Einstellung in Deutschland Leipzig [Psychosozial-Verlag/ Univ. Leipzig] 2016

======nieuw op deze site ==================================================

>onder de knop  Dubbelkrimp:

  • PU Het water de stad en de natie op het aanslibsel der Franse en Duitse rivieren (Amsterdam/ Antwerpen [De Nederlandse Boekengids 2016/2] april 2016)
  • PU  Vlucht niet opnieuw naar voren, Rotterdam (Amsterdam [De Volkskrant 19 mei 2016] mei 2016)  [samen met Jan Dirk Dorrepaal]

Tussen Münster en Mühlhausen

Deze zomer richtten wij onze schreden naar het oosten van Duitsland, naar Thüringen en Saksen. Met de auto in een zo recht mogelijke lijn van Den Haag naar het stedenlandschap  in het zuiden van de voormalige DDR. Een reis door twee eigenlijk nog steeds heel verschillende landen. De verschillen werden tijdens onze reis bij uitstek belichaamd door twee steden die we onderweg  aandeden: Münster in het westen en Mühlhausen in het oosten van Duitsland . Beide steden vormden in de eerste helft van de 16e eeuw, op de drempel van de vroeg- moderne tijd, het toneel van sociaalrevolutionair-religieuze opstanden:  het Mühlhausen van de grote boerenopstand onder leiding van Thomas Müntzer in de jaren 1520, het Münster  van het utopische wederdopersexperiment onder leiding van Jan van Leiden in de jaren 1530. Met dat gemeenschappelijke sociaalrevolutionaire verleden houden de overeenkomsten wel zo ongeveer op. In bijna alles lijken de twee steden en de samenleving waarvan zij deel uitmaken vooral elkaars tegendeel te zijn.

Bij  een bezoek aan Münster komt de rijkdom je onvermijdelijk tegemoet in de etalages van chique modewinkels, boutiques en juweliers. Het geheel ademt de sfeer van een uitgesproken welvarende maar op het eerste gezicht in omvang bescheiden provinciestad – maar schijn bedriegt:  er wonen hier maarliefst 300.000 mensen in dit ‘creatieve centrum van Westfalen’, praktisch net zo veel als in Utrecht. Het contrast met het tien keer kleinere Mühlhausen met zijn in omvang krimpende bevolking van zo’n 33.000 inwoners is groot, en niet alleen in demografisch kwantitatief opzicht. In de Thüringer Kleinstadt wordt het straat- en winkelbeeld bepaald door goedkope kledingwinkelketens en kantoren van uitzendbureau’s – wie zei daar Randstad? – net als in  vergelijkbare provinciestadjes in deze contreien. Duidelijke verschillen zijn er ook in de manier waarop  en de gezichtspunten van waaruit de eigen geschiedenis benaderd wordt. In Münster is het verhaal over sociaal-utopische experiment van de wederdoper Jan van Leiden met zijn Diewertje van Haarlem en zijn andere vijftien vrouwen keurig weggestopt in een van de 33 kabinetten van het Stadtmuseum; in het stadsbeeld herinneren alleen de kooien aan de toren van de Lambertikirche aan de gruwelijke dood van de wederdopers. Tja, de geschiedenis van bisschopsstad Münster heeft natuurlijk veel meer te bieden dan alleen dat doperse incident uit de 16e eeuw, allereerst natuurlijk de Vrede van Westfalen/ Münster waarmee in 1648 de gruwelijkheden van de Dertigjarige Oorlog werden afgesloten en de Duitse Kleinstaterei in de ruim 200 jaar die daarop volgden werden bezegeld. Mühlhausen is het alleen gelukt  met de boerenopstand in de 16e eeuw de canon van de wereldgeschiedenis te halen. Maar die geschiedenis van een mislukte revolutie staat wel model voor de grote centrale frustratie van links Duitsland. Duitse geschiedenis: een reeks mislukte revoluties met als ontegenzeggelijk dieptepunt de mislukte revolutie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog.  Dat een deel van het land na de Tweede Wereldoorlog  toch nog een revolutie, maar dan  van bovenop opgelegd (met dank aan Stalin), mocht meemaken is des frustrerender en traumatischer. Die eerste boeren- en arbeidersstaat op Duitse bodem was al vanaf het begin af gedoemd te verstenen en uiteindelijk uiteen te vallen. Dat die staat in zijn ongelukkige wordingsgeschiedenis er daarbij natuurlijk alles aan deed om tekenen uit het vroeg moderne verleden op te poetsen als  onvermijdelijke ‘vroeg burgerlijke’ voorboden van het socialisme dat onvermijdelijk komen zou, is des te pijnlijker. Mühlhausen werd in het DDR-tijdperk tot Thomas-Müntzer-Stadt gebombardeerd bij de herdenking van de 450-jarige sterfdag van de ketterse boerenheld. Die herdenking heeft wél  een klein en uitstekend gedocumenteerd museum over de Duitse boerenoorlogen opgeleverd, dat in al zijn bescheidenheid een even bescheiden als broodnodig tegengeluid laat horen tegen de in de aanloop naar de 500-jarige herdenking van het begin van de Reformatie in 2017 nu al sterk aanzwellende Lutherwelle.

>Luther en Müntzer
Luther en Müntzer – het zijn twee elkaar uitsluitende grondposities die sinds de vroege 16e eeuw het Duitse mentale en politieke landschap bepalen. Luther met zijn leer van de twee koninkrijken, het rijk van de hemel  in de eeuwigheid versus het rijk van het onvolmaakte ondermaanse waar men geacht wordt te gehoorzamen aan  de machthebbers die boven ons stervelingen gesteld zijn. Müntzer die in zijn eindtijdtheologie ook de bestrijding van de met het Evangelie strijdige wereldlijke orde van de standenmaatschappij in zijn heilsboodschap meenam en daarom de wereldlijke machthebbers in het hier en nu daadwerkelijk te vuur en te zwaard bestreed. De eerste grondhouding van berusting in de bestaande maatschappelijk orde, die van Luther dus, is in het afgelopen  halve millennium verreweg dominant geweest. De Kleinstaterei waar de verwoestende Dertigjarige Oorlog op uitliep  bracht een overkill  aan lokale potentaatjes voort in al die vorstendommetjes met hun absolutistische pretenties. Die pretenties mogen in de ogen van buitenstaanders in tijd (ons 21e-eeuwers)  en ruimte (inwoners van andere buiten Duitsland gelegen absolutistische landen als Frankrijk en Oostenrijk ) potsierlijk overkomen, voor de ‘onderdanen’ die in deze Duitse staten en staatjes  moesten leven  waren de repressie en de maatschappelijke  verstarring waar in veel gevallen sprake van was er niet minder om. De Franse Revolutie werd ten oosten van de Rijn met een onvoorspelbare mengeling van bewondering, afgunst en bevreemding bekeken. Natuurlijk, vooruitstrevend Duitsland wilde ook zelf wel het heft van de geschiedenis in eigen hand nemen, maar zag zich daarbij voor een schier onmogelijk opgave gesteld. Er moesten daarvoor teveel vliegen in een klap geslagen worden: én de autoritaire standenmaatschappij verslaan, én de Kleinstaaterei overwinnen, én de uitwassen van het opkomende kapitalisme bestrijden. De Revolutiegolf die in 1848 door Europa raasde, kwam in Duitsland niet verder dan Frankfurter Parlement dat alras een snelle dood stierf, gefrustreerd door de verreweg machtigste en ook steeds sterker wordende Duitse staat, het autoritaire en militaristische Pruisen. En het was tenslotte door de  oplegging van bovenaf door dat zelfde Pruisen dat de nationale eenheid in zijn zogeheten klein Duitse vorm in 1870 tot stand kon komen. Het was een Duitsland dat technologisch en organisatorisch in een stroomversnelling kwam en het in de economische concurrentie met succes opnam tegen Groot Brittannië, maar waarvan de bevolking zich niet aan de onderdanenhouding die in de loop der eeuwen gegroeid was wist te ontworstelen. Die onderdanenmentaliteit hield de succesvolle bourgeoisie in haar greep [1] , die mentaliteit werkte ook  door binnen de  arbeidersbeweging, en wel in zeer verknipte vorm.  Aan de schoorsteen van het doorsnee sociaaldemocratische huisgezin hingen in  die tijd standaard twee portretten:  dat van   socialistenleider  Bebel en dat van beroepshistericus keizer Wilhelm II. Toen puntje bij paaltje kwam volgden de arbeiders in 1914 en masse  ‘hun’ keizer in de frische fröhliche Krieg tegemoet .  Ook in de politieke theorievorming werkte deze verkniptheid door, en wel in de gedaante van  het Kautskyaanse marxisme, waarin de hoofdrol in de overgang naar het socialisme was weggelegd door de objectieve ontwikkeling van een kapitalisme dat onvermijdelijk steeds ernstiger  politieke crises zou baren.  Op het moment dat   ‘de bourgeoisie’ in een crisissituatie een fatale tactische fout zou maken, zou de overwinning als vanzelf in de schoot van de socialistische arbeidersbeweging vallen [2].  Tegenover  het determinisme van Kautksky ontwikkelde de linkervleugel van SPD onder leiding van ondermeer Rosa  Luxemburg  een uitgesproken pro-actieve  en vaak ‘voluntaristische’  visie -al zou men dat laatste met het oog op het zo door economisch determinisme gekleurde marxisme nooit openlijk durven  hebben toegeven. Het politieke resultaat  van die linkervleugel  is bekend:  een mislukte Duitse revolutie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Dat  haar volgelingen toch uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog  in een deel  van Duitsland dankzij Stalin de overwinning in de schoot geworpen kregen is een wrede speling van de ironie van de geschiedenis.  Een Pyhrrusoverwinning, zo werd al dra duidelijk,toen na de dood van Stalin in maart 1953 in juni een  volksopstand uitbrak die door Russische tanks werd neergeslagen. In het hart van Mühlhausen verzamelden zich toen drieduizend opstandige boeren –  de geschiedenis leek zich te herhalen…. Wat er de decennia  daarop in de DDR volgde is de geschiedenis van een zich steeds weer  herhalende reactiviteit en een steeds verdere verstening van de DDR,  zowel  letterlijk materieel als mentaal, met de bouw van de Berlijnse Muur als symbolisch dieptepunt.  Dat ondanks in die verstening en de bijbehorende verstikkende atmosfeer van voortdurende Bespitzelung  menigeen  wel degelijk  geloofde  in  de idealen van de nieuwe staat maakt  deze geschiedenis van ‘het andere Duitsland’ des te navranter.

>Wolf en Stolpe
Dat gespleten levensgevoel wordt bij uitstek belichaamd door de schrijfster Christa Wolf die in de loop der tijd steeds kritischer kwam te staan  ten opzichte van het DDR-regime maar in de grond van de zaak steeds loyaal bleef ten opzichte van het socialistische gedachtegoed.  Aan het eind van haar leven, als met de  kredietcrisis van 2008 de kwaadaardige luimen van het kapitalisme opnieuw aan de dag treden, probeert zij in haar laatste boek met horten en stoten de balans op te maken  de balans van haar leven en van haar land dat verdween in de mist van de geschiedenis [3]. Dat probeert zij te doen aan de hand van een dagboek dat zij in 1992/93 bijgehouden heeft toen zij op intellectuele retraite was in Los Angeles, het ‘Weimar unter den Palmen’ dat in de jaren 30 en 40 als toevluchtsoord voor menige Duitse wetenschapper  en kunstenaar fungeerde.  1992/93:  dat was midden in een tijd dat provocerend het einde van de geschiedenis werd geproclameerd waarbij het kapitalisme voorgoed overwonnen leek te hebben.  Intussen echter werden  toen de tekenen  van  een verregaande ontregeling van de mondiale verhoudingen die uit die overwinning voortkwamen al wél  volop duidelijk:  een eerste golfoorlog en een beginnende Balkanoorlog  die een golf aan vluchtelingen teweeg bracht, niet in de laatste plaats  naar het in die tijd in opperste verwarring verkerende oosten van Duitsland. Ook toen waren er net als afgelopen zomer onheilspellende  aanslagen op asielzoekerscentra.  Christa  wordt daarvoor bij herhaling ter verantwoording geroepen door de veelal linkse Amerikanen die zij ontmoet.  Ze komt daardoor en door de algehele toestand in Duitsland in een lastig parket. Ze  is zeer ongelukkig met het feit dat alles met de DDR te maken heeft alom ontkend of juist verguisd wordt en ontwikkelt als tegenwicht daartegen een soort klammheimliche loyaliteit ten opzichte van de roemloos ten onder gegane staat terwijl ze zelf in het verleden juist zeer kritisch ten opzichte  van het regime  stond en daarom decennialang bespied werd. Kritisch, maar niet altijd. In het prille, ‘onschuldige’ begin van haar carrière briefde zij als IM-er [Informeller Mitarbeiter] wetenswaardigheden  over collega’s door aan de Stasi. Het was maar voor en betrekkelijk korte tijd en de gegeven informatie was tamelijk onbenullig van aard, maar toch… En laat nu juist tijdens haar Amerikaanse verblijf haar Stasi-verledentje aanleiding worden voor een  van kwaadaardige hetze tegen haar persoon. Ze had dat stukje van haar verleden  helemaal vergeten, of is het toch verdringing? Is ze in de grond van de zaak toch altijd maar gewoon een klein meisje gebleven dat vóór alles door ‘iedereen’ aardig gevonden wil worden? – door haar moeder, door de autoriteiten van de eerste boeren- en arbeidersstaat op Duitse bodem.

Wolf hoorde aanvankelijk tot de uitgesproken aanhangers van de DDR, maar zij zijn zeker niet de enigen  die achteraf met gemengde gevoelens op de totale verdwijning van de DDR uit de Duitse geschiedenis terugkijken.  Daarnaast is er die grote groep van  gewone, ondanks het rabiate DDR-antitheisme gelovig gebleven Oost-Duitsers , die in de loop van de tijd de sociale dimensie van het DDR-gedachtegoed verinnerlijken.  De gevoelens van die groep wordt  bij uitstek belichaamd door Manfred Stolpe, in de DDR-tijd decennialang de hoogste baas van de Oost-Duitse Evangelische Kirchen.   Na de Wende werd hij meer dan  een decennium lang voor de SPD  minister-president  van de Oost-Duitse deelstaat Brandenburg, waarna hij in 2002 door Gerhard Schröder als minister van verkeer en volkshuisvesting in de nationale roodgroene regering gehaald werd. Ook Stolpe heeft een Stasi-verleden dat overigens aanzienlijk dikker en minder ‘onbenullig’  is  dan  dat van Wolf. Ook hij werd daardoor na de Wende onderwerp van kritiek.  Als opperhoofd van de Oost-Duitse protestanten was hij een meester  in het wheelen en dealen  met de autoriteiten  waarbij hij werkende weg steeds meer ruimte wist te creëren voor een kritische en tegelijk sociaal georiënteerde kerk.  Zo werd er in 1982, dus ruimschoots vóór de Glasnost en Perestrojka, in Dresden een synode belegd met de vraag  hoe het socialisme te verbeteren. De SED-top sprong uit zijn vel: de DDR was immers niet te verbeteren. Alleen al door het voeren door een dergelijk maatschappelijk motto  toonde de kerk hoezeer zij zich inmiddels geïdentificeerd had met de sociale agenda  van die overigens nog immer onverminderd  beklemmende Spitzelstaat .  Hoe Stolpe de hedendaagse betekenis van de DDR beziet?  Het grote gevaar dat ons tegenwoordig sterker dan ooit  bedreigt is in zijn ogen het financiële kapitalisme dat ook indertijd het economische lot van een kleine staat als de DDR in sterke mate bepaalde. Het Genossenschaftwesen ziet hij als de belangrijkste positieve DDR-erfenis met vooral een grote symboolwaarde [5].  Een symboolwaarde met een mogelijke uitstraling op de economische praktijk van vandaag de dag. De coöperatie leed jarenlang  economisch een marginaal bestaan, maar zit echter juist de laatste jaren en vooral na de Energiewende weer duidelijk in de lift.

>Genossenschaft en Zivilcourage
Tijdens onze vakantiereis verbleven wij een week  in een sympathiek familiepension in in Kromsdorf in Thüringen,  even ten noorden van Weimar. Het verhaal van de waardin van het pension is illustratief voor het lot van mensen en land in deze contreien na de Wende. De voormalige boerderij waar nu het pension is ondergebracht vormde was vóór de Wende onderdeel  van een coöperatie met een fors bemeten veestapel en een uitgebreid tuinbouwareaal  waar de aan kinderverlamming lijdende vader van de waardin de bedrijfsleider van was.  Van dat trotse  Volkseigenes Betrieb van weleer is weinig meer over: de koeien verdwenen goeddeels, de tuinbouwkassen werden zertrümmert en opgeruimd.  Her en der in het landschap verrezen nieuwe bedrijventerreinen als Fremdkörper in het boerenland, terwijl de winkels de dorpscentra verdwenen.   Ook  de Oost-Duitse industrie leek na de Wende in vrije val terecht gekomen te zijn, hoewel dat in Thüringen met zijn relatief goed ontwikkelde midden- en klein bedrijf nog enigszins meeviel, zeker in vergelijking  met buur-deelstaat  Saksen-Anhalt dat zijn enorme industrieconglomeraten  genadeloos zag omvallen en zertrümmern  [5].  Niet dat het hier nu in al die o zo  malerische Thüringse Kleinstädte  alles koek en ei is. Ook hier blijft het als elders in het oosten  behelpen in sociaaleconomisch opzicht, zet de demografische uittocht gestaag maar onverminderd door  en sluimert  het door neonazi’s uitgelokt  geweld tegen vreemdelingen, maar de alertheid van de Thüringse deelstaatregering  op dit punt voorkomt gewelddadige excessen als in buur-deelstaat Saksen.  Bodo Ramenow, de door terreuraanslagen bedreigde minster president  van de vorig jaar aangetreden rood-rood-groene deelstaatregering, roept in dit verband op tot de nodige Zivilcourage en wil tegelijk  van de sociaaleconomische nood een deugd maken: Thüringen zou met zijn krimpende beroepsbevolking  de  komst van vluchtelingen  als arbeidskrachten  juist goed kunnen gebruiken [6] . Maar om een dergelijk economisch beleid tot een succes te kunnen maken,heeft een deelstaatregering  wel veel meer beleidsvrijheid en ondersteuning  van de centrale bondsregering  nodig en een over de hele linie een anders gericht economisch beleid op nationaal schaalniveau, sterker gericht op het tegengaan van de groeiende sociale ongelijkheid.  Maar daarvoor moet dan wel eerst het politieke taboe op een rood-rood-groene coalitie in Berlijn doorbroken worden…..

Noten  

[1] Treffend gekarakteriseerd in Heinrich Manns Der Untertan, verschenen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog,  waarin aan de hand van de wederwaardigheden van papierfabrikant Diederich Hessling het even laffe als autoritaire opportunisme (likken naar boven, trappen naar beneden) van de Wilhelminische bourgeoisie geschetst wordt.

[2] Zie hierover o.m.: Carl E. Schorske,  German socialdemocracy 1905-1917. The great schism  Cambridge MA [Harvard ] 1955 en Karl Kautsky, Der Weg zur Macht. Politische Betrachtungen über das Hineinwachsen in die Revolution  Berlijn [Vorwärts] 1910

[3] Christa Wolf, Stadt der Engel oder The Overcoat of Dr. Freud  Berlijn [Suhrkamp] 2010

[4] Zie hierover: Burga Kalinowski, War das die Wende, die wir wollten? – Gespräche mit Zeitgenossen  Berlijn [Neues Leben] 2015, en daarin met name het interview met Manfred Stolpe, Über Hoffnungen von damals und über Realitäten, blz. 226

[5] Over de kwalijke gevolgen van de ondoordachte en arrogante West-Duitse aanpak van het oosten van Duitsland na de

Wende voor economie, landschap en samenleving  zie ook o.m.:  Im Osten nichts neues? /deel twee – Dubbelkrimp in stedelijk  Oost Duitsland In: www.dubbelkrimp.nl. Kwartaaljournaal Herfst 2015

[6] Zie ondermeer in: Oliver Das Gupta, “Die Politik muss den grossen Wurf wagen” [een interview met Bodo Ramenow, minister -president van de deelstaat Thüringen] In: Süddeutsche Zeitung van 25-8-2015

=te verwachten nieuw op deze site============================================

Ik ben deze herfst bezig met drie projecten:

>het afronden van mijn deel  van het manuscript van  Atlantikwall – de grote volksverhuizing : over de gevolgen van de aanleg van de Atlantikwall (evacuaties, sloop, inundaties)  voor landschap en samenleving tijdens de oorlog en de wederopbouwperiode; de tekst zal naar alle verwachting in 2016 als boek verschijnen;

>het  essay  De stad in het Europa van de 21e eeuw – Kansen en valkuilen :  in het kader van de interdisciplinaire initiatiefgroep het Haagse Huijgensberaad dat de relevantie van de geostrategische blik voor ruimtelijke ontwikkelingen op de agenda wil zetten;

>de opstart van het vooronderzoek Crisis en kansen langs de A12 van Zoetermeer tm Gouda :  naar de mogelijkheden die leegstand  van (kantoren)vastgoed zou kunnen bieden voor sloop ten behoeve van voor natuur, landschap en meer ruimte voor water.

Belabberde erflaters

Nieuws / Winter 2015

Een monument van kritische journalistiek

Belabberde erflaters

Erflaters van onze beschaving van Jan en Annie Romein, een bekende titel in het populair historische genre, even vóór de oorlog geschreven als aanvulling op het eerder verschenen De lage landen bij de zee. De Nederlandse geschiedenis aan de hand levensportretten van dragers van onze beschaving waarop wij kunnen voortbouwen als Geert Groote, Erasmus, Van Oldenbarneveldt, Hugo de Groot, Derk van de Capellen, Thorbecke, Domela Nieuwenhuis, Berlage, Gorter. Wie zouden de erflaters uit onze eigen generatie zijn, vraag ik me de laatste tijd steeds vaker af. Hebben ‘wij’ van de naoorlogse generatie zelf wel mensen die een plaats verdienen in het eerbiedwaardige rijtje van Jan en Annie? Of vormen wij eigenlijk niet meer dan een club uiterst belabberde erflaters? Met die steeds in het achterhoofd rondspokende vraag kreeg ik begin januari een artikel onder ogen van publicist en socioloog Herman Vuijsje: We zadelen ons nageslacht op met een generatievloek. [NRC, 3/1 Opinie & debat] Aan onze kinderen en kindskinderen laten we de schillen dozen van ons potverteren. Het aardgas is over en op en de broeikasgassen blijven nog generaties lang hangen. Onze kindskinderen zullen ons vervloeken als verwende goden die de toekomst van de mensheid achteloos hebben genegeerd.

Verantwoordelijkheidsbesef jegens de kindskinderen vereist een bereidheid op de langere termijn te denken én tegelijk daar in het hier en nu de nodige consequenties uit te willen trekken. Ik zelf houd mij vooral bezig met de geschiedenis en de toekomst van het landschap en de ruimtelijke ordening. Wat op dit vlak vooral opvalt dat men met de mond wel de zorg voor de lange termijn belijdt maar meestal alleen dan als het geen ‘pijn’ doet. ‘Geenspijt-opties’ vormen in dit verband favoriete vluchtroutes. De te vermijden pijn betreft meestal de economie, en dan vooral de economie van vandaag en gisteren – de economie van de tegenwoordig o zo populaire ‘topsectoren’. En laten die topsectoren en de daarmee verbonden gevestigde economische lobbies nu juist vaak de hardnekkigste barrières vormen op weg naar de duurzame economie van de toekomst.

Onze Lage Landen bij de zee verdienen een echt onafhankelijke visie op de ruimtelijke ontwikkeling op de lange termijn. Laten we in het voetspoor van Vuijsje eens proberen in meerdere generaties te gaan denken en daarnaar te gaan handelen, in eeuwen, om te beginnen bij onze eigen 21e eeuw. De NederAnders-Atlasi.o. [zie onder] wil daarvoor een even nuttig als inspirerend instrument zijn.

==nieuw op de site ===========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

Schaduwlandschappen

Nieuws/ Herfst 2014

Een monument van kritische journalistiek

Schaduwlandschappen

Onlangs verscheen De schaduwelite voor en na de crisis. Niets geleerd , niets vergeten van Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam [UvA]. Hij schetst daarin het opereren van een elite uit de Nederlandse financiële wereld die beschikt over even nauwe als succesvolle banden met bepaalde invloedrijke delen van de Nederlandse politiek. Niet alleen stelt Engelen deze elite verantwoordelijk voor de economische crisis van 2008, maar ook voor het feit dat we sinds die tijd er maar niet in slagen om weer uit de crisis te komen. Deze elite zorgde er door even krachtig en handig lobbywerk voor dat de Nederlandse financiële sector uitgroeide tot een waterhoofd van ongekende proporties, met alle faliekante gevolgen van dien als kantorenleegstand en een woningvoorraad die financieel op grote schaal onder water staat. Een elite die er tot op heden helaas er nog steeds in lijkt te slagen haar positie te handhaven en zelfs tot overmaat van ramp haar desastreuze megalomane en groeiverslaafde praktijken te hervatten. Op wat de gevolgen daarvan op ruimtelijk en landschappelijk vlak zijn en in de toekomst nog verder kunnen worden gaat Engelen her en der in, zij het beknopt. In dit artikel nemen we de ‘schaduwlandschappen’ van het heden en de toekomst onder de loep. Met ‘schaduwlandschappen’ bedoelen we die gebieden en landschappelijke zones waar de schaduwelite zijn noodlottige spoor heeft getrokken of dat in de toekomst dreigt te gaan doen. Je zou in het licht van Engelens boekje drie soortenschaduwlandschappen kunnen onderscheiden.

1>Het schaduwlandschap van het leegstaande kantorenvastgoed
Engelen fulmineert in dit verband [1] o.m. op blz . 206] met name en terecht tegen de Zuidas-politiek van de Amsterdamse stadsbestuurderen, waaronder die van de vorige GroenLinks[!]-wethouder en tot door Engelen tot de schaduwelite gerekende Maarten van Poelgeest om de investeringen in deze financiële ‘toplocatie’ maar inmiddels tot internationaal belastingontwijkingsparadijs verworden plek gewoon maar te laten doorgaan. De kantoren hier zullen heus wel volkomen, maar de leegstand elders in de Amsterdamse regio zal des te harder toeslaan. Een dergelijk ‘waterbedeffect’ treedt ook elders in de Randstad waar gigantische nieuwe kantorenlocaties ontwikkeld worden, in Rotterdam bijvoorbeeld. Het schaduwlandschap van de leegstaande kantoren is so wie so het sterkst vertegenwoordigd in de Randstad en is overigens niet uitsluitend of zelfs maar in de eerste plaats het product van de crisis van 2008. Zo was de leegstand in Amsterdam in 2005 beduidend hoger dan nu, zie een artikel over vastgoedbubbels van Engelens hoogleraar-collega planologie aan de UvA Leonie Janssen-Jansen [2]. De oorzaken voor de leegstand kent drie componenten. Naast de histerische marktwerking in de vastgoedsector [a] bestaan die oorzaken ook uit [b] een demografische prognosefout door ondoordacht door-extrapoleren van de migratiegroeitrend die in de jaren negentig leek te zijn ingezet en ( c ) de eenzijdige focus op de Randstad in het economische en ruimtelijke beleid [3].

2>Het schaduwlandschap van de financieel onder water staande woningvoorraad
Een van de favoriete strategieën van door Engelen aangeklaagde schaduwelite bestaat er uit de eigen verantwoordelijkheid glashard te ontkennen in combinatie met een onmiddellijke vlucht naar voren. Zo ongeveer in deze trant luidt de apologie van de elite, hier in Engelens parafrasering: ‘En Nederland heeft geen huizenzeepbel, maar onvoldoende nieuwbouw om aan de groeiende vraag tegemoet te kunnen komen.[4]. Dat die groeiende vraag binnen vijftien jaar in zijn tegendeel zal omslaan onderstreepte het Planbureau voor de Leefomgeving [PBL] in een recent verschenen rapport waartegen de lobby van bouwers en projectontwikkelaars schuimbekkend te hoop liep [5]. Een kwestie van elementaire demografie: als de babyboomgeneratiehuishoudens beginnen uit te sterven, ontstaat er alras een enorm overschot aan huizen met een bijbehorende keldering van de huizenprijzen van dien. Denk bij dit schaduwlandschap niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats aan de geijkte krimpgebieden in de periferie va Nederland als Groningen, Limburg en Zeeuws Vlaanderen maar ook en vooral aan de zogeheten new towns in en om de Randstad, de groeikernen van weleer. Domweg ongelukkig en berooid in Almere, Zoetermeer, Capelle… [6].

[3]Het schaduwlandschap van de ruimtelijke claims
En dan bestaat er natuurlijk ook nog een veel minder tastbare, tamelijk cryptische vorm van schaduwlandschap, dat van de ruimtelijke claims – van de plannen die door de crisis niet doorgingen maar waar toch achter de schermen aan doorgewerkt wordt. Niet alleen op de tekentafel van projectontwikkelaars en megalome bestuurders. Hun natte dromen, terug te vinden op de De Nieuwe Kaart van Nederland www.nieuwekaart.nl, werden ingehaald door de crisis, maar kunnen altijd weer uit de kast gehaald worden – de schaduwelite zal dan zeker niet te beroerd zijn als machtige lobbygroep op te treden. In de tussentijd wordt er op de achtergrond een spel gespeeld om strategische grondposities en een spel in het onderwijl frustreren en afbreken van ruimtelijke overheidsrestricties op (bouw)projecten. Dat spel speelt vooral in (nog) landelijke gebieden in en om de Randstad waar de economische elite nog steeds goeddeels zijn zinnen op gezet heeft, al lijkt dat allengs enigszins zuidwaarts te verschuiven. Deze categorie schaduwlandschap valt buiten het bestek van Engelens primair financieel gerichte boekje, maar verdient vanwege zijn schimmige karakter en zijn grote betekenis voor de toekomst van stad en land juist extra kritische waakzaamheid.

De Nieuwste Kaart van Nederland

Om de schaduwlandschappen in de toekomst te kunnen vrijwaren voor de megalomanie en de kortzichtige hebzucht van economische en politieke elites moet eerst in kaart gebracht wordt welke mechanismen hier werkzaam zijn. Mechanismen op drie fronten: [a] op het hydrografische front [om voor te sorteren op de krimp van het droog te houden in bepaalde delen van Nederland met het oog op de klimaatsverandering], [b] op het demografische front [om te anticiperen op de demografische krimp] en [c]op het economische front [om tegenwicht te bieden aan de machinaties van Engelens schaduwelite] [7].

Noten
[1] Ewald Engelen, De schaduwelite voor en na de crisis. Niets geleerd , niets vergeten Amsterdam [AUP] 2014, o.m. blz. 206
[2] Leonie Janssen-Jansen en George Lloyd, Property booms and bubbles A demolition strategy – towards a tabula rasa? in: Journal of surveying, construction and property University of Malaya 2012
[3] zie o.m.; Steven van Schuppen en Arjan Nienhuis, Krimp? Welke krimp? Driedubbele krimp! Korte geschiedenis van een paradigmashift Gastcollege Rotterdamse Academie van Bouwkunst, 2013 – zie voor de tekst op deze website onder de knop Dubbelkrimp
[4] Ewald Engelen etc, o.m. blz . 23
[5] Frank van Dam e.a., Nieuwe uitdagingen op de woningmarkt. Balans voor de leefomgeving 2014 deel 2 Den Haag [PBL] september 2014, o.m. blz. 6
[6] meer hierover in; Steven van Schuppen en Jan Dirk Dorrepaal, Groeikernen van weleer in de krimp? in: www.dubbelkrimp.nl / Archief [zomer 2014]
[7] meer hierover in: Steven van Schuppen en Jan Dirk Dorrepaal, De Nieuwste Kaart van Nederland zie het artikel op deze site, hieronder, onder ‘nieuw op deze site’

==nieuw op de site ===========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

>onder de knop Verdwalen is een kunst:

Europese democratie in de mangel tussen natiestaat en kapitaal

Nieuws/ Lente 2014

==Overdenkingen bij de komende Europese verkiezingen==Europese democratie in de mangel tussen natiestaat en  kapitaal

De [on?]mogelijkheid van een Europese democratische politieke praktijk in het tijdperk van High Frequency Trading

De Duitse journalist en essayist Frank Schirrmacher, één van de hoofdredacteuren van de Frankfurter Allgemeine Zeitung [FAZ], ontdekte in zijn vorig jaar verschenen Ego – Das Spiel des Lebens [München 2013] dat de wortels van het antidemocratische karakter van het neoliberalisme direct teruggaan op de Koude Oorlog. De wis- en natuurkundigen die in de Koude Oorlog carrière maakten met de theorie van het afschrikkingsevenwicht die op hun beurt gebaseerd waren op speltheoretische inzichten vonden na de Val van de Muur emplooi in de financiële sector met de toepassing van de speltheorie op de hedendaagse digitale financiële handel met zijn periodieke flash cracks. Hiermee dringen de neoliberale ideologie en praktijk door tot in de kleinste haarvaten van de maatschappij van de macroeconomie via de microeconomie in de politiek en nog dieper. De Koude Oorlog is teruggekeerd in de vorm van een digitale, soms nauwelijks beheersbare oorlog waarbij de samenleving de oorlog aan zichzelf verklaard heeft en die nog slechts de schijn van rationaliteit ophoudt. Het is in deze cyberwereld waar de (financiële) handelsstrijd gestreden wordt door computers die op hun beurt weer andere computers aansturen maar zeer de vraag of plechtig geformuleerde constituties en ingenieus geconstrueerde wetten hier enig democratisch tegenwicht van belang kunnen bieden. Neem bijvoorbeeld de gang van zaken rond het voorstel voor een Europese belasting op financiële transacties [die daarmee ook geregistreerd en dus gecontroleerd moeten worden en daardoor vertraagd kunnen worden]. Maar elf van de zeventien euro-landen willen meedoen; gas- en belastingrotonde is Nederland is hier zoals gebruikelijk een schaamteloze spelbreker. Als zelfs zoiets al niet lukt, wat kun je dan nog überhaupt van ‘Brussel’ verwachten?

De ironie van het geval wil dat de neoliberale wortels van de EU nog verder teruggaan dan de Koude Oorlog. In de recente discussie tussen liberalen [VVD], sociaaldemocraten [PvdA] en socialisten [SP] over zin en onzin van het gebruik van het begrip antiliberalisme wijst PvdA-ideoloog Paul Kalma er fijntjes op dat de geestelijk vader van het neoliberalisme, Friedrich von Hayek, al vóór de Tweede Wereldoorlog een federatie van Europese natiestaten bepleitte als probaat middel om de invloed van de die staten op het economisch verkeer te verkleinen. Maar dan moest het wel een federatie zijn die juist iedere democratische macht ontbeerde [zie Aukje van Roessel, Hekserij. In: De Groene Amsterdammer, 20 maart 2014]. Des te merkwaardiger is het dat de sociaaldemocratie in haar denken over Europese politiek de huidige politieke onmacht van de EU ten aanzien markt en kapitaal niet als centraal thema voor nadere discussie en analyse neemt. En dat geldt niet alleen voor de sociaal democratie maar ook voor de Groenen in Europees verband. Men put zich uit in bezweringsformules dat Europa ‘socialer’ moet worden, de Groenen voegen daar dan de ecologie bij, maar nergens wordt serieus de vraag gesteld of ‘Europa’ in zijn huidige staat überhaupt wel bij machte is tot een doeltreffende socialere en groenere koers. Ook de sociaaldemocraat Martin Schulz, voorzitter van het Europees parlement en gedoodverfd opvolger van Barroso als voorzitter van de Europese Commissie, gaat niet in op de kwestie van de onmacht van de EU ten opzichte van de markt in zijn overigens zeer waardevolle artikel over de keerzijden van de digitale revolutie in de FAZ [6-2-14], een stuk dat in die krant een interessante discussie heeft los gemaakt. De partijen in sociaal opzicht links van de sociaaldemocraten lijden weer aan een andere kwaal. Zij staan veel kritischer ten aanzien van ‘Europa’ en ‘Brussel’ maar hebben de neiging in een defensieve reflex terug te vluchten in de schijnveiligheid van de eigen natiestaat, zoals de SP in Nederland.
Beide oriëntaties missen de urgentie van een analyse van het vermogen/ onvermogen van een verenigd Europa greep te krijgen op de grillen van markt en kapitaal en daar een sociale en democratisch controleerbare tegenmacht tegen te vormen. In een dergelijke analyse zouden de volgende vijf gedachtelijnen centraal moeten staan.

1>>De veranderende economische positie van Europa in de wereld
In het vierentwintigste hoofdstuk van Das Kapital over de zogeheten de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal werkte Marx de gedachte uit dat de basis van de opeenhoping van rijkdom en economische macht in Europa gebaseerd is op regelrechte roof en plundering van de wereld buiten Europa sinds de koloniale veroveringen. Een half millennium concentreerde de rijkdom, de macht en het mondiale initiatief zich in Europa, totdat in de 20e eeuw de VS langzij kwamen. De 21e eeuw lijkt de eeuw van Azië te worden. Het Avondland, zelf betrekkelijk bescheiden begiftigd met grondstoffen, staat er in deze eeuw wat dit betreft inmiddels tamelijk alleen voor. Hoe zou Europa in deze situatie in staat kunnen zijn om tegelijk een breuk met en een continuering van de eigen geschiedenis te bewerkstelligen? Een breuk met de oorspronkelijke accumulatie, met het leegplunderen van andere werelddelen door een duurzame economie op te bouwen die primair put uit eigen natuurlijke hulpbronnen en minder afhankelijk wordt van grondstoffen van buiten. Continuering en versterking van de voortrekkersrol op duurzaamheidsgebied die Europa nu al mondiaal levert en continuering van de technologische én sociaal-culturele ‘ingenieurstraditie’ van het oude werelddeel.

2>>De toenemende rol van de stad in de economie en het bestuur van Europa
Vanaf het begin van onze eeuw loopt de omvang van de Europese bevolking allengs terug. Maar niet overal even sterk. In het oosten sterker dan in het westen, op het platteland sterker dan in de stad. De steden hebben in tijden van krimp vaak juist de neiging te gaan groeien, en dat in een Europa dat al zo sterk verstedelijkt is. Niet de tegenstelling noord-zuid maar die tussen stad en platteland zou wel eens dominant kunnen worden in het Europa van de 21e eeuw. Verstedelijking vormde in het verleden de basis voor economie en bestuur. Stadslucht maakt vrij, de Europese stad werd de motor van handel en nijverheid en vormde het toneel voor een dynamische politieke cultuur. Economische en demografische groei en industriële revolutie noopten vanaf de late 18e eeuw tot staatkundige schaalvergroting met de nationale markt als de economische basis en de moderne natiestaat als bestuurlijk fundament. Aan het begin van de 21e eeuw staat Europa voor een volgende schaalsprong, een federatief Europa. Maar wil ons werelddeel zich in deze sprong niet verliezen en daarbij de speelbal worden van de grillen en luimen van de wereldmarkt, dan zal het een even levensvatbare als democratische nieuwe politieke structuur moeten weten te ontwikkelen. Een structuur die aansluit op de dynamiek van de stedelijke netwerken van de 21e eeuw door deze als basis te nemen voor het middenbestuur van een Europese federatie. Zo’n structuur zou stedelijke agglomeraties aan weerszijden van landsgrenzen de broodnodige mogelijkheid kunnen bieden op eigen initiatief coalities te sluiten. Zo’n structuur kan de overmacht van de grote lidstaten doorbreken ten opzichte van bepaalde kleinere maar veel sterker verstedelijkte landen. Zo’n structuur zou de betrokkenheid van het leeuwendeel van de Europese burgers bij het bestuur kunnen vergroten en zo het democratisch draagvlak voor een veerkrachtig sociaal beleid kunnen creëren en de basis kunnen leggen voor een doeltreffende politieke strategie in de strijd tegen flitskapitaal en economisch cybercasinogedrag.

3>>Een veerkrachtig en sociaal Europa: op zoek naar kritische massa en functionele samenhang
Maar voor een veerkrachtig en sociaal Europa is nog wel meer nodig dan een vitale stedelijke economie en politieke cultuur. Het gaat om een minimum aan economische massa om greep te kunnen krijgen en houden op de grillen van het flitskapitaal. Europa heeft inmiddels wel de nodige massa, maar ontbeert nog de nodige samenhang – de ECB is bijvoorbeeld nog lang geen ‘Fed’. Om die samenhang te kunnen krijgen en vervolgens te kunnen vasthouden moet de zaak ook niet te ver uit zijn krachten groeien. Daarbij zijn niet alleen macro-economische overeenkomsten tussen regio’s op het gebied van bijvoorbeeld arbeidsproductiviteit van belang maar ook en vooral de mate van interconnectiviteit tussen regio’s en stedelijke agglomeraties en de manier waarop zij daarbij elkaar door hun relatieve specialisaties kunnen aanvullen. Er lijkt meer en meer een soort Europese Randstad in het groot te ontstaan waar elke cluster van stedelijke agglomeraties goed is voor een onmisbaar specialisme binnen het geheel van deze ‘EURandstad’ . Laat die EURandstad geografisch nu net samenvallen met het ‘Europa van de stadsstaten’ dat zich in de late middeleeuwen uitstrekte van de stedenlandschappen van de Hanze en de Lage Landen in het noorden tot en met het stedenlandschap van Noord- en Midden-Italië in het zuiden. Die stedelijke motor tussen Amsterdam en Florence, tussen Eindhoven en Milaan, draait beter dan ooit en kan met de nodige tussentijdse koerswendingen en reparaties nog meer dan een volle 21e eeuw mee.

—————————————————————————————————— Contouren van een ‘EURandstad’ De EURandstad bestaat op zijn minst uit de volgende clusters van stedelijke agglomeraties: a>BRAR/ ABC-stad: Brabant[Brainport Eindhoven] – Rotterdam – Antwerpen – Ruhrgebied en daar omheen Amsterdam – Brussel – Cologne] b>Frankfurt – Straatsburg [-Parijs] – Luxemburg c>Turijn/Milaan – Zürich /Basel – München d>Wenen – Boedapest e>Berlijn- Silezië – Krakow – Warschau f>de Noordoostelijke Europese Corridor: [Groningen -] Bremen – Hamburg – Kopenhagen/ Malmö

4>>De praktijk van de EU als instrument voor de groeiende neoliberalisering van het werelddeel
De kwestie tussen EU en markt & kapitaal betreft niet alleen de vraag hoe de EU haar greep kan krijgen op markt en kapitaal maar ook de vraag hoe de EU zelf als instrument voor neoliberalisering opereert en hoe dat dan te veranderen is. De openbreking van de barrières voor de zowel in- als externe markt is sinds de Val van de Muur in een stroomversnelling geraakt. Het is opvallend dat in de Europese Commissie de voor deze economische marktagenda relevante portefeuilles steeds in handen van liberale politici waren, met Frits Bolkestein en nu Neelie Kroes als boegbeelden. Bij het openbreken van marktbarrières in de nieuwe Oost-Europese lidstaten werd de afgelopen kwart eeuw een waar sociaal bloedbad aangericht dat in de Nederlandse media nagenoeg onopgemerkt bleef. Zo hebben de openlegging van het Roemeense platteland voor het internationale kapitaal en de overname van het platteland door dat kapitaal dermate radicale consequenties voor de vaak nog op subsistence-niveau verkerende lokale economie dat de natste dromen van wijlen Nicolae Ceaucescu alsnog verwezenlijkt lijken te worden [zie o.m. Pierre Sochon, Evangélistes de Bruxelles dans les campagnes roumaines. In: Le Monde diplomatique, februari 2014]. In alle landen van het voormalige Oostblok heeft een dramatische inkomensdaling van het gros van de bevolking plaats gegrepen. Alleen die landen die binnen de geo-economische actieradius van de EURandstad [maar buiten de Eurozone bleven] als Polen en Tsjechië zijn er weer boven op gekomen en doen het nu economisch goed [zie o.m. : Laila Porras,Inégalités de revenues et pauvreté dans la transition post-socialiste. Parijs [L’Harmattan] 2013]. Op een vergelijkbare manier worden de Zuid-Europese landen sinds de kredietcrisis van 2008 ten bate van kapitaal van buiten veroverd waarbij onder EU-druk barrière na barrière geslecht wordt. Maar een dergelijke brutale privatiserings- en vermarktingspolitiek heeft zo zijn slagschaduwzijden , niet alleen sociaal maar ook [geo-]economisch. Een te sterke commerciële Europese expansiedrift kan de cohesie en de slagkracht van een EURandstad lelijk bedreigen. Zo hebben de Europese commerciële avances in de richting van de Oekraïne [in de vorm van het economisch deel van het voorgestelde associatieverdrag] tot een riskante botsing met de Russische invloedssfeer geleid. De gevolgen daarvan zouden wel eens dubbel negatief kunnen uitpakken. De EU zou door de ontstane situatie wel eens gedwongen worden zich sociaaleconomisch meer gelegen te laten liggen aan de Oekraïne dan haar eigenlijk lief is. Bovendien maakt het conflict met Rusland de grote afhankelijkheid van Europa op energiegebied opeens voor iedereen pijnlijk duidelijk. Voor de gewenste energetische rugdekking verlangen de US waarschijnlijk als tegenprestatie de nodige Europese concessies in de onderhandelingen over het TTIP, het transatlantische handels- en investeringsverdrag, die nu volop gaande zijn. Landen die sterke positie hebben op het gebied van buiten-Europese export als Duitsland en Nederland zullen met dergelijke concessies betrekkelijk weinig moeite hebben, maar bij andere landen kan dat heel anders liggen. Genoeg binnen-Europese conflictstof dus. Inzet zou daarbij moeten zijn om naast de sociale Europese agenda de ecologische zeker niet te vergeten. Een op duurzaamheid gerichte Europese energiepolitiek is de beste garantie op de economische zelfstandigheid van ons werelddeel op de lange termijn.

5>>Kansen op en problemen bij mobilisatie voor een sociaal, duurzaam en veerkrachtig Europa
Mobilisatie voor een sociaal, duurzaam en veerkrachtig Europa in bovengeschetste zin is een even lastig over voetlicht te brengen als urgente opgave , zeker in Nederland. Nu het bankgeheim in Luxemburg en Oostenrijk onder EU-druk is opgeheven, zullen binnenkort in de verdere fiscale en economische harmonisering van de EU schaamteloze ‘belastingrotondes’ onvermijdelijk voor de bijl gaan, het ‘steenrijke Holland’ voorop. De inkomstenderving die dat ongetwijfeld met zich mee brengt zal ‘Europa’ er hier niet populairder op maken. In het debat binnen Nederland over het TTIP zal op het moment dat de onderhandelingen echt op scherp komen te staan de in ons land zo sterke exportlobby zeker de trom gaan roeren ten gunste van een uitgesproken neoliberale versie van het verdrag naar Angelsaksische snit. De opgave is hier de Nederlandse bevolking duidelijk te maken dat op de langere termijn vanuit sociaal en ecologisch oogpunt een Europa-loyale benadering verreweg het meest in haar belang is,maar dan wel vanuit een kritische invalshoek die beduidend meer politieke en economische bewegingsruimte biedt voor grensoverschrijdende stedelijke netwerken dan nu het geval is. In het Nederlandse geval is daarbij een verdere ontwikkeling van de BRAR-stad en van de Noord-Europese as Groningen-Hamburg-Kopenhagen aan de orde. De kansen om de BRAR-stad in het debat beter over het voetlicht te krijgen groeien met de dag: de hype over Brainport Eindhoven en zijn betekenis voor de hele driehoek van Randstad Holland, Vlaamse Ruit en Rhein-Ruhr is zo langzamerhand een vast onderwerp op de nationale ruimtelijke en economische agenda. Nu zorgen dat het thema ook een vaste plaats krijgt op de Europese politieke agenda. De relatie van de as Assen-Groningen-Eemshaven met Bremen en Hamburg leeft in de regio al wel , maar wordt op dit moment overschaduwd door de aardbevingenkwestie in Groningen. Op termijn kan echter tegen de achtergrond van die perikelen heel goed het perspectief ontstaan op een oriëntatie op Noord Duitsland in een breder verband dan de huidige Euregio – economisch, sociaal, cultureel en politiek.

==nieuw op de site ===========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

  • PU Waterkracht – water als bron van economie in: Groen, vakblad voor ruimte in stad en landschap, maart 2014 [samen met Bart Bomas, Arjan Nienhuis en Durk de Vries]