Tussen Münster en Mühlhausen

Deze zomer richtten wij onze schreden naar het oosten van Duitsland, naar Thüringen en Saksen. Met de auto in een zo recht mogelijke lijn van Den Haag naar het stedenlandschap  in het zuiden van de voormalige DDR. Een reis door twee eigenlijk nog steeds heel verschillende landen. De verschillen werden tijdens onze reis bij uitstek belichaamd door twee steden die we onderweg  aandeden: Münster in het westen en Mühlhausen in het oosten van Duitsland . Beide steden vormden in de eerste helft van de 16e eeuw, op de drempel van de vroeg- moderne tijd, het toneel van sociaalrevolutionair-religieuze opstanden:  het Mühlhausen van de grote boerenopstand onder leiding van Thomas Müntzer in de jaren 1520, het Münster  van het utopische wederdopersexperiment onder leiding van Jan van Leiden in de jaren 1530. Met dat gemeenschappelijke sociaalrevolutionaire verleden houden de overeenkomsten wel zo ongeveer op. In bijna alles lijken de twee steden en de samenleving waarvan zij deel uitmaken vooral elkaars tegendeel te zijn.

Bij  een bezoek aan Münster komt de rijkdom je onvermijdelijk tegemoet in de etalages van chique modewinkels, boutiques en juweliers. Het geheel ademt de sfeer van een uitgesproken welvarende maar op het eerste gezicht in omvang bescheiden provinciestad – maar schijn bedriegt:  er wonen hier maarliefst 300.000 mensen in dit ‘creatieve centrum van Westfalen’, praktisch net zo veel als in Utrecht. Het contrast met het tien keer kleinere Mühlhausen met zijn in omvang krimpende bevolking van zo’n 33.000 inwoners is groot, en niet alleen in demografisch kwantitatief opzicht. In de Thüringer Kleinstadt wordt het straat- en winkelbeeld bepaald door goedkope kledingwinkelketens en kantoren van uitzendbureau’s – wie zei daar Randstad? – net als in  vergelijkbare provinciestadjes in deze contreien. Duidelijke verschillen zijn er ook in de manier waarop  en de gezichtspunten van waaruit de eigen geschiedenis benaderd wordt. In Münster is het verhaal over sociaal-utopische experiment van de wederdoper Jan van Leiden met zijn Diewertje van Haarlem en zijn andere vijftien vrouwen keurig weggestopt in een van de 33 kabinetten van het Stadtmuseum; in het stadsbeeld herinneren alleen de kooien aan de toren van de Lambertikirche aan de gruwelijke dood van de wederdopers. Tja, de geschiedenis van bisschopsstad Münster heeft natuurlijk veel meer te bieden dan alleen dat doperse incident uit de 16e eeuw, allereerst natuurlijk de Vrede van Westfalen/ Münster waarmee in 1648 de gruwelijkheden van de Dertigjarige Oorlog werden afgesloten en de Duitse Kleinstaterei in de ruim 200 jaar die daarop volgden werden bezegeld. Mühlhausen is het alleen gelukt  met de boerenopstand in de 16e eeuw de canon van de wereldgeschiedenis te halen. Maar die geschiedenis van een mislukte revolutie staat wel model voor de grote centrale frustratie van links Duitsland. Duitse geschiedenis: een reeks mislukte revoluties met als ontegenzeggelijk dieptepunt de mislukte revolutie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog.  Dat een deel van het land na de Tweede Wereldoorlog  toch nog een revolutie, maar dan  van bovenop opgelegd (met dank aan Stalin), mocht meemaken is des frustrerender en traumatischer. Die eerste boeren- en arbeidersstaat op Duitse bodem was al vanaf het begin af gedoemd te verstenen en uiteindelijk uiteen te vallen. Dat die staat in zijn ongelukkige wordingsgeschiedenis er daarbij natuurlijk alles aan deed om tekenen uit het vroeg moderne verleden op te poetsen als  onvermijdelijke ‘vroeg burgerlijke’ voorboden van het socialisme dat onvermijdelijk komen zou, is des te pijnlijker. Mühlhausen werd in het DDR-tijdperk tot Thomas-Müntzer-Stadt gebombardeerd bij de herdenking van de 450-jarige sterfdag van de ketterse boerenheld. Die herdenking heeft wél  een klein en uitstekend gedocumenteerd museum over de Duitse boerenoorlogen opgeleverd, dat in al zijn bescheidenheid een even bescheiden als broodnodig tegengeluid laat horen tegen de in de aanloop naar de 500-jarige herdenking van het begin van de Reformatie in 2017 nu al sterk aanzwellende Lutherwelle.

>Luther en Müntzer
Luther en Müntzer – het zijn twee elkaar uitsluitende grondposities die sinds de vroege 16e eeuw het Duitse mentale en politieke landschap bepalen. Luther met zijn leer van de twee koninkrijken, het rijk van de hemel  in de eeuwigheid versus het rijk van het onvolmaakte ondermaanse waar men geacht wordt te gehoorzamen aan  de machthebbers die boven ons stervelingen gesteld zijn. Müntzer die in zijn eindtijdtheologie ook de bestrijding van de met het Evangelie strijdige wereldlijke orde van de standenmaatschappij in zijn heilsboodschap meenam en daarom de wereldlijke machthebbers in het hier en nu daadwerkelijk te vuur en te zwaard bestreed. De eerste grondhouding van berusting in de bestaande maatschappelijk orde, die van Luther dus, is in het afgelopen  halve millennium verreweg dominant geweest. De Kleinstaterei waar de verwoestende Dertigjarige Oorlog op uitliep  bracht een overkill  aan lokale potentaatjes voort in al die vorstendommetjes met hun absolutistische pretenties. Die pretenties mogen in de ogen van buitenstaanders in tijd (ons 21e-eeuwers)  en ruimte (inwoners van andere buiten Duitsland gelegen absolutistische landen als Frankrijk en Oostenrijk ) potsierlijk overkomen, voor de ‘onderdanen’ die in deze Duitse staten en staatjes  moesten leven  waren de repressie en de maatschappelijke  verstarring waar in veel gevallen sprake van was er niet minder om. De Franse Revolutie werd ten oosten van de Rijn met een onvoorspelbare mengeling van bewondering, afgunst en bevreemding bekeken. Natuurlijk, vooruitstrevend Duitsland wilde ook zelf wel het heft van de geschiedenis in eigen hand nemen, maar zag zich daarbij voor een schier onmogelijk opgave gesteld. Er moesten daarvoor teveel vliegen in een klap geslagen worden: én de autoritaire standenmaatschappij verslaan, én de Kleinstaaterei overwinnen, én de uitwassen van het opkomende kapitalisme bestrijden. De Revolutiegolf die in 1848 door Europa raasde, kwam in Duitsland niet verder dan Frankfurter Parlement dat alras een snelle dood stierf, gefrustreerd door de verreweg machtigste en ook steeds sterker wordende Duitse staat, het autoritaire en militaristische Pruisen. En het was tenslotte door de  oplegging van bovenaf door dat zelfde Pruisen dat de nationale eenheid in zijn zogeheten klein Duitse vorm in 1870 tot stand kon komen. Het was een Duitsland dat technologisch en organisatorisch in een stroomversnelling kwam en het in de economische concurrentie met succes opnam tegen Groot Brittannië, maar waarvan de bevolking zich niet aan de onderdanenhouding die in de loop der eeuwen gegroeid was wist te ontworstelen. Die onderdanenmentaliteit hield de succesvolle bourgeoisie in haar greep [1] , die mentaliteit werkte ook  door binnen de  arbeidersbeweging, en wel in zeer verknipte vorm.  Aan de schoorsteen van het doorsnee sociaaldemocratische huisgezin hingen in  die tijd standaard twee portretten:  dat van   socialistenleider  Bebel en dat van beroepshistericus keizer Wilhelm II. Toen puntje bij paaltje kwam volgden de arbeiders in 1914 en masse  ‘hun’ keizer in de frische fröhliche Krieg tegemoet .  Ook in de politieke theorievorming werkte deze verkniptheid door, en wel in de gedaante van  het Kautskyaanse marxisme, waarin de hoofdrol in de overgang naar het socialisme was weggelegd door de objectieve ontwikkeling van een kapitalisme dat onvermijdelijk steeds ernstiger  politieke crises zou baren.  Op het moment dat   ‘de bourgeoisie’ in een crisissituatie een fatale tactische fout zou maken, zou de overwinning als vanzelf in de schoot van de socialistische arbeidersbeweging vallen [2].  Tegenover  het determinisme van Kautksky ontwikkelde de linkervleugel van SPD onder leiding van ondermeer Rosa  Luxemburg  een uitgesproken pro-actieve  en vaak ‘voluntaristische’  visie -al zou men dat laatste met het oog op het zo door economisch determinisme gekleurde marxisme nooit openlijk durven  hebben toegeven. Het politieke resultaat  van die linkervleugel  is bekend:  een mislukte Duitse revolutie aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Dat  haar volgelingen toch uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog  in een deel  van Duitsland dankzij Stalin de overwinning in de schoot geworpen kregen is een wrede speling van de ironie van de geschiedenis.  Een Pyhrrusoverwinning, zo werd al dra duidelijk,toen na de dood van Stalin in maart 1953 in juni een  volksopstand uitbrak die door Russische tanks werd neergeslagen. In het hart van Mühlhausen verzamelden zich toen drieduizend opstandige boeren –  de geschiedenis leek zich te herhalen…. Wat er de decennia  daarop in de DDR volgde is de geschiedenis van een zich steeds weer  herhalende reactiviteit en een steeds verdere verstening van de DDR,  zowel  letterlijk materieel als mentaal, met de bouw van de Berlijnse Muur als symbolisch dieptepunt.  Dat ondanks in die verstening en de bijbehorende verstikkende atmosfeer van voortdurende Bespitzelung  menigeen  wel degelijk  geloofde  in  de idealen van de nieuwe staat maakt  deze geschiedenis van ‘het andere Duitsland’ des te navranter.

>Wolf en Stolpe
Dat gespleten levensgevoel wordt bij uitstek belichaamd door de schrijfster Christa Wolf die in de loop der tijd steeds kritischer kwam te staan  ten opzichte van het DDR-regime maar in de grond van de zaak steeds loyaal bleef ten opzichte van het socialistische gedachtegoed.  Aan het eind van haar leven, als met de  kredietcrisis van 2008 de kwaadaardige luimen van het kapitalisme opnieuw aan de dag treden, probeert zij in haar laatste boek met horten en stoten de balans op te maken  de balans van haar leven en van haar land dat verdween in de mist van de geschiedenis [3]. Dat probeert zij te doen aan de hand van een dagboek dat zij in 1992/93 bijgehouden heeft toen zij op intellectuele retraite was in Los Angeles, het ‘Weimar unter den Palmen’ dat in de jaren 30 en 40 als toevluchtsoord voor menige Duitse wetenschapper  en kunstenaar fungeerde.  1992/93:  dat was midden in een tijd dat provocerend het einde van de geschiedenis werd geproclameerd waarbij het kapitalisme voorgoed overwonnen leek te hebben.  Intussen echter werden  toen de tekenen  van  een verregaande ontregeling van de mondiale verhoudingen die uit die overwinning voortkwamen al wél  volop duidelijk:  een eerste golfoorlog en een beginnende Balkanoorlog  die een golf aan vluchtelingen teweeg bracht, niet in de laatste plaats  naar het in die tijd in opperste verwarring verkerende oosten van Duitsland. Ook toen waren er net als afgelopen zomer onheilspellende  aanslagen op asielzoekerscentra.  Christa  wordt daarvoor bij herhaling ter verantwoording geroepen door de veelal linkse Amerikanen die zij ontmoet.  Ze komt daardoor en door de algehele toestand in Duitsland in een lastig parket. Ze  is zeer ongelukkig met het feit dat alles met de DDR te maken heeft alom ontkend of juist verguisd wordt en ontwikkelt als tegenwicht daartegen een soort klammheimliche loyaliteit ten opzichte van de roemloos ten onder gegane staat terwijl ze zelf in het verleden juist zeer kritisch ten opzichte  van het regime  stond en daarom decennialang bespied werd. Kritisch, maar niet altijd. In het prille, ‘onschuldige’ begin van haar carrière briefde zij als IM-er [Informeller Mitarbeiter] wetenswaardigheden  over collega’s door aan de Stasi. Het was maar voor en betrekkelijk korte tijd en de gegeven informatie was tamelijk onbenullig van aard, maar toch… En laat nu juist tijdens haar Amerikaanse verblijf haar Stasi-verledentje aanleiding worden voor een  van kwaadaardige hetze tegen haar persoon. Ze had dat stukje van haar verleden  helemaal vergeten, of is het toch verdringing? Is ze in de grond van de zaak toch altijd maar gewoon een klein meisje gebleven dat vóór alles door ‘iedereen’ aardig gevonden wil worden? – door haar moeder, door de autoriteiten van de eerste boeren- en arbeidersstaat op Duitse bodem.

Wolf hoorde aanvankelijk tot de uitgesproken aanhangers van de DDR, maar zij zijn zeker niet de enigen  die achteraf met gemengde gevoelens op de totale verdwijning van de DDR uit de Duitse geschiedenis terugkijken.  Daarnaast is er die grote groep van  gewone, ondanks het rabiate DDR-antitheisme gelovig gebleven Oost-Duitsers , die in de loop van de tijd de sociale dimensie van het DDR-gedachtegoed verinnerlijken.  De gevoelens van die groep wordt  bij uitstek belichaamd door Manfred Stolpe, in de DDR-tijd decennialang de hoogste baas van de Oost-Duitse Evangelische Kirchen.   Na de Wende werd hij meer dan  een decennium lang voor de SPD  minister-president  van de Oost-Duitse deelstaat Brandenburg, waarna hij in 2002 door Gerhard Schröder als minister van verkeer en volkshuisvesting in de nationale roodgroene regering gehaald werd. Ook Stolpe heeft een Stasi-verleden dat overigens aanzienlijk dikker en minder ‘onbenullig’  is  dan  dat van Wolf. Ook hij werd daardoor na de Wende onderwerp van kritiek.  Als opperhoofd van de Oost-Duitse protestanten was hij een meester  in het wheelen en dealen  met de autoriteiten  waarbij hij werkende weg steeds meer ruimte wist te creëren voor een kritische en tegelijk sociaal georiënteerde kerk.  Zo werd er in 1982, dus ruimschoots vóór de Glasnost en Perestrojka, in Dresden een synode belegd met de vraag  hoe het socialisme te verbeteren. De SED-top sprong uit zijn vel: de DDR was immers niet te verbeteren. Alleen al door het voeren door een dergelijk maatschappelijk motto  toonde de kerk hoezeer zij zich inmiddels geïdentificeerd had met de sociale agenda  van die overigens nog immer onverminderd  beklemmende Spitzelstaat .  Hoe Stolpe de hedendaagse betekenis van de DDR beziet?  Het grote gevaar dat ons tegenwoordig sterker dan ooit  bedreigt is in zijn ogen het financiële kapitalisme dat ook indertijd het economische lot van een kleine staat als de DDR in sterke mate bepaalde. Het Genossenschaftwesen ziet hij als de belangrijkste positieve DDR-erfenis met vooral een grote symboolwaarde [5].  Een symboolwaarde met een mogelijke uitstraling op de economische praktijk van vandaag de dag. De coöperatie leed jarenlang  economisch een marginaal bestaan, maar zit echter juist de laatste jaren en vooral na de Energiewende weer duidelijk in de lift.

>Genossenschaft en Zivilcourage
Tijdens onze vakantiereis verbleven wij een week  in een sympathiek familiepension in in Kromsdorf in Thüringen,  even ten noorden van Weimar. Het verhaal van de waardin van het pension is illustratief voor het lot van mensen en land in deze contreien na de Wende. De voormalige boerderij waar nu het pension is ondergebracht vormde was vóór de Wende onderdeel  van een coöperatie met een fors bemeten veestapel en een uitgebreid tuinbouwareaal  waar de aan kinderverlamming lijdende vader van de waardin de bedrijfsleider van was.  Van dat trotse  Volkseigenes Betrieb van weleer is weinig meer over: de koeien verdwenen goeddeels, de tuinbouwkassen werden zertrümmert en opgeruimd.  Her en der in het landschap verrezen nieuwe bedrijventerreinen als Fremdkörper in het boerenland, terwijl de winkels de dorpscentra verdwenen.   Ook  de Oost-Duitse industrie leek na de Wende in vrije val terecht gekomen te zijn, hoewel dat in Thüringen met zijn relatief goed ontwikkelde midden- en klein bedrijf nog enigszins meeviel, zeker in vergelijking  met buur-deelstaat  Saksen-Anhalt dat zijn enorme industrieconglomeraten  genadeloos zag omvallen en zertrümmern  [5].  Niet dat het hier nu in al die o zo  malerische Thüringse Kleinstädte  alles koek en ei is. Ook hier blijft het als elders in het oosten  behelpen in sociaaleconomisch opzicht, zet de demografische uittocht gestaag maar onverminderd door  en sluimert  het door neonazi’s uitgelokt  geweld tegen vreemdelingen, maar de alertheid van de Thüringse deelstaatregering  op dit punt voorkomt gewelddadige excessen als in buur-deelstaat Saksen.  Bodo Ramenow, de door terreuraanslagen bedreigde minster president  van de vorig jaar aangetreden rood-rood-groene deelstaatregering, roept in dit verband op tot de nodige Zivilcourage en wil tegelijk  van de sociaaleconomische nood een deugd maken: Thüringen zou met zijn krimpende beroepsbevolking  de  komst van vluchtelingen  als arbeidskrachten  juist goed kunnen gebruiken [6] . Maar om een dergelijk economisch beleid tot een succes te kunnen maken,heeft een deelstaatregering  wel veel meer beleidsvrijheid en ondersteuning  van de centrale bondsregering  nodig en een over de hele linie een anders gericht economisch beleid op nationaal schaalniveau, sterker gericht op het tegengaan van de groeiende sociale ongelijkheid.  Maar daarvoor moet dan wel eerst het politieke taboe op een rood-rood-groene coalitie in Berlijn doorbroken worden…..

Noten  

[1] Treffend gekarakteriseerd in Heinrich Manns Der Untertan, verschenen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog,  waarin aan de hand van de wederwaardigheden van papierfabrikant Diederich Hessling het even laffe als autoritaire opportunisme (likken naar boven, trappen naar beneden) van de Wilhelminische bourgeoisie geschetst wordt.

[2] Zie hierover o.m.: Carl E. Schorske,  German socialdemocracy 1905-1917. The great schism  Cambridge MA [Harvard ] 1955 en Karl Kautsky, Der Weg zur Macht. Politische Betrachtungen über das Hineinwachsen in die Revolution  Berlijn [Vorwärts] 1910

[3] Christa Wolf, Stadt der Engel oder The Overcoat of Dr. Freud  Berlijn [Suhrkamp] 2010

[4] Zie hierover: Burga Kalinowski, War das die Wende, die wir wollten? – Gespräche mit Zeitgenossen  Berlijn [Neues Leben] 2015, en daarin met name het interview met Manfred Stolpe, Über Hoffnungen von damals und über Realitäten, blz. 226

[5] Over de kwalijke gevolgen van de ondoordachte en arrogante West-Duitse aanpak van het oosten van Duitsland na de

Wende voor economie, landschap en samenleving  zie ook o.m.:  Im Osten nichts neues? /deel twee – Dubbelkrimp in stedelijk  Oost Duitsland In: www.dubbelkrimp.nl. Kwartaaljournaal Herfst 2015

[6] Zie ondermeer in: Oliver Das Gupta, “Die Politik muss den grossen Wurf wagen” [een interview met Bodo Ramenow, minister -president van de deelstaat Thüringen] In: Süddeutsche Zeitung van 25-8-2015

=te verwachten nieuw op deze site============================================

Ik ben deze herfst bezig met drie projecten:

>het afronden van mijn deel  van het manuscript van  Atlantikwall – de grote volksverhuizing : over de gevolgen van de aanleg van de Atlantikwall (evacuaties, sloop, inundaties)  voor landschap en samenleving tijdens de oorlog en de wederopbouwperiode; de tekst zal naar alle verwachting in 2016 als boek verschijnen;

>het  essay  De stad in het Europa van de 21e eeuw – Kansen en valkuilen :  in het kader van de interdisciplinaire initiatiefgroep het Haagse Huijgensberaad dat de relevantie van de geostrategische blik voor ruimtelijke ontwikkelingen op de agenda wil zetten;

>de opstart van het vooronderzoek Crisis en kansen langs de A12 van Zoetermeer tm Gouda :  naar de mogelijkheden die leegstand  van (kantoren)vastgoed zou kunnen bieden voor sloop ten behoeve van voor natuur, landschap en meer ruimte voor water.

Tegen het cynisme

Nieuws/  Voorjaar-Zomer 2015

 “Zou de [gemeenschappelijke] golflengte  [tussen diverse  levensbeschouwingen] gevonden kunnen worden in de gedeelde onzekerheid over de vraag hoe de mens zich staande moet houden  in de verwarrende en snel veranderende wereld? En is in het verlengde hiervan  dan niet onmiddellijk de vraag aan de orde in hoeverre de ingrijpende mentale verandering die de Nederlandse samenleving de laatste kwart eeuw heeft doorgemaakt  mede debet is aan de ontstane verhoudingen. Daarbij doel ik niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats  op de secularisering  (die was al veel eerder begonnen), maar vooral op het neoliberalisme dat zich sinds de scherpe crisis van de vroege tachtig breed heeft gemaakt in nagenoeg alle bereiken des levens en de legitimatie vormt voor een angstaanjagende kilheid des gemoeds. Lange tijd was deze kilheid verpakt in een vrolijk seculier jasje van postmodern quasi wereldwijs cynisme. Intussen lijkt het religieuze in een come back bezig, niet in de laatste plaats in kringen die zich niet zo veel eerder nog vol overgave in de zekerheden van het ongeloof wentelden. De godsdienst wordt daar vaak gezien als instrument tot versteviging van de bestaande economische en maatschappelijke   orde. Een en ander gaat gepaard met het bekende hard moralistische repertoire waarvan de negentiende-eeuwse bourgeoisie ook al zo gaarne bediende, niet zelden gelardeerd  met een pervers misbruik van de erfzondeleer.” [blz. 124]

Hobbes‘  idee van wat ons beweegt  [dat we als mens gedreven worden door twee elementen:  streven naar ‘macht en nog meer macht’ en eigenbelang] is niet minder (en niet minder) speculatief dan dat  van [de veel genuanceerdere en plausibeler] Rousseau omdat er zoveel opvattingen op gebaseerd zijn. Voor dat feit in de laat-twintigste eeuwse literatuur zijn vast meerdere verklaringen te vinden, maar een daarvan is bijzonder ingrijpend:  Hobbes’ opvatting van de menselijke natuur maakt deel uit van een troosteloze traditie waarin we ons kennelijk thuis voelen. Verrassend genoeg houden veel overtuigde atheïsten vast aan een van de meest problematische elementen van het christendom: het dogma van de erfzonde. […] Het dogma  […] legt de schuld dan misschien bij ons, maar  het biedt ook troost, want het vormt   een verklaring voor al het kwaad dat we meemaken. Onze neiging om steeds het allerergste te geloven over de menselijke natuur is zeker zo sterk op overtuigingen als op feiten gebaseerd. Daarnaast wordt ze bevestigd door een veel minder nobele factor, die beschreven wordt door de econoom Robert Frank:  ‘De verbeten onderzoeker is voor niets zo benauwd een bepaalde handeling als altruïstisch te hebben omschreven waarvan een slimme collega later aantoonde dat het volledig uit eigenbelang gebeurde. Die angst verklaart waarom zoveel gedragswetenschappers zoveel tijd besteden aan het opsporen van zelfzuchtige  motieven voor ogenschijnlijke daden van zelfopoffering’ “[blz. 34-35]

Het eerste citaat  komt uit mijn  Onland en geestgrond. het mentale landschap in de ruimtelijke orde van de Lage Landen  Amsterdam 2007 [SUN], blz, 124] – dus een jaar vóór de ‘kredietcrisis’ van 2008. Het tweede citaat is van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman [uit: Afgezien van de feiten  Amsterdam [Boom / Stichting Internationale Spinozaprijs] 2014, blz, 34-35] . Beide citaten gaan in op het groeiende hedendaagse egoïsme en cynisme refereren daarbij aan het dogma van de erfzonde.  De kracht van Neimans citaat is dat zij aangeeft dat juist bij veel hedendaagse overtuigde atheïsten de cynische versie van het dogma van de erfzonde in een seculier jasje de speerpunt geworden is van hun denken en hun maatschappelijk en politiek handelen. Quasi wereldwijs inderdaad in al zijn bekrompenheid en ethische laakbaarheid.  Dit cynisme vormt het grootste gevaar voor de beschaving  en het behoud van de menselijkheid in de samenleving.  De wortel s van het kwaad liggen zowel in het inmiddels sinds de kredietcrisis steeds vaker gesmade neoliberalisme van de laatste decennia als in de veel oudere conservatieve en mensvijandige denktraditie waarvan Hobbes de meest geprononceerde vertegenwoordiger is.

De grote vraag luidt in dit verband of de situatie nu echt zo hopeloos is als hij vaak wordt voorgesteld.  Misschien is  die pessimistische en defaitistische oorstelling  van zaken wel vooral een euvel van mijn eigen late babyboom-generatie (waarover ik het ondermeer in de vorige column op deze site ook over had). Die generatie  werd politiek groot in wat ik eerder noemde de tijd van ‘de voortdurende wereldwijde dreiging van communistische revoluties tijdens de ‘korte twintigste eeuw’ . Zonder die ‘negatieve’ dreigende kracht waren de Europese sociaaldemocraten er nooit in geslaagd politieke en sociale concessies af te dwingen en te behouden [Democratie. gelijkheid en markt in: De Gids 2013/7] . Mijn generatie verzette zich tegen rabiaat anticommunisme maar zat tegelijkertijd danig in zijn maag met de stalinistische verwording van het communisme.  Na de Val van de Muur in 1989 was menigeen niet alleen van zijn transcendentale maar ook van zijn seculiere geloof gevallen. Het is een generatie die in dit opzicht tamelijk gebroken uit de strijd gekomen is. Intussen werkt het anticommunisme van weleer nog steeds op een zeer kwalijke manier door in de hedendaagse verhoudingen. Laten we Susan Neiman in dit verband nogmaals aan het woord:   ‘Maar de informatie over  de socialistische regimes die na 1989 vrijkwam lijkt volgens zo velen elke anticommunistische preek te rechtvaardigen. Anticommunisme  houdt  Angela Merkel aan de macht, hoewel het aantal stemmen dat is uitgebracht op linksgeoriënteerde partijen voldoende zou zijn om haar uit het zadel te wippen.  De anticommunistische hysterie maakt dat de  enige partij die werkelijk socialistisch kan worden genoemd   bij voorbaat wordt uitgesloten van een coalitie. Onthullingen over de wreedheid van Sovjetregimes zijn niet alleen muziek in de rechtse oren, maar ook een balsem voor de ziel van veel anderen – om redenen die even ondoorgrondelijk als ondoorgrond zijn. Als pappa of opa in het leger van Hitler vocht om de Joden op te ruimen,  is hem dat moeilijk te vergeven, maar hij zijn vaderland verdedigde tegen het bolsjewistisch gevaar, dan is dat ineens een heel andere kwestie. […] [Er ligt ook] een conceptuele taak als we ooit een degelijk alternatief willen vinden voor het neoliberalisme – dat niet enkel het economische beleid vormt, maar zich manifesteert als een wereldvisie die haar logica van de markt inmiddels heeft uitgebreid tot elke institutie en praktijk. […] Op populair, internationaal niveau, zijn de enigen die een levensvatbare vorm van verzet bieden aan het neoliberalisme de verschillende fundamentalistische groepen. Het kan toch geen toeval zijn dat de opkomst van het fundamentalisme juist nu plaatsvindt, in een tijd waarin het socialisme in het gunstigste geval wordt als een anachronisme  en het neoliberalisme als de enige rationele keuze die ons rest.’  [uit: Afgezien van de feiten  Amsterdam [Boom / Stichting Internationale Spinozaprijs] 2014, blz, 60-62]

Er ligt hier inderdaad een taak, ook ja juist voor de babyboomgeneratie,  om de emancipatorische opgaven van weleer te vertalen naar de verhoudingen  van de 21e eeuw en door te geven aan onze kinderen. Die kinderen, niet direct belast met de zwarte kanten van de erfenis van de 20e eeuw, staan overigens al klaar en sommigen laten zich al van zich spreken, het cynisme resoluut van zich afwerpend:  neem het optreden van de kersverse fractievoorzitter van GroenLinks in zijn pleidooi voor rechtvaardigheid , duurzaamheid en de strijd tegen het ‘ economisme’.

 =te verwachten nieuw op deze site====================================================

Ik ben momenteel vooral met twee projecten bezig waarvan de (tussen)resultaten deze herfst op deze site te zien zullen zijn. Het eerste project betreft een tussenreportage  van Atlantikwall – de grote volksverhuizing :over de gevolgen van de aanleg van de Atlantikwall (evacuaties, sloop, inundaties)  voor landschap en samenleving tijdens de oorlog en de wederopbouwperiode. Het tweede project vindt plaats in het kader van de interdisciplinaire initiatiefgroep het Haagse Huijgensberaad dat de relevantie van de geostrategische blik voor ruimtelijke ontwikkelingen op de agenda wil zetten.  In dat verband richt ik me in de eerste plaats op de ruimtelijke relevantie van interstedelijke configuraties voor het Europa van de 21e eeuw.

Belabberde erflaters

Nieuws / Winter 2015

Een monument van kritische journalistiek

Belabberde erflaters

Erflaters van onze beschaving van Jan en Annie Romein, een bekende titel in het populair historische genre, even vóór de oorlog geschreven als aanvulling op het eerder verschenen De lage landen bij de zee. De Nederlandse geschiedenis aan de hand levensportretten van dragers van onze beschaving waarop wij kunnen voortbouwen als Geert Groote, Erasmus, Van Oldenbarneveldt, Hugo de Groot, Derk van de Capellen, Thorbecke, Domela Nieuwenhuis, Berlage, Gorter. Wie zouden de erflaters uit onze eigen generatie zijn, vraag ik me de laatste tijd steeds vaker af. Hebben ‘wij’ van de naoorlogse generatie zelf wel mensen die een plaats verdienen in het eerbiedwaardige rijtje van Jan en Annie? Of vormen wij eigenlijk niet meer dan een club uiterst belabberde erflaters? Met die steeds in het achterhoofd rondspokende vraag kreeg ik begin januari een artikel onder ogen van publicist en socioloog Herman Vuijsje: We zadelen ons nageslacht op met een generatievloek. [NRC, 3/1 Opinie & debat] Aan onze kinderen en kindskinderen laten we de schillen dozen van ons potverteren. Het aardgas is over en op en de broeikasgassen blijven nog generaties lang hangen. Onze kindskinderen zullen ons vervloeken als verwende goden die de toekomst van de mensheid achteloos hebben genegeerd.

Verantwoordelijkheidsbesef jegens de kindskinderen vereist een bereidheid op de langere termijn te denken én tegelijk daar in het hier en nu de nodige consequenties uit te willen trekken. Ik zelf houd mij vooral bezig met de geschiedenis en de toekomst van het landschap en de ruimtelijke ordening. Wat op dit vlak vooral opvalt dat men met de mond wel de zorg voor de lange termijn belijdt maar meestal alleen dan als het geen ‘pijn’ doet. ‘Geenspijt-opties’ vormen in dit verband favoriete vluchtroutes. De te vermijden pijn betreft meestal de economie, en dan vooral de economie van vandaag en gisteren – de economie van de tegenwoordig o zo populaire ‘topsectoren’. En laten die topsectoren en de daarmee verbonden gevestigde economische lobbies nu juist vaak de hardnekkigste barrières vormen op weg naar de duurzame economie van de toekomst.

Onze Lage Landen bij de zee verdienen een echt onafhankelijke visie op de ruimtelijke ontwikkeling op de lange termijn. Laten we in het voetspoor van Vuijsje eens proberen in meerdere generaties te gaan denken en daarnaar te gaan handelen, in eeuwen, om te beginnen bij onze eigen 21e eeuw. De NederAnders-Atlasi.o. [zie onder] wil daarvoor een even nuttig als inspirerend instrument zijn.

==nieuw op de site ===========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

Schaduwlandschappen

Nieuws/ Herfst 2014

Een monument van kritische journalistiek

Schaduwlandschappen

Onlangs verscheen De schaduwelite voor en na de crisis. Niets geleerd , niets vergeten van Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam [UvA]. Hij schetst daarin het opereren van een elite uit de Nederlandse financiële wereld die beschikt over even nauwe als succesvolle banden met bepaalde invloedrijke delen van de Nederlandse politiek. Niet alleen stelt Engelen deze elite verantwoordelijk voor de economische crisis van 2008, maar ook voor het feit dat we sinds die tijd er maar niet in slagen om weer uit de crisis te komen. Deze elite zorgde er door even krachtig en handig lobbywerk voor dat de Nederlandse financiële sector uitgroeide tot een waterhoofd van ongekende proporties, met alle faliekante gevolgen van dien als kantorenleegstand en een woningvoorraad die financieel op grote schaal onder water staat. Een elite die er tot op heden helaas er nog steeds in lijkt te slagen haar positie te handhaven en zelfs tot overmaat van ramp haar desastreuze megalomane en groeiverslaafde praktijken te hervatten. Op wat de gevolgen daarvan op ruimtelijk en landschappelijk vlak zijn en in de toekomst nog verder kunnen worden gaat Engelen her en der in, zij het beknopt. In dit artikel nemen we de ‘schaduwlandschappen’ van het heden en de toekomst onder de loep. Met ‘schaduwlandschappen’ bedoelen we die gebieden en landschappelijke zones waar de schaduwelite zijn noodlottige spoor heeft getrokken of dat in de toekomst dreigt te gaan doen. Je zou in het licht van Engelens boekje drie soortenschaduwlandschappen kunnen onderscheiden.

1>Het schaduwlandschap van het leegstaande kantorenvastgoed
Engelen fulmineert in dit verband [1] o.m. op blz . 206] met name en terecht tegen de Zuidas-politiek van de Amsterdamse stadsbestuurderen, waaronder die van de vorige GroenLinks[!]-wethouder en tot door Engelen tot de schaduwelite gerekende Maarten van Poelgeest om de investeringen in deze financiële ‘toplocatie’ maar inmiddels tot internationaal belastingontwijkingsparadijs verworden plek gewoon maar te laten doorgaan. De kantoren hier zullen heus wel volkomen, maar de leegstand elders in de Amsterdamse regio zal des te harder toeslaan. Een dergelijk ‘waterbedeffect’ treedt ook elders in de Randstad waar gigantische nieuwe kantorenlocaties ontwikkeld worden, in Rotterdam bijvoorbeeld. Het schaduwlandschap van de leegstaande kantoren is so wie so het sterkst vertegenwoordigd in de Randstad en is overigens niet uitsluitend of zelfs maar in de eerste plaats het product van de crisis van 2008. Zo was de leegstand in Amsterdam in 2005 beduidend hoger dan nu, zie een artikel over vastgoedbubbels van Engelens hoogleraar-collega planologie aan de UvA Leonie Janssen-Jansen [2]. De oorzaken voor de leegstand kent drie componenten. Naast de histerische marktwerking in de vastgoedsector [a] bestaan die oorzaken ook uit [b] een demografische prognosefout door ondoordacht door-extrapoleren van de migratiegroeitrend die in de jaren negentig leek te zijn ingezet en ( c ) de eenzijdige focus op de Randstad in het economische en ruimtelijke beleid [3].

2>Het schaduwlandschap van de financieel onder water staande woningvoorraad
Een van de favoriete strategieën van door Engelen aangeklaagde schaduwelite bestaat er uit de eigen verantwoordelijkheid glashard te ontkennen in combinatie met een onmiddellijke vlucht naar voren. Zo ongeveer in deze trant luidt de apologie van de elite, hier in Engelens parafrasering: ‘En Nederland heeft geen huizenzeepbel, maar onvoldoende nieuwbouw om aan de groeiende vraag tegemoet te kunnen komen.[4]. Dat die groeiende vraag binnen vijftien jaar in zijn tegendeel zal omslaan onderstreepte het Planbureau voor de Leefomgeving [PBL] in een recent verschenen rapport waartegen de lobby van bouwers en projectontwikkelaars schuimbekkend te hoop liep [5]. Een kwestie van elementaire demografie: als de babyboomgeneratiehuishoudens beginnen uit te sterven, ontstaat er alras een enorm overschot aan huizen met een bijbehorende keldering van de huizenprijzen van dien. Denk bij dit schaduwlandschap niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats aan de geijkte krimpgebieden in de periferie va Nederland als Groningen, Limburg en Zeeuws Vlaanderen maar ook en vooral aan de zogeheten new towns in en om de Randstad, de groeikernen van weleer. Domweg ongelukkig en berooid in Almere, Zoetermeer, Capelle… [6].

[3]Het schaduwlandschap van de ruimtelijke claims
En dan bestaat er natuurlijk ook nog een veel minder tastbare, tamelijk cryptische vorm van schaduwlandschap, dat van de ruimtelijke claims – van de plannen die door de crisis niet doorgingen maar waar toch achter de schermen aan doorgewerkt wordt. Niet alleen op de tekentafel van projectontwikkelaars en megalome bestuurders. Hun natte dromen, terug te vinden op de De Nieuwe Kaart van Nederland www.nieuwekaart.nl, werden ingehaald door de crisis, maar kunnen altijd weer uit de kast gehaald worden – de schaduwelite zal dan zeker niet te beroerd zijn als machtige lobbygroep op te treden. In de tussentijd wordt er op de achtergrond een spel gespeeld om strategische grondposities en een spel in het onderwijl frustreren en afbreken van ruimtelijke overheidsrestricties op (bouw)projecten. Dat spel speelt vooral in (nog) landelijke gebieden in en om de Randstad waar de economische elite nog steeds goeddeels zijn zinnen op gezet heeft, al lijkt dat allengs enigszins zuidwaarts te verschuiven. Deze categorie schaduwlandschap valt buiten het bestek van Engelens primair financieel gerichte boekje, maar verdient vanwege zijn schimmige karakter en zijn grote betekenis voor de toekomst van stad en land juist extra kritische waakzaamheid.

De Nieuwste Kaart van Nederland

Om de schaduwlandschappen in de toekomst te kunnen vrijwaren voor de megalomanie en de kortzichtige hebzucht van economische en politieke elites moet eerst in kaart gebracht wordt welke mechanismen hier werkzaam zijn. Mechanismen op drie fronten: [a] op het hydrografische front [om voor te sorteren op de krimp van het droog te houden in bepaalde delen van Nederland met het oog op de klimaatsverandering], [b] op het demografische front [om te anticiperen op de demografische krimp] en [c]op het economische front [om tegenwicht te bieden aan de machinaties van Engelens schaduwelite] [7].

Noten
[1] Ewald Engelen, De schaduwelite voor en na de crisis. Niets geleerd , niets vergeten Amsterdam [AUP] 2014, o.m. blz. 206
[2] Leonie Janssen-Jansen en George Lloyd, Property booms and bubbles A demolition strategy – towards a tabula rasa? in: Journal of surveying, construction and property University of Malaya 2012
[3] zie o.m.; Steven van Schuppen en Arjan Nienhuis, Krimp? Welke krimp? Driedubbele krimp! Korte geschiedenis van een paradigmashift Gastcollege Rotterdamse Academie van Bouwkunst, 2013 – zie voor de tekst op deze website onder de knop Dubbelkrimp
[4] Ewald Engelen etc, o.m. blz . 23
[5] Frank van Dam e.a., Nieuwe uitdagingen op de woningmarkt. Balans voor de leefomgeving 2014 deel 2 Den Haag [PBL] september 2014, o.m. blz. 6
[6] meer hierover in; Steven van Schuppen en Jan Dirk Dorrepaal, Groeikernen van weleer in de krimp? in: www.dubbelkrimp.nl / Archief [zomer 2014]
[7] meer hierover in: Steven van Schuppen en Jan Dirk Dorrepaal, De Nieuwste Kaart van Nederland zie het artikel op deze site, hieronder, onder ‘nieuw op deze site’

==nieuw op de site ===========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

>onder de knop Verdwalen is een kunst:

Een monument van kritische journalistiek

Nieuws/ Zomer 2014

Een monument van kritische journalistiek

In ons lentebericht berichtten wij over de Duitse journalist en essayist Frank Schirrmacher, één van de hoofdredacteuren van de Frankfurter Allgemeine Zeitung [FAZ], en diens vorig jaar verschenen Ego – Das Spiel des Lebens [München 2013]. Daarin betoogde hij dat de wortels van het antidemocratische karakter van het hedendaagse neoliberalisme direct teruggaan op de Koude Oorlog. De wis– en natuurkundigen die in de Koude Oorlog carrière maakten met de theorie van het afschrikkingsevenwicht die op hun beurt gebaseerd waren op speltheoretische inzichten vonden na de Val van de Muur emplooi in de financiële sector met de toepassing van de speltheorie op de hedendaagse digitale financiële handel met zijn periodieke flash cracks. Hiermee dringen de neoliberale ideologie en praktijk door tot in de kleinste haarvaten van de maatschappij van de macro–economie via de micro–economie in de politiek en nog dieper. De Koude Oorlog is teruggekeerd in de vorm van een digitale, soms nauwelijks beheersbare oorlog waarbij de samenleving de oorlog aan zichzelf verklaard heeft en die nog slechts de schijn van rationaliteit ophoudt. Het is in deze cyberwereld waar de (financiële) handelsstrijd gestreden wordt door computers die op hun beurt weer andere computers aansturen maar zeer de vraag of plechtig geformuleerde constituties en ingenieus geconstrueerde wetten hier enig democratisch tegenwicht van belang kunnen bieden.

Op 12 juni j.l. overleed Schirrmacher op 54–jarige leeftijd. Plotseling , in het heetst van de journalistieke en intellectuele strijd. Beslist geen onomstreden figuur in de Duitse en internationale media (in Nederland is hij gek genoeg nauwelijks bekend – dat zegt beslist meer over Nederland dan over Schirrmacher). Als primair literair–filosofisch opgeleid academicus nam hij in de jaren tachtig de cheffunctie van de literaire afdeling de FAZ over van de Duitse literatuurpaus Marcel Reich–Ranicki . Schirrmacher ontwikkelde zich in de daaropvolgende decennia tot een soort intellectuele omnivoor die er niet voor terugschrok tal van andere maatschappelijk relevante disciplines af te grazen, van demografie tot en met geschiedenis en filosofie van de techniek. Daarvoor oogstte hij zeker niet alleen lof. Hem werd ook verweten zich in zijn boeken en artikelen schuldig te maken aan dramatische overexposure. Dergelijke kritiek kwam niet zelden van vakacademici die zich in hun intellectuele territorium bedreigd voelden door een even weetgulzige als brutale buitenstaander die als geen ander wist hoe de media te bespelen. Zo kon in bepaalde kringen een beeld ontstaan van een louter op effect beluste als intellectueel vermomde persmuskiet. Wie de thema’s die hij aansnijdt en de invalshoeken die hij daarbij kiest echter serieus op hun maatschappelijke en inhoudelijke betekenis beoordeelt komt veeleer uit op een beeld van een even avontuurlijk als diepgravend vorser en denker die zich nooit tevreden stelt met makkelijke vragen en antwoorden. In zijn presentatie bedient hij zich bij voorkeur van het genre van het drama en opereert daarbij als een dramaturg die greep wil krijgen op het treurspel van de maatschappelijke ontwikkelingen – niet om de noodlottige wending ervan te bevestigen maar juist in zijn tegendeel te doen verkeren. Zo roept hij in zijn vorige bestseller Das Methusalem Komplott uit 2005 (waarin de gevolgen van demografische krimp en vergrijzing schetst) de hedendaagse en toekomstige grijze golf op het heft in eigen hand te nemen. Demografische krimp was overigens toen al geruime tijd een belangrijk thema bij onze oosterburen – dit in tegenstelling tot Nederland waar het besef daaromtrent lang achterwege bleef. Een soortgelijke oproep aan de huidige (en komende) ouderen (van de babyboomgeneratie) om rol te (blijven) spelen in het hedendaagse maatschappelijke debat deed ik op deze site [zie Nieuwsarchief : Nieuws/Zomer 2013: De politieke agorafobie van een protestgeneratie]. Over (de ruimtelijke effecten van) demografische krimp is ook het nodige te vinden opwww.dubbelkrimp.nl waaraan ik sinds de oprichting meewerk. De teneur in de bijdragen op die site is overigens primair gericht op de kansen die demografische krimp kan bieden, mits de gevolgen het verschijnsel tijdig onderkend worden. Een cultuurpessimistische ondertoon ontbreekt nagenoeg – een verwijt in die richting trof Schirrmacher maar al te vaak.

Het verscheiden van Frank Schirrmacher brengt ons op de vraag of Nederland journalisten van een vergelijkbaar kritisch en intellectueel gewicht kent. De Nederlandse journalistiek, ook in de zogeheten ‘kwaliteitsmedia’, steekt in dit opzicht wel zeer mager af bij de Duitse. Misschien zijn de goede, degelijke en nieuwsgierige journalisten er wel in Nederland, maar zijn ze allang naar de katakomben van de journalistiek verbannen en mogen ze daar alleen uit als hun specialisme plotseling weer actueel wordt (zoals in het geval van voormalig Ruslandcorrespondent Hubert Smeets die op de Oekraïne werd los gelaten). Er bestaan inmiddels wel her en der nieuwe initiatieven tot serieuze kritische onderzoeksjournalistiek , zoals de projecten van de onderzoeksredactie o.l.v. Marcel Metze bij De Groene Amsterdammer – vooral vaak empirisch sterk ontwikkeld, maar zonder echt bijster veel intellectuele en filosofische diepgang. En als er pogingen in die richting ondernomen worden, dan is moralisme zelden ver weg. Zou het de Hollander, koopman of dominee, ooit lukken echt een intellectueel te worden?