Nieuws/ Herfst 2020

Hoe de Corona-pandemie de traumatische breuklijnen in het Europese herinneringslandschap bloot legt…

[deel 2:]

De onvermijdelijke verdere erosie van de  ooit zo trotse Franse ‘hexagone’ [1]

[Het eerste deel van dit artikel [over de relaties en breuklijnen tussen Duitsland, Nederland en Midden- en Oost-Europa] werd afgesloten en op deze site gezet medio juni 2020, dus aan het eind van de eerste Corona-golf – zie hiervoor de zomer-nieuwsbrief op deze site. Medio oktober, dus aan het begin van tweede golf, heb ik de draad weer opgepakt, nu met een aflevering over Frankrijk, zijn structurele interne crisis en zwakke positie binnen Europa.

De Corona-pandemie legt de traumatische breuklijnen in het Europese herinneringslandschap bloot. Zo leek vooral Duitsland aanvankelijk het best in staat zijn littekens te kunnen bewältigen, terwijl Nederland zich ontpopte als het vrekkige keffertje.

Maar Europa bevindt zich niet in een vacuüm. De pandemie had in Amerika nog veel dramatischer en verder gaande gevolgen. De ziekte sloeg er extra hard toe, niet in de laatste plaats onder de sterk achtergestelde en gediscrimineerde zwarte en gekleurde bevolkingsgroepen. En toen eenmaal  de vlam  van het zwarte verzet in de pan sloeg, sloeg die ook vrijwel onmiddellijk over naar Europa. Een Europa dat worstelt met de eigen verdrongen koloniale schuld. In Nederland is de verdringing extra navrant en conflictueus – met aan de ene kant het discriminerende stereotype van Zwarte Piet en de ontkenning van het racistische karakter daarvan aan witte zijde en aan de andere kant het al jaren groeiende verzet daar tegen. Nederland deelt die problematische koloniale erfenis met andere [vooral West]Europese landen.

In Midden- en Oost-Europa likken de regionale grootmachten van weleer, Duitsland en Oostenrijk, nog steeds hun in de vorige eeuw opgelopen wonden en verdringen tegelijk de herinnering aan hun weinig zachtzinnige overheersing van de eigen achtertuin. Ondanks de rake klappen die de Teutonen toen mochten incasseren, is hun impliciete superioriteitsgevoel ten opzichte van ‘Slaven’ en ‘Turken’ er nog steeds niet echt minder om geworden. 

En dan is er de klassieke breuklijn tussen romaans en germaans die voor een essentieel deel samenvalt met de belangrijke economische en culturele levensader van het continent – de ader van Vadertje Rijn, traumatische breuklijn én inspirerende contactzone ineen. Belichaamd door de weerbarstige paradox van het eeuwige Lotharingen – van de in potentie hoopvolle interactieve contradictie enerzijds en anderzijds de hardnekkig weerbarstige werkelijkheid van het legendarische middeleeuwse middenrijk  tussen West- en Oost Frankenland,  later tussen Frankrijk en Duitsland

Hier een speurtocht naar de Europese breuklijnen, van voor de hand liggend tot verholen en verdrongen: van Nordfriesland tot Algiers en van Noord Ierland tot de Krim. Een speurtocht naar de gevaren en de kansen die deze lijnen kunnen herbergen, tussen Eurexit en Eureka.   

=Elzas-Lotharingen tussen breuklijn en contactzone: het démasqué van een dierbaar frame

Een van de eerste en felste brandhaarden van de eerste Corona-golf in Frankrijk vond plaats aan de uiterste oostgrens van Frankrijk, en wel in Mulhouse, de inmiddels in sterk onderkomen staat geraakte industriestad  die behalve om zijn kalimijnen en textielfabrieken ook bekend om het feit dat het hier een calvinistisch buitenbeentje in de Franse bijt betreft. Directe oorzaak voor de besmettingsuitbraak vormde hier een religieuze  massameeting van de zogeheten  Christian Open Door Church in de week van 17 tm 24 februari 2020, een van de grootste evangelicale kerken van het land [2]. De calvinistische Herrenfabrikanten van Mulhouse, indertijd vermaard om hun zo ingetogen levensstijl, moeten zich in hun graf omgedraaid hebben. Want ingetogen zijn dergelijke bijeenkomsten van dergelijke pinkstergemeente-achtige missiegenootschappen van het ‘Volle Evangelie’ zelden en dat feit zal zonder twijfel in sterke mate bijgedragen hebben aan de felheid en omvang van de infectie. De ironie van de hele situatie is des te wranger als we bedenken dat deze stad aan de uiterste periferie de heilige Franse Zeshoek [‘Hexagone’] in het zichzelf nog immer zo voortreffelijk geachte Parijs zo ongeveer als het onverbiddelijke einde van de ware beschaving wordt beschouwd. Attention!, nog een miniscuul stapje verder, en je valt hier zo van de rand af – in het diepe ‘Outre Rhin’ – In de Donkere Duitse Diepte, in dit geval oberigend de ‘diepte’ van het economisch uiterst dynamische en succesvolle Baden Wurttemberg, dat tijdens de Corona-crisis overigens wel goed genoeg werd bevonden de falende Franse gezondheidszorg te hulp te schieten.

 

Mulhouse ligt in de zuidelijke Elzas, vlak bij de grens – niet alleen met de Duitse deelstaat Baden Württemberg, maar ook nabij en in een veel directere relatie met de minstens zo rijke en dynamische industrie- en bankenstad Bazel. Dankzij die relatie en de pendelwerkgelegenheid die daaruit voortkomt  weten Mulhouse en zijn ommelanden met hun kwijnende textielindustrie en nagenoed verdwenen kalimijnbouw nog enigszins economisch het hoofd water te houden. Maar geweldig is het allemaal niet en dat geldt voor de hele noordoostelijke rand van Frankrijk –  niet alleen voor het  aangrenzende al veel langere zieltogende Lotharingen met zijn failliete kolen- en staalnijverheid  maar ook voor als lieflijk bekend staande Elzas dat nog lange tijd nog redelijk wist te profiteren van zijn gunstige ligging aan de Rijn en de contacten met de over-Rijnse bedrijvigheid. Dit proces van industriële neergang dat in Frankrijk al sinds in eind jaren 60 op gang was gekomen kwam na de Val van Berlijnse Muur en de komst van de euro in een stroomversnelling. De hardste klappen kwamen niet alleen in Elzas-Lotharingen terecht, en niet alleen daar maar ook  aangrenzend in de noordelijke perifere gebieden. Zo ontstond een lang gerekt crisisgebied langs de Franse grens, van Mulhouse tot Duinkerken. De kaart van Frankrijk toont daar tegenwoordig een steeds zwarter en dikker wordende rand van  weinig vrolijk stemmende aantallen bedrijfssluitingen en  werkloosheidscijfers. Maar dat niet alleen, ook zeker zo onrustbarende en daarmee verband houdende politieke en culturele patronen worden pijnlijk zichtbaar. Om met het eerste – de politieke verhoudingen – te beginnen. Zeer illustratief is in dit verband de kaart van de percentuele aanhang van Marine Le Pen bij de uitslagen van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 2017 [3].  Daarop kleurt eigenlijk de hele noordoosthoek van het land boven en rechts  donkerrood [meer dan 50%] tot zwart [meer dan 60%]. De donkerste stukken in het oosten vinden we niet alleen in de oude industriegebieden in het Pays du fer en het Pays de charbon in Lotharingen of in het Outre Foret in de Elzas,  de notoir reactionaire streek ten noorden van het Foret de Hagenau waar de Franse hexagone met een brutaal scherpe punt Duitsland in steekt – waar de bevolking in 1793 het contrarevolutionaire Duits-Oostenrijke invasieleger met open armen ontving. Nee –  ook en minstens zo sterk vinden we de aanhang van Le Pen in de lieflijke dorpen en stadjes in de Elzassische wijnstreek aan de voet van de Vogezen  – de streek die hier juist tijdens de Revolutie de spitst afbeet. Die populariteit van het Front National [FN], nu Rassemblement National [RN] geheten, was hier al van vanaf het begin van deze beweging,  medio jaren  80, onmiskenbaar, en dat terwijl hier toen nog nauwelijks ‘Noord-Afrikanen’ te bekennen waren. Hier vormen en zijn niet industriearbeiders de kern van de FN-/RN-aanhang, maar de traditioneel  ingestelde landelijke bevolking die vóór die tijd meestal christendemocratisch of gaullistisch stemde. In de Lotharingse zware industriegebieden won de Parti Socialiste in de jaren 80 juist sterk ten koste van zowel de communistische partij als de club van Le Pen. In later jaren is de balans beslissend daar doorgeslagen naar het FN/ RM. Samenvattend kunnen we concluderen dat de aanhang van extreem rechts bestaat uit twee hoofdcomponenten:  de handarbeider in de zieltogende oude industriegebieden en daarnaast – en ook al vanaf het begin! – de traditioneel ingestelde conservatief georiënteerde kiezer, lange tijd een onmisbaar onderdeel van het gaullisme, professioneel bij uitstek belichaamd door de gendarme, de diender [4] .

 

Het lijkt in dit verband verleidelijk de kaartjes van de FN-/RN-aanhang  naast de kaartjes van de regionale spreiding van de acties van de gilets jaunes – de gele hesjes – te vergelijken. Wie – bewust dan wel onbewust – een – positief of negatief – verband vermoedt  moeten we teleurstellen. Enige significante  correllatie zal men tevergeefs zoeken. Wat juist opvalt is de betrekkelijk evenwichtige spreiding van de blokkades, manifestaties, opiniepeilingen en de respons op acties via facebook over het hele land [5] . Maar er is en daarentegen een echt overtuigend verband te vinden in de dramatisch negatieve loodzwaar significante correlatie tussen de electorale aanhang van Le Pen enerzijds en de nieuwe in 2016 door Emmanuel Macron opgerichte politieke  formatie La République en marche [LREM]. In alle opzichten lijkt de aanhang van beide partijen elkaars tegendeel te vormen.  Le Pens electoraat vinden we  in het noorden en noordoosten  boven en rechts van Parijs met een toegift in het zuidoosten rond de agglomeraties van Marseille en Montpellier. Behalve de handarbeider wordt de ruggengraat gevormd door de autoriteitsgevoelige kiezer aan de rechterflank conservatief Frankrijk. Een electoraat dat al decennialang gevangen in zijn eigen sociaaleconomische en bijbehorende culturele cyste van zo’n 15% van en waarbij het de laatste decennium te probeert door te groeien naar zo’n 20% door de aanhang uit te breiden met kleine neringdoenden en gepensioneerden. De aanhang van Le Pen bevindt zich in “het Frankrijk dat geteisterd wordt door sociale en economische stormen”, zoals de bekende Franse antropoloog-demograaf-historicus Emmanuel Todd het misschien wat al te dramatisch maar wel toch wel  heel treffend verwoordt. Vooral met deze groep is het de laatste drie decennia na de Val van de Berlijnse Muur en de komst van de euro alleen maar slechter gegaan. Aan de andere kant zien we aanhang van Macron. Hij scoort het beste bij de hoog opgeleiden met een zekere uitstraling naar lager gekwalificeerde witte boorden. Professioneel worden zij het best belichaamd door de universitaire hoofddocent als diep bewonderd rolmodel voor de dorpsonderwijzer. Die hoog opgeleide ‘kleine bourgeoisie’ zoals Todd deze sociale laag noemt weet zichzelf nog met eigen huis en behoorlijk inkomen economisch nog aardig te redden, maar ook daar ondermijnt de economische malaise inmiddels de welvaart. En tot voor kort kon deze kleine bourgeoisie zich nog veilig wanen in “het beschutte Frankrijk” dat Todd situeert in het westen en zuidwesten van de hexagone. Maar daar  lijkt nu met de komst van de gele hesjes met de rust ook gedaan te zijn.

Écht helemaal aan de top van Macrons electoraat vinden we ook nog een economisch uitgesproken rijke, maar getalsmatig minieme laag – tussen de 0,1 en 1% van de bevolking – , dat is de laag  van de rijke bankiers en de hoogste ambtenaren die hun opleiding genoten in een van de vermaarde ‘Ecoles Normales Supérieurs’. Zij heten de heersende klasse van het land te zijn. Maar is dat nog wel zo, sinds de financiële en eurocrisis van 1908 – 1910 het financiële en economische roer in Europa heeft overgenomen?, zo vraagt Todd zich retorisch af [6].  Een elite die hun kinderen inmiddels bij voorkeur namen als Helmut, Wolfgang of Ulrich geeft ter onderscheiding van de  Kevins, Brandons en Dylans van de arbeiders in het FN-/RN-electoraat [7].

Todd rondde zijn boek aan de vooravond van de crisis af. Zal die crisis en het Europese Corona-akkoord dat afgelopen zomer in het kielzog daarvan ontwikkeld werd iets wezenlijks gaan veranderen?, is hier de grote vraag. Hoe een en ander ook afloopt, duidelijk in inmiddels al wel dat de oude breuklijn Elzas-Lotharingen het in zeker niet in zich heeft uit te groeien tot vruchtbare contactzone tussen Frankrijk en Duitsland, alle Europese dromen van de bekende Lotharinger en vader van de Europese samenwerking Robert Schuman ten spijt. Dat contact is de afgelopen driekwart eeuw eigenlijk nooit verder gekomen dan het magere, hoofdzakelijk economisch gerichte spel tussen de elites in beide landen, een spel dat uiteindelijk in uitgelopen tot grote frustratie bij de Franse elite die na de crisis van 2008/2010  het gevoel heeft gekregen te zijn gedegradeerd tot compradores-bourgeoisie ten dienste van het Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie. Aan de basis, onder de gewone mensen in de regio’s aan weerszijden van de Rijn, lijkt er per saldo bitter weinig aan bevruchtende contacten tot stand gekomen [8]. Eigenlijk leven Frankrijk en Duitsland daar nog steeds goeddeels hun eigen leven. De frequentste contacten vinden we hier waarschijnlijk dan nog vooral aan de uiterste uiteinden van Elzas-Lotharingen. Contacten van werkloze Fransen die met hangende pootjes moeten gaan werken in het steenrijke Zwitserland en de het al even steenrijke Luxemburg. In het zuiden is dat de arbeidspendel vanuit het kwijnende Mulhouse naar de voorspoedige regio basiliensis in Noord-Zwitserland. En in het noorden is er de forenzenstroom vanuit de voormalige failliete staalrandstad tussen Metz en Thionville naar Luxemburg met zijn succesvolle financiële sector in het uiterste zuiden van de Lage Landen.

Tussen de arbeiders van Le Pen en de economisch kleine doch professioneel hooggekwalificeerde bourgeoisie  van Macron beweegt zich de grote, maar inmiddels danig verwarring geraakte groep van de doodgewone zwoegers, van ’geatomiseerden’.  Zowel Todd als Fourquet bedienen zich in dit verband met een zekere graagte van deze term. Het gaat hier om zo’n 55%  van het electoraat, een zeer diverse groep die als los zand aan elkaar hangt, waarbij het verband steeds losser dreigt te worden. De kern, de ruggengraat wordt gevormd door de ‘intermediaire’ beroepsgroepen die de zo goed en kwaad mogelijk de verbinding probeert te vormen tussen arbeidersklasse enerzijds en de kleine hoog gekwalificeerde bourgeoisie anderzijds. Dat zijn de leraren/onderwijzers, de verpleegkundigen, de dienders, de chauffeurs en de machinisten. Die groep staat sociaal economisch en maatschappelijk meer en meer onder druk. Die groep is politiek ook een dankbaar doelwit van de twee politieke hoofdstromingen die zich in het nieuwe politieke landschap na  de presidentsverkiezingen van 2017  is ontstaan graag als elkaars tegenpolen proberen te profileren. Dat daarbij een even vilein als pervers spel gespeeld wordt hoeft waarschijnlijk geen betoog. Maar hoe dat spel gespeeld wordt en in de toekomst gespeeld gaat worden, wél. In dat spel lijkt de bovenliggende partij, die van de zittende president Macron, het nu echt bijzonder lastig te hebben.

. Macron heeft vanaf het begin van zijn presidentschap onder de uiterst eufemistische noemer van ‘hervormingen’ een frontale aanval ingezet op de sociale verworvenheden van deze grote brede middengroep van geatomiseerden. Op milieugebied betroffen deze hervormingen onder meer de verhoging van de [fossiele] energieprijzen. Dat in combinatie met zijn zeer omstreden pensioenplannen vormde de directe aanleiding voor het ontbranden van de beweging van de gele hesjes. Uiteindelijk is de president aan de vooravond van de Corona-crisis op totaal een dood spoor geraakt. Gedwongen tot steeds verdere concessies, nu met name op het pensioenfront,  terwijl hij inmiddels de meerderheid in de  Assemblée Nationale is kwijtgeraakt en zijn greep nu in de tweede Corona-golf de greep op de pandemie totaal dreigt te verliezen,  speelt hij nu schaamteloos en met de moed der wanhoop de laïcistisch-islamofobe kaart [9],  net zoals eerder zijn voorgangers dat deden:  Sarkozy  in 2005, toen deze als minister van binnenlandse zaken onder Chirac de leus “vergeet de euro, het is de islam” lanceerde [10], en Hollande in 2015 met diens diens islamofobe politieke  instrumentalisering van de CharlieHebdo-moorden [11]. Begin oktober 2020, juist  toen de tweede golf van De Corona-pandemie in een stroomversnelling kwam, lanceerde Macron zijn plannen tal van islamitische organisaties verregaand aan banden te leggen in een wet tegen zogeheten  ‘separatisme’. Twee weken later, direct na de dramatische moord op een geschiedenisleraar door een Tjetsjeense islamist, zag hij zijn kans schoon die plannen versneld, verbreed en nog beduidend radicaler dan aanvankelijk gepresenteerd door te drukken. Hij hoopt daarmee minstens twee vliegen in een klap te slaan. Aan de ene kant door zijn ‘natuurlijke’maar steeds verder slinkende aanhang van hoger gekwalificeerden te herstellen en tegelijk beslissend te verbreden tot in de onderste lagen van onderwijzend Frankrijk waarmee hij zich over de hele linie van geliefd kan maken onder de grote groep van ‘geatomiseerden’. De vermoorde geschiedenisleraar vormt daarbij het gedroomde slachtoffer. Aan de kant door de Le Pen en de in menig opzicht bijna net zo xenofofobe achterban van de gaullisten [thans ‘Les Républicains’ geheten] de wind uit de zeilen te nemen. Macrons verscherpte repressie tegen wat hij noemt ‘het íslamisme‘ maar wat de facto neerkomt op kritische moslims in Frankrijk [12] overtreft de natste dromen van de doorsnee Franse diender, hét rolmodel bij uitstek van het electoraat van het Rassemblement  National. Het is een even gewetenloze als levensgevaarlijke politiek die Frankrijk en de Fransen vroeg of laat een nog diepere crisis kan storten, nog beduidend dieper dan de miserabele situatie waarin zij nu al zitten. De kans is daarbij groot dat Macron net als zijn voorgangers Sarkozy  en Hollande zijn tanden stuk bijt op het verzet van de grote groep van ‘geatomiseerden’ over wie hij de afgelopen jaren bij voortduring met diepe minachting  spreekt. Wie wordt de moet in 2022  de volgende president worden? Populisten van zowel rechts als links doen reuze flink en kritisch over de euro, maar als het er op aan komt durven zij er niet echt uit te stappen. Uit opiniepeilingen blijkt – oh ironie – dat de munt onder de Franse bevolking  de laatste jaren eerder aan populariteit wint [13].  Links Frankrijk tussen Macron en de linkse populist Jean-Luc Mélenchon is inmiddels  goeddeels geërodeerd –  op De Franse Groenen na die het bij de gemeenteraadsverkiezingen dit jaar verrassend goed deden. Maar zelfs als links nog wél wat zou voorstellen, dan zou zij het antwoord schuldig blijven hoe het in sociaal opzicht rampzalige ordoliberale door Duitsland gedicteerde EU-beleid te doorbreken. Wellicht zou daarbij de huidige Corona-crisis  als  breekijzer in te zetten zijn – in Duitsland zingen de ergste ordoliberale ideologen, Schäuble incluis, inmiddels een fiks toontje lager of zijn van het toneel verdwenen; een nieuwe generatie komt aan het roer [14]. Dat Berlijn in de onderhandelingen over de Europese Coronasteunplannen tot groeiende concessies bereid bleek geeft moet in dit verband optimistisch stemmen. Maar één vogel maakt nog geen zomer. Wat nu nodig is, is een grensoverschrijdende sociale Europese strategie – niet van bovenaf vanuit de logica van de EU-bureaucratie, maar van onderop. Een strategie die niet blijft steken in wat fiscale of constitutionele constructietjes,  de stokpaardjes van de bij het brede publiek inmiddels volop populaire econoom Thomas Piketty, indertijd adviseur van Hollande [15]. Geboden is hier een strategie als een dynamisch werktuig voor een democratische beweging van onderop. Transnationaal, met als vertrekpunten de sociale bewegingen die de laatste jaren aan weerszijden van de Alpen zijn ontstaan: in Frankrijk in de vorm van de gele hesjes, in Italië in de gedaante van de Vijf Sterrenbeweging. Inmiddels hebben die bewegingen bewezen dat zij mans en vrouws genoeg zijn om zich niet te laten gebruiken door extremistische nationalisten van rechts en links.

=Conclusie: tussen Frankrijk en Duitsland is de balans inmiddels helemaal zoek     

Per saldo lijkt er hier op het eerste gezicht, als we de balans na twee afleveringen van deze artikelenserie opmaken, aan beide zijden van de Lotharingse breuklijn sprake te zijn van dubbele erosie: zowel van het langzaam sleets wordende Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie als van de ooit zo trotse Franse hexagone. De eerste staat er nu nog redelijk goed bij, maar vertoont inmiddels onmiskenbaar ook al de nodige tekenen van verval, zoals we in de vorige aflevering van deze serie konden lezen [16]. Maar Duitsland als we iets verder kijken da de neus lang is wordt duidelijk dat Duitsland  voorlopig nog wel de dominante kracht binnen Europa zal blijven, in ieder geval economisch. In Frankrijk is de achteruitgang die sinds de Val van de Muur en de invoering van de euro op gang kwam is na de krediet-/ euro crisis van 2008/2010 in een dramatische stroomversnelling gekomen, dat alles samen met een zich steeds verder doorzettende sociale malaise. Op het toneel van de binnenlandse politiek heeft dat tot een nu al achttien jaar durende even potsierlijke als wrange klucht geleid, eigenlijk vanaf de laatste ambstermijn van Chirac. De presidenten na hem hebben steeds opnieuw de tanden stuk gebeten op heftig sociaal verzet. Hollande durfde zich zelfs niet meer voor een tweede keer kandidaat te stellen. Wordt Macron in 2022 de volgende in dit verliezersrijtje? Is het land rijp voor een Zesde Republiek?  Kortom: zowel economisch als politiek lijkt de uitgemergelde hexagone op dood spoor beland. Aan de andere kant van de Rijn vormt de Bondsrepubliek sinds zijn succesvolle overname van de DDR een oase van politieke stabiliteit, alle onvermijdelijke overnameperikelen ten spijt. Vervolgens wist de sociaaldemocraat Gerhard Schröder in zijn coalitie met De Groenen [1998-2005]behendig te profiteren van de toenmalige hoogconjunctuur. Daarna heeft Merkel de natie met vaste hand door krediet- en euro-. vluchtelingen- én – lest best – coronacrisis heen weten te leiden. Maar wat na 2021, zonder ‘Mutti’ en zonder kroonprinses maar met de nodige groeiende economische en politieke onzekerheid in eigen achterland, Midden- en Oost-Europa?

Het eigen achterland, binnen en buiten de EU. Het is de zwakke stee van zowel Duitsland als Frankrijk. Beide landen hebben wat dat betreft na 1945 heel wat veren moeten laten. Duitsland heeft zijn Ostgebiete verloren – tot Oder en Neisse aan toe. Frankrijk moest begin jaren 60 Algerije prijs geven, tot die tijd veel meer dan een kolonie, maar eigenlijk tegelijk ook een soort natuurlijke voortzetting  van het eigen grondgebied aan de overkant van het mare nostrum, de Middellandse Zee. Economisch hebben de beide landen hun invloedssfeer echter aardig te weten te handhaven, maar op dit vlak scoorde Duitsland opnieuw beduidend beter dan Frankrijk. Duitsland heeft zijn economische invloedsfeer heeft na de Val van de Muur beslissend naar het oosten weten uit te breiden. Bij Frankrijk lijken de kaarten ook in dit opzichtbeduidend minder goed te zijn. De neergang van de Franse invloedssfeer in westelijk Afrika, al jaren langzaam tanende, is in recente tijden in een stroomversnelling gekomen  nu er naast EU en USA een derde concurrerende partij op het wereldtoneel verschenen is, de Volksrepubliek China. Komt daarbij de structurele onrust in het Nabije en Midden Oosten, waardoor Frankrijk ook daar haar traditionele steunpunten verloren heeft, van de Maghreb tot en met Libanon. Duitsland heeft het in eigen achterland een stuk makkelijker, heeft daar vooral te kampen met usual suspect  Rusland.Als we krachtsverhouding op mondiaal vlak bekijken, slaat de balans nog verder naar Duitsland door. Als om zijn degelijkheid en Konkurrenzfähigkeit bekend staand exportland profiteert de Bondsrepubliek het meest van de groeiende stroom van lucratieve vrijhandelsverdragen die de EU de laatste jaren wereldwijd met succes heeft weten te sluiten – met als waarschijnlijke toekomstige kers op de taart het nog af te sluiten verdrag met de Mercusur-landen in Latijns Amerika.

Gezien deze dramatische krachtsverschillen tussen Frankrijk en Duitsland – zowel als Europees en mondiaal schaalniveau dus – is het des te verwonderlijker dat het Frankrijk nog vergund wordt zo’n prominente rol op het Europese toneel te spelen. Of is dat maar schijn? Ten dele misschien niet, maar ten dele zeker wel. Op intern Europees schaalniveau is de Franse positie inmiddels sterk verzwakt, vooral op sociaal-economisch vlak. Op bestuurlijk-politiek vlak is dat minder het geval dankzij de sleutelposities die Franse topambtenaren de afgelopen 70 jaar in de EU-bureaucratie hebben weten op te bouwen. Maar op het wereldtoneel lijkt de Frankrijks overambitieuze geopolitieke streven meer en meer iets wanhopigs te krijgen. Sinds het door de Brexit wegvallen van Groot Brittannië van het Europese toneel probeert Macron krampachtig de het mondiaal-geopolitieke EU-roer naar zich toe te trekken, maar eigenlijk is die aanspraak daarop als puntje bij paaltje komt alleen gebaseerd op het eigen atoomparapluutje – wel een heel smalle machtsbasis. Hij heeft de afgelopen tijd gehoopt op dit vlak allereerst goed te kunnen scoren in zijn eigen achtertuin, de Méditerranée. Maar daar komt hij de regionale pestkop Erdohan tegen die denkt dankzij het terugtrekken van de isolationist Trump van het Europese en MiddenOosten-toneel zich steeds meer te kunnen permitteren [17]. Op heel veel, zo niet alle  fronten lijkt Frankrijk  de laatste tijd daarom nu maar al te graag de degens met Turkije te willen kruisen.De twistziekte is wederzijds: Erdohan slaat volgaarne terug, en het liefst op een veel breder front opererend dan alleen de geopolitiek, tot en met de domeinen van cultuur en religie aan toe. En dat is natuurlijk koren op de ideologische molen van Macron, die Erdohan eeuwig dankbaar moet zijn geweest toen deze naar aanleiding de lancering begin oktober 2020 van de Franse plannen voor een  wet tegen het islamitisch separatisme volop het politieke vuur opende. De reeks islamitische aanslagen op Franse bodem die in de weken daarop volgden polariseerde en verbitterde de verhoudingen nog verder. In zijn conflict met Erdohan kreeg Macron vanzelfsprekend de nodige Europese morele steun, maar of hij die kan verzilveren om meer de ruimte te kunnen krijgen om namens de EU zijn eigen mondiale geopolitieke spel te spelen is zeer de vraag. In westelijk Afrika heeft Merkel Frankrijk altijd even loyaal als plichtmatig gesteund – bijvoorbeeld door deel te nemen aan een zogeheten vredesmissie in Mali – , maar of Berlijn zich echt laat verleiden om mee te gaan in verdergaande avonturen in de Franse achtertuin van de Middellandse Zee en westelijk Afrika is wel heel onwaarschijnlijk. Daarvoor krijgt Duitsland gewoon veel te weinig terug. In dit verband is het voor de goede onderlinge verhoudingen ook niet bepaald bevorderlijk als Macron op zijn beurt probeert in de Duitse achtertuin Merkel de voet dwars te zetten, bijvoorbeeld door op de Balkan steeds weer de toetreding tot de EU van bepaalde landen te blokkeren, daarbij gesteund door de kleine Bataafse plaaggeest Rutte. Kortom, stof voor kleine kregel en wrevel te over, maar dat zal Macrons positie op het Europese toneel er zeker niet sterker op maken.

Zo heeft Frankrijk het de laatste drie decennia op zo ongeveer alle fronten en alle schaalniveaus in steeds sterkere mate moeten afleggen bij Duitsland. Hoe lang kan die gammele gallische kar nog zonder ongelukken blijven door rijden, vraag je je af. Niet alleen sociaal-economisch en politiek , maar ook cultureel en mentaal verkeren natie en samenleving binnen de hexagone inmiddels in een even diepe als hardnekkige malaise. De cultus van het tot karikatuur geworden laïcisme is het wrange symbool van die malaise geworden, ja ook heel letterlijk in de vorm van de islamofobe Charlie-cartoons. Waar dat alles uiteindelijk op uit loopt? Implosie, explosie, een giftig mengsel van beiden?

=Wordt vervolgd…          

In de vorige aflevering van deze artikelenserie kwam de relatie van Duitsland met het vrekkige Holland in het westen en de Visegrad-landen in het oosten aan de orde. In deze aflevering was de Franse hexagone aan de beurt. In [een] volgende aflevering[en] richten we de aandacht op respectievelijk de relatie tussen Frankrijk en Italië [mét de nodige zijstappen elders in de Méditerranée], de relatie tussen Italië en Duitsland en de al even problematische verhouding tussen Frankrijk en de Lage Landen [mét het bijbehorende cultuurgebied van de  Noordzee]. In het winternummer 2020/ 2021 van deze Nieuwsbrief zetten we onze verkenning in deze volgorde voort, en wel aan de hand van de volgende vervolgparagrafen onder de voorlopige titels:

=Welke olifanten kunnen Hannibals TGV los trekken? [tussen Parijs en Rome]

=Canossa just around the corner? [tussen Rome en Berlijn]

=Expeditie achter de Bataafse slikken en de boreale ijsbergen [tussen Parijs en Brussel / Den Haag]

=Europa van Eurexit tot en met Eureka?

—–[redactie gesloten 6 november 2020]——

NOTEN

[1]
De  Franse ‘hexagone’ [zeshoek] is  als handig topografisch ezelsbruggetje in de jaren 1880  bedacht door onderwijzers van de nieuwbakken Derde Republiek als schematische weergave van de omtrek van plattegrond van Frankrijk.  Deze zeshoek groeide al vrij snel uit als een uitgesproken politiek logo – want de hexagone geeft natuurlijk de héle omtrek van de grens weer zoals het in de Franse visie hoort , inclusief die scherpe en uitdagende noordwestelijke taartpunt [Elzas-Lotharingen]  die Bismarck er in 1871 net brutaalweg van had afgebeten. Als symbool voor Frankrijk kwam het in de jaren 60 van De Gaulle extra en over der hele linie nadrukkelijk naar voren, tot en met de kopse kant van de franc-munt.

[2]
COVID-19 pandemic in France, paragraaf 2.1.4, zie link:  https://en.wikipedia.org/wiki/COVID-19_pandemic_in_France#Mulhouse_cluster

Naast Zuid Frankrijk [met name de departementen Ardéche, Gard en Drôme, vanouds  belangrijk centra van het evangelicalisme in Frankrijk] heeft de Elzas zich de laatste twee decennia meer en meer ontpopt als andere belangrijke brandhaard binnen de Franse hexagone. Zie ook: Églises évangeliques en France , in: Par Akram Belkaïd en Lamia Oulalou, Expansion de l’évangélisme – L’internationale réactionnaire. In: Le Monde Diplomatique, september 2020, blz. 16

[3]
Een heel mooi exemplaar van die kaart is te vinden in: Jerôme Fourquet, L’archipel francais – Naissance d’une nation multipliée et divisée Parijs [Duseuil] 2019, blz. 125

[4]
Zie o.m.: Emmanuel Todd, Les Luttes de classes en France au XXXIe siècle  Parijs [Duseuil] 2020, blz. 242. Hij baseert zich daarbij op eerder werk van in de vorige noot genoemde Jerôme Fourquet.

[5]
Vooral het werk van de jonge geograaf-cartograaf-statisticus Geoffrey Pion is hier van belang [  https://geoffreypion.com/ ]. Op de betekenis van zijn werk voor de geografische spreiding en reikwijdte van de beweging wordt uitgebreid ingegaan in: Le cycle  Gilets jaunes : 2018 – 1968 , in de hier boven vermelde titel van   Emmanuel Todd,  blz. 275-305

[6]
Zie opnieuw de hierboven genoemde titel van Emmanuel Todd, en dan vooral het derde deel van boek, vanaf blz. 223

[7]
Zie de hier onder noot 2 genoemde titel van Jerôme Fourquet, blz. 120-121 en Todds boek op blz. 352

[8]
De vele pogingen om de hier in de Boven-Rijnvlakte gelegen streken aan weerszijden van de Rijn  tot euregionale interactie  te bewegen zijn nimmer uit de verf gekomen, zie hierover o.m. dit artikel al van zo’n  vijftien jaar geleden: Christophe  Naygyos, La mythe de la coöperation transfrontalière . In: Oú va l’Alsace? Themanummer van Les Saisons ‘d’Alsace Straatsburg 2005, nr. 28

[9]
Ik doel hier op Macrons plannen voor wetgeving tegen ‘separatisme’ in bepaalde islamitische kringen, voor het eerst gelanceerd begin oktober 2020  – meer hierover in noot 11. ‘Neutraliteit’ in de publieke sfeer dient in zijn visie het uitgangspunt te zijn, geheel conform de officiële staatsdoctrine zoals die de Derde Republiek [1870-1940] gestalte kreeg. Die is het product van  fanatiek anticlericalisme, ingegeven door een angst voor de roomskatholieke kerk wiens dominantie menin Republikeinse kringen toen nogn bovenmatig vreesde. Een vrees voortgekomen uit de periode van het Ancien Régime, van vóór de Franse Revolutie dus, met de herroeping van het relatief religie-tolerante Edict van Nantes [1685] als triest dieptepunt. In 1905 zegde de Franse regering het concordaat op dat Napoleon in 1801 met de paus had gesloten. Aldus kwam de scheiding van kerk en staat tot stand, een scheiding die in Frankrijk in de praktijk echter meer en meer is uitgedraaid op een scheiding van kerk en openbaar leven. Daarmee is in de loop der tijd de vrijheid van godsdienst in groeiende mate in gevaar gekomen. De laatste vier decennia van sterke ontkerstening is de grote boeman niet meer Rome, maar de islam: van Vaticanofobie tot islamofobie. Hoe anders is dat in landen waar in tegenstelling tot Frankrijk dankzij de Reformatie al een half milennium geen sprake meer is van een oppermachtig roomskatholicisme. Nederland bijvoorbeeld, waar de revolutionairen van de Bataafse Republiek [1795-1806] de vrijheid van godsdienst mogelijk mede daardoor altijd wél nadrukkelijk in het vaandel hebben gedragen. Het geflirt met met de – typisch Franse – karikaturale en eenzijdige interpretatie van de scheiding tussen kerk en staat die in ons land de laatste jaren her en der in de mode is geraakt is in deze zin dus zeer on-Nederlands!

[10]
«Oublions l’euro, le problème c’est l’islam»  In : Emmanuel Todd, Les Luttes de classes en France au XXXIe siècle  Parijs [Duseuil] 2020, blz. 188-190

[11]
 L’instrumentalisation de Charlie In : idem blz. 194-196

[12]
Zie hierover o.m.:  Emre Ongün, Frances demonization of Muslims is Getting Worse. In: Jacobin, 22 oktober 2020, zie ook link:   https://jacobinmag.com/2020/10/france-islamophobia-secularism-macron-marine-le-pen/?fbclid=IwAR3V0wag3p_8jh0kAzJkt-0zTGGmBugeVd0s9nMDN75uNLrcZ2J3faeeeII

[13]
L’échec du Frexit  »  In : Emmanuel Todd, Les Luttes de classes en France au XXXIe siècle  Parijs [Duseuil] 2020, blz. 328-330

[14]
Zie hierover: Luuk van de Middelaar, Ons ruwe nee stuit op breuk in Duitse denken  In: NRC/ HB  23 mei 2020 , en dan met name deze passage:  “In de monetaire orthodoxie die de euro ooit naar Duitse snit vormgaf – een bastion bewaakt door de Bundesbank en het Karlsruher Hof – komen bressen. Een nieuwe generatie deels in de VS en het VK geschoolde economen zweert niet enkel bij moral hazard en bekleedt nu posities in ambtenarij of journalistiek..”  Dat laatste kan overigens ook heel verkeerd uitpakken, als we daarmee van de Teutoonse ordoliberale drup in de Angelsaksische neoliberale regen geraken. 

[15]
Zie o.m.:

=Jenninifer Rankin,  Group led by Thomas Piketty presents a plan for ‘a fairer Europe’    In: The Guardian  9 dec. 2018 ; zie ook de link:  https://www.theguardian.com/world/2018/dec/09/eu-brexit-piketty-tax-google-facebook-apple-manifesto?CMP=Share_iOSApp_Other&fbclid=IwAR1q8jVWP-yp1uRCLufF4a7R0lYUvhYUt6AHiLKSMrLAJCbNfL9uF29YrGgl

=Thomas Piketty, Our manifesto to save Europe  from itself  In: The Guardian  9 dec. 2018 Zie link: https://www.theguardian.com/commentisfree/2018/dec/09/manifesto-divided-europe-inequality-europeans

=Stephanie Hennette, Thomas Piketty e.a. Naar een democratischer Europa – Voorstel voor een nieuw verdrag Amsterdam [De Bezige Bij] 2017. Daarin  wordt met name gepleit voor de instelling van een eigen parlement voor de eurozone, mét de nodige bevoegdheden.

[16]
Zie deze site, Nieuws/ Zomer 2020

[17]
Ewout Klei,  ‘Als Trump wint, kan Erdohan de rol van regionale pestkop blijven spelen’  In:  De Kanttekening van 30 oktober 2020. zie ook link:  https://dekanttekening.nl/wereld/als-trump-wint-kan-erdogan-de-rol-van-regionale-pestkop-blijven-spelen/?fbclid=IwAR3JTcR1rOvCnH3smIkY26POMDYSHVz2ZK1QRyeyE3lBeK6TBMVm6JxGupE

=====nieuw op de site=========================================================

>onder de knop Dubbelkrimp:

  • PU  (Het water komt  eerder, verder en hoger (In:  nr. 5/ 2020 van De Nederlandse Boekengids)

====projecten in voorbereiding en uitvoering======================================

>>De Grote Droogte van de IJsselvallei  Grote Droogte? Het jaar 2018:  de hele operatie Ruimte voor de Rivier was nog maar net afgerond toen juist toen een uitzonderlijke droogte intrad met alle nadelige gevolgen van dien voor de landbouwoogst en voor het voor de binnenvaart vereiste waterpeil in de rivieren. Onvermijdelijk drong zich de vraag op of het inmiddels geen tijd werd voor een nieuwe generatie aan klimaatadaptatieve ruimtelijke ingrepen. Voor een nieuwe waterstrategie die er niet alleen gericht zou moeten worden op het voorkomen van wateroverlast maar ook zeker zo sterk soelaas moeten kunnen bieden aan het oplossen van dreigende watertekorten. De met de klimaatverandering gepaard gaande steeds sterker optredende en grilliger wordende fluctuaties in de toevoer van rivier- en hemelwater stelt nieuwe waterstrategische eisen op een beduidend breder front: verder de haarvaten van de stroomgebieden in; dieper ook de bodem in, van oppervlakte- naar grondwater. Dus over de hele linie beduidend verder gaande eisen aan de bestaande en potentieel nog te realiseren waterbufferingscapaciteit. De grote watertekorten deden zich (en doen zich in de toekomst waarschijnlijk opnieuw en steeds vaker en langer) voor, niet in de laatste plaats in het relatief als ‘droog’ bekend staande zuiden en oosten des lands – van hoog tot laag, van heuvelrug tot vallei. Nader onderzoek op dit vlak in bepaalde waterstaatkundig en geomorfologisch min of meer afgeronde regionale eenheden is een eerste vereiste om hier over de volle bandbreedte ruimtelijk doeltreffend te kunnen opereren. De IJsselvallei zou voor zo’n onderzoek een heel geschikte regionale eenheid kunnen zijn.  Gelegen tussen Veluwe in het westen en Montferland en Sallandse Heuvelrug in het oosten, tussen de sprengen van de Veluwe in het westen en de stroomgebieden van Oude IJssel, Berkel, Schipbeek, Sallandse weteringen en Overijsselse Vecht in het oosten. Centrale vraag in het onderzoek is hoe nieuw te ontwikkelen waterstrategieën een gunstige invloed kunnen hebben op biodiversiteit, kringlooplandbouw en een hernieuwd evenwicht tussen stad en land. Een multidisciplinair vergelijkend onderzoek naar strategieën en locaties i.s.m. Arjan Nienhuis en overleg met o.m. Waterschap Rijn en IJssel, Provincie Gelderland, Rijkswaterstaat, Deltares, Wageningen University & Research en projectbureau Circular Landscapes (Pieter Veen)  en financieel mede mogelijk gemaakt door het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie te Rotterdam.

>>Woestenij-Ring’ versus ‘EURandstad’ Er is een ‘ Woestenij- Ring’ rond de randen van Europa aan het ontstaan. Een ring van ecologische en sociale woestenij. Ontstaan door de gestage daling van het kindertal die op heel ons continent doorzet. Ontstaan door de klimaatverandering die in het zuiden van Europa hitte en droogte brengt, die in het noordwesten de  laaggelegen Noordzeekusten met het wassende water in gevaar brengt en die in het hoge noorden het smelten van de permafrost veroorzaakt.  Én – last but not least – ontstaan door de even sluipende als onstuitbare werking van de interne markt van een steeds verder uitdijende EU die zorgt voor een ecologische en sociale ontwrichting in de periferie van ons werelddeel. Een interne markt die een migratiebeweging op gang heeft gebracht vanuit de perifere zones naar het economische en urbane kerngebied van het continent, gelegen binnen de stedenzevenhoek van Hamburg, Berlijn, Wenen, Milaan, Parijs, Londen en Brussel/ Benelux-Waaierstad – de ‘EURandstad’. Een megastad die op zijn beurt ondermijnd wordt door ruimtelijke congestie, sterk teruglopende leefbaarheid en groeiende sociale ongelijkheid. Hoe zowel Woestenij-Ring als EURandstad weer duurzaam en leefbaar te krijgen en hoe daarbij zorg te dragen voor de ecologische en sociale cohesie van ons werelddeel? Dat zijn hier de centrale vragen. Een meerjarenproject over de onderlinge wisselwerking tussen demograie, klimaat en economie, in meerdere essayistische afleveringen te verschijnen, om te beginnen op de site www.dubbelkrimp.nl

Nieuws/ Zomer 2020

[“[redactie gesloten 7 maart 2020]” schreef ik in mijn lente-nieuwsbrief. Vlak daarna kwam de Corona-crisis….]  

Hoe de Corona-pandemie de traumatische breuklijnen in het Europese herinneringslandschap bloot legt… [deel I]

 De Corona-pandemie legt de traumatische breuklijnen in het Europese herinneringslandschap bloot. Zo leek vooral Duitsland aanvankelijk het best in staat zijn littekens te kunnen bewältigen, terwijl Nederland zich ontpopte als het vrekkige keffertje.

 Maar Europa bevindt zich niet in een vacuüm. De pandemie had in Amerika nog veel dramatischer en verder gaande gevolgen. De ziekte sloeg er extra hard toe, niet in de laatste plaats onder de sterk achtergestelde en gediscrimineerde zwarte en gekleurde bevolkingsgroepen. En toen eenmaal  de vlam  van het zwarte verzet in de pan sloeg, sloeg die ook vrijwel onmiddellijk over naar Europa. Een Europa dat worstelt met de eigen verdrongen koloniale schuld. In Nederland is de verdringing extra navrant en conflictueus – met aan de ene kant het discriminerende stereotype van Zwarte Piet en de ontkenning van het racistische karakter daarvan aan witte kant van aan de andere kant het al jaren groeiende verzet daar tegen. Nederland deelt die problematische koloniale erfenis met andere [vooral West]Europese landen.

 In Midden- en Oost-Europa likken de regionale grootmachten van weleer, Duitsland en Oostenrijk, nog steeds hun in de vorige eeuw opgelopen wonden en verdringen tegelijk de herinnering aan hun weinig zachtzinnige overheersing van de eigen achtertuin. Ondanks de rake klappen die de Teutonen toen mochten incasseren, is hun impliciete superioriteitsgevoel ten opzichte van ‘Slaven’ en ‘Turken’ er nog steeds niet echt minder om geworden. 

 En dan is er de klassieke breuklijn tussen romaans en germaans die voor een essentieel deel samenvalt met de belangrijke economische en culturele levensader  van het continent – de ader van Vadertje Rijn, contradictoire en traumatische breuklijn én inspirerende contactzone ineen. Belichaamd door de weerbarstige paradox van het eeuwige Lotharingen – de innerlijke schijntegenstelling én de keer op keer hardnekkig weerbarstige werkelijkheid van het legendarische middeleeuwse middenrijk  tussen West- en Oost Frankenland,  later tussen Frankrijk en Duitsland en daarmee tegelijk tussen Zuid- en Noord-Europa heden ten dage.  

 Hier een speurtocht naar de Europese breuklijnen, van voor de hand liggend tot verholen en verdrongen: van Nordfriesland tot Algiers en van Noord Ierland tot de Krim. Een speurtocht naar de gevaren en de kansen die deze lijnen kunnen herbergen, tussen Eurexit en Eureka.   

 

=Gaat Duitsland echt over de eigen ordoliberale schaduw heen springen? 

Een grote angst om diep in de schulden te raken. Dat vormde tijdens de vorige crisis [2008/2010] de belangrijkste drijfveer voor landen als Duitsland en Nederland om in Europa de hand stevig op de knip te houden. In Duitsland rakelde de eurocrisis weer de herinnering op aan de hyperinflatie van vlak na de Eerste Wereldoorlog. In Nederland lag de kern van de angst in de obsessieve spaar- en verdienzucht die sinds onze zogeheten ‘Gouden Eeuw’ het wezenskernmerk van ons geharnaste handelskapitalisme vormt. Nog steeds, tot op de dag van vandaag.

Nu, tijdens de huidige ‘Coronacrisis’, lopen de Teutoonse en Bataafse opvattingen hoe deze nieuwe crisis te bestrijden echter opeens opvallend sterk uiteen. Dat vindt waarschijnlijk zijn oorzaak in het verschillende karakter van de gelaagdheid van de collectieve herinnering in beide landen. In Duitsland heeft de pandemie de herinnering aan een nog veel diepere angst aan het licht gebracht. Dat is de herinnering aan de totale chaos en ontreddering die de gebieden die tegenwoordig Duitsland vormen doormaakten in de eerste helft van de 17e eeuw. Jawel – de tijd de Dertigjarige Oorlog [1618 – 1648]. Die oorlog vormde het eind van een periode van anderhalve eeuw waarin niet alleen sprake was van oorlogen, politiek staatkundige versnippering en godsdienstgeschillen maar ook van klimatologische en economische crises. Daarbij staken regelmatig diverse ziektes weer de kop op – waaronder de gevreesde pest.  Na de Dertigjarige Oorlog was de bevolking in Midden Europa compleet gedecimeerd. Die eeuwenoude herinnering komt in ‘Duitsland’ weer boven in een dreigend diepe crisis als de huidige. Dan ontstaat de behoefte toch vooral de zaak ‘bij elkaar te willen houden’  – in eigen land én op eigen continent. Geheel in lijn met die behoefte was de snelheid waarmee Duitsland begin dit jaar opeens over de eigen schaduw heen sprong. Zelfs Wolfgang Schäuble, jarenlang de geharnaste minister van financiën van Duitsland sprak met afgrijzen over de vrekkige weigerachtigheid van Wopke Hoekstra te investeren in Zuid Europa bij het uitbreken van de crisis. Schäuble nota bene, die tijdens de Eurocrisis vanaf 2010 altijd onwrikbaar was  waar het ging  om de handhaving van de begrotingsdiscipline bij de zuidelijke EU-lidstaten. Begrotingsdiscipline – dat was  het alfa en omega van het Wirtschaftswunder  tijdens de Duitse wederopbouw, het paradepaardje van Erhards soziale Marktwirtschaft. Het was ook het economische adagium dat Duitsland altijd al zo graag probeerde op te leggen aan de EEG, later de EU – ook,  ja juist in tijden van crisis. Het vormde samen de greep die het [west]Duitse bedrijfsleven na de Wende had gekregen op de industrie in het voormalige oostblok de als onverwoestbaar oersolide geachte basis van wat we hier op deze site al eerder ironisch-sarcastisch het Heilige Ordoliberale Rijk van de door Duitsland gedomineerde Europese Econimie doopten [1].  Natuurlijk, de economie van dat Heilige Rijk was de laatste  tijd al wel wat sleets geworden – niet in de laatste plaats veroorzaakt  door metaalmoeheid op innovatief  vlak, maar er bestond verder weinig directe aanleiding om het budgettaire roer begin dit jaar zo radicaal en abrupt om te gooien als onlangs gebeurde. Angstvisioenen uit de diepste krochten van het Duitse collectieve geheugen moeten hierbij toch echt de doorslaggevende rol in gespeeld hebben en doen dat nog steeds. Maar hoe blijvend is het resultaat van de Teutoonse sprong over de eigen schaduw zodra het Corona-spook weer geweken lijkt? Keert de Duitse economische en politieke elite dan, eenmaal van de ergste schik bekomen,  spoorslags op de ordoliberale schreden terug?  Dikke kans dat dit inderdaad gebeurt, maar dan wel in combinatie met een nog sterker aanleunen tegen de reserves in het Midden- en Oost-Europese achterland. Maar dan wel in de vorm van een heel selectief aanleunen waarbij vakkundig de economische krenten uit de Midden- en Oost-Europese pap gepikt worden. Maar dat vosachtige kunstje is Duitsland vanouds wel toevertrouwd. Wie wordt hier de Genscher van de 21e eeuw?

=Nederland: van trotse Republiek tot  Anglo-Amerikaanse Vijfde Colonne?  

Hoe anders leeft dit alles voort in de Nederlandse collectieve herinnering. De Dertigjarige Oorlog vormde ‘bij ons’ uiteindelijk de uiterst glorieuze staart van de ‘eigen’ Tachtigjarige Oorlog. Met als eindbeloning een eigen Republiek, én los van de gehate Habsburgse koning van ‘Hispanje’ én los van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Na de glorieuze afloop van de Tachtig- dan wel Dertigjarige Oorlog  was de Nederlandse Republiek  itgegroeid tot een natie die blaakte van rijkdom, zelfvertrouwen en zelfvoldaanheid. Een zelfde gevoel van zelfvertrouwen dat het hedendaagse Nederland beving toen het na de crisis van 2008 – 2010 plotseling sneller dan ooit omhoog schoot. De BV Nederland als onbetwistbare kampioen van de efficiency van de just-in-time-verdienmodellen. Maar toen de Corona-crisis zich aandiende kwam vrij snel de keerzijde van die verdienmodellen pijnlijk aan het licht. Hals over kop moest  Nederland assistentie vragen bij de grote oosterbuur omdat bij ons een tekort  aan ic-capaciteit naakte. Zo moest bijvoorbeeld het ziekenhuis in Zwolle dat lelijk overbelast dreigde te raken door de corona-uitbraken in de Kop van Overijssel en op de noordelijke Veluwe, in der haast zijn toevlucht nemen tot het ziekenhuis in het Duitse Münster.

Münster – dat is ook de stad waar in 1648 de Nederlandse Republiek zijn glorierijke vredesverdrag mocht sluiten. Münster is tegenwoordig een opvallend rijke stad, onderdeel van de gouden rand van de economisch maar heel bescheiden presterende Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Het zijn dergelijke sociale en economische ongelijkheden die het verdienen om overwonnen te worden. Want Duitsland wil wél de boel bij elkaar houden’, zoals we al eerder signaleerden.  Nederland mist vooralsnog dat besef en die behoefte. Het lijkt zich daarentegen obsessief vast te willen klampen aan de mythes rond de reeds lang  vervlogen Gouden  Eeuw. Een eeuw die eigenlijk  al in 1688 met de Glorious Revolution ten einde was gekomen.  Militair en geo-politiek vormde de invasie van stadhouder Willem III in Engeland om de katholieke koning Jacobus II te onttronen een eclatante overwinning op katholiek Europa onder leiding van het absolutistische Frankrijk van Lodewijk XIV, maar tegelijk plaveide de personele unie tussen de aartsrivalen Engeland en Nederland juist de weg voor de opbouw van het uiteindelijk wereldomspannende Britse Empire. Sindsdien is de Nederlandse positie eigenlijk niet meer dan een voetnoot bij de wereldgeschiedenis. Na het Congres van Wenen in 1815 degradeerden de Lage Landen tot een Brits protectoraat op het Europese vasteland, na de Tweede Wereldoorlog tot verlengstuk van de V.S. Van dat verlies aan geopolitieke gewicht heeft  het in de loop der tijd toch wat ingeslapen land de laatste eeuwen voor het eigen gevoel overigens weinig last gehad.  Maar nu, na de Brexit, ziet het plotseling uit een nachtmerrie wakker geschudde Holland dat het hopeloos klem dreigt te komen zitten tussen het Amerika van een even gevaarlijk als kwaadaardig lunatische Trump en het Europa van  een steeds eigenstandiger en trefzekerder opererende Merkel. Hoe lang denkt het nog ongestraft zijn rol te kunnen spelen als Vijfde Colonne van het Anglo-Amerikaanse neoliberalisme op het Europese vasteland?  Een rol die overigens al veel langer op gespannen voet staat met de verhoudingen binnen het  Nederlandse bedrijfsleven.  Eigenlijk al sinds de opkomst van het Duitse Ruhrgebied in de tweede helft van de 19e eeuw kent de Nederlandse economische elite namelijk twee sterk tegen over elkaar staande partijen, de Noord-Atlantische en de continentale. Het lastige parket waar de Hollandse economische elite op dit moment in dit verband in verzeild is geraakt  kan heel treffend geïllustreerd worden aan de hand van de heikele positie van de nationale bedrijfsiconen  in de huidige crisis.  Shell, Unilever en Hoogovens [in Tata-verband gekoppeld aan British Steel] dreigen vroeg of laat in de Brexit-versnipperaar terecht te komen. Aan de andere kant  worden KLM/Schiphol en de Nederlandse sterk op de export gerichte bioindustrie alleen maar meer en meer afhankelijk van de in Nederland  zo voorspelbaar werktuiglijk verfoeide  Brusselse beslismachine.  Zou een op economisch vlak zo  sterk verdeelde nationale elite in een dergelijke penibele situatie überhaupt in staat zijn Nederland als land opnieuw met succes te definiëren? Met het inmiddels tot op de draad versleten cliché van Nederland als Besloten Vennootschap gaat dat in ieder geval nooit lukken. En de meeste andere culturele of politiek-ideologische  concepten, symbolen en tradities lijken inmiddels ook  hun samenbindende werking ruimschoots te hebben verloren – van de tot vervelens bejubelde ‘tolerantie’ tot en met de steeds feller omstreden Zwarte Piet. Nee, op eigen kracht zal het Nederland inderdaad niet lukken zichzelf opnieuw overtuigend uit te vinden. Hoe harder de Brexit bij dit alles uitpakt des te beslister zal de economische en politieke elite van het steenrijke Holland zijn toevlucht moeten zoeken bij Berlijn. Dat moet dan natuurlijk wel heel omfloerst gebeuren om de draai goed op de binnenlandse Bühne te kunnen verkopen. Maar dat kunstje is Mark Rutte wel toevertrouwd…

=Midden- en Oost-Europa: de Duitse achtertuin als eeuwig wingewest en cordon sanitaire?

Vrij snel na de opheffing van de lockdown in juni [2020] bracht de Corona-pandemie zowel in  Duitsland als Nederland op pijnlijke wijze de minder fraaie kanten van het Heilige Ordoliberale Rijk  van de door Duitsland gedomineerde Europese Economie aan het licht. Er braken in diverse slachterijen aan weerszijden van de grens felle uitbraken van het virus uit, veroorzaakt door de slechte arbeids- en huisvestingsomstandigheden van de veelal uit Oost Europa afkomstige arbeidsmigranten. Het gangbare rooskleurige plaatje van een economisch bestel gebaseerd op geavanceerde technologie  en humane arbeidsverhoudingen kwam hiermee wel in een heel schril daglicht te staan. De uitbuiting van het Heilige Rijk blijkt hiermee niet alleen veilig op afstand plaats te vinden, ver weg in de lagelonen-zônes in de Oost-Europese periferie, maar ook ‘gewoon’ just around the corner. En niet alleen in de slachterijen,  maar ook in de grijze dozen van de transportlogistiek centra, in de glazen wereld  van de tuinbouwkas en op de immer bezige bouw. En daarmee ook in de abonimabele woononderkomens die daarbij helaas bij horen, van krakkemikkig tot ‘pensioen’ verbouwd overbevolkt appartement tot doorrottende stacaravan. Het is de schaamteloze leugen van het rijke Noord Europa dat zo graag afgeeft op de spreekwoordelijke luiheid van de Zuid Europaan en intussen niet te beroerd is zijn eigen werkers uit het oosten van ons werelddeel met minimaal fatsoen te behandelen. Nederland doet in opzicht helaas geen millimeter onder voor zijn oosterbuur. Sterker nog in het behandelen van Midden- en Oost-Europa als wingewest heeft  ‘Holland’ trouwens de oudste rechten.  Jawel, die oudste rechten houden verband met de befaamde zogeheten ‘Moedernegotie‘ , de handel met het Oostzeegebied waarmee Amsterdam en de Westfriese steden in de loop van de 15e eeuw het monopolie van het hanzevebond met succes wist te door breken door hier zelf betrekkingen aan te gaan, met andere, vaak verder stroomopwaarts gelegen nederzettingen. Zo ontstond een compleet handelsnetwerk mét grote gevolgen voor het achterland. Polen werd bijvoorbeeld in de 17e eeuw en soort agrarisch district van de Nederlandse Republiek – met grootschalige landbouwontginningen in het bassin van de Weichsel – een derde van de rogge-oogst vond zijn weg naar Holland. Een grensoverschrijdend economisch netwerk  met horigheid en lijfeigenschap in het oosten als bestanddelen dus.Het blijft in dit verband overigens opmerkelijk dat dit Hollandse  commerciële ‘kolonialisme’  tot nu toe aan de aandacht van de aandacht van hedendaagse activisten is ontsnapt.

Heden ten dage speelt Duitsland natuurlijk de hoofdrol waar het gaat om de uitbating van het Europese oostelijke achterland, waarbij Pruisen zich in de loop der tijd ontpopte als dominante macht binnen de Duitse invloedsfeer. Pruisen met zijn eigen buiten het Heilige Roomse Rijk  oostelijke speerpunt Oost Pruisen. Want het oosten was hier de ‘barbaar’, de ‘vreemdeling’. Die werd  natuurlijk allereerst belichaamd door de Slavische volkeren. De superioriteitgevoelens tegenover hen deelden de Noord Duitse Hohenzollerns met de Oostenrijkse Habsburgers. Maar Wenen kende in het oosten naast de Slaven in het zuidoosten nog een andere ‘barbaarse’ macht, de Turken. In 1683 had het Turkse leger immers nog voor de poorten van Wenen gestaan….

Na de Eerste Wereldoorlog veranderde het landschap van Midden- en Oost-Europa grondig. Het Osmaanse Rijk en Oostenrijk-Hongarije stortten ineen en Pruisen werd door de geallieerde overwinnaars danig gekortwiekt. Maar veel belangrijker was het ontstaan van de Sovjet Unie, het grote schrikbeeld voor burgerlijk Europa. Vóór alles moest er daarom voor gewaakt worden dat de rebelse rode macht ook zijn invloed maar een millimeter westwaarts kon uitbreiden. De kwetsbare nieuwbakken ‘Slavische’ staten die uit de puinhopen van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie waren voortgekomen moesten koste wat kost overeind gehouden worden, hoe weinig democratisch en ‘failed’ ook. En soort cordon sanitaire dus. Heel burgerlijk Europa verenigde zich onder die anticommunistische vlag. Tegelijk bood die angst voor het communisme bood de politieke ruimte voor de opkomst van het fascisme.

Na de Tweede Wereldoorlog waren de rollen weer radicaal omgedraaid. Midden- en Oost-Europa werden nu onderdeel van het stalinistische Oostblok en raakten daardoor geo-economisch geheel gericht op het oosten. Maar toen kwam de Val van de Muur in 1989, ruim vier decennia later. De breuk had niet radicaler kunnen zijn. En wel op de volgende drie terreinen:

Sociaal-economisch

Het zwaarste en schadelijkste van het communisme is per saldo de afschaffing ervan geweest – dat   is een veel gehoorde boutade in het voormalige Oostblok en de voormalige Sovjet Unie.  Dat betreft allereerst de sociale gevolgen van de wonderbaarlijke implosie van een systeem en vooral de invoering van het wilde kapitalisme dat er voor in de plaats kwam. De landen uit het voormalige Oostblok zijn na de Val van de Muur zonder pardon overgenomen door het westerse, vooral West-Duitse bedrijfsleven . Midden- en Oost-Europa werden hiermee onderdeel van een verdienmodel waarbij dankbaar gebruik werd van de inzet van relatief goedkope arbeid praktisch om de hoek waarmee vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw met succes de strijd met de concurrentie buiten Europa aangegaan kon worden. Een en ander had als neveneffect dat er ook een sterk drukkende invloed op de lonen en arbeidsomstandigheden in West-Europa uitgeoefend kon worden – het mes sneed dus aan twee kanten  [2].  Voor Midden – en Oost-Europa waren de gevolgen natuurlijk verreweg het meest dramatisch. Werkloosheid,  groeiende inkomensgelijkheid, grote  prijsverhogingen, privatisering en afbraak van sociale voorzieningen  [3] – het leidde in het oosten tot een ontwrichting van de algehele  maatschappelijke  stofwisseling.

-Demografisch

Want de ellende bleef niet beperkt tot de economie maar deed zich ook voelen op het vlak van de  demografie en de volksgezondheid. In de landen van het voormalige oostblok en de voormalige Sovjet Unie  vond de afgelopen een dramatische krimp van de bevolking plaats. Het gaat hier om dubbele demografische krimp: én ‘natuurlijke’ krimp door de afname van de bestaande bevolking  én door emigratie. De ‘natuurlijk’ krimp vond zijn oorzaak in zowel de daling van het kindertal als in een sterke achteruitgang in de groei van de levensverwachting en zelfs soms in een absolute daling van de levensverwachting zoals in Rusland. In Deze ’natuurlijke’ demografische krimp heeft  in combinatie met de al in gang zijnde sociaal-economische ontwrichting over de hele linie een westwaartse migratiebeweging ontketend, een beweging waardoor de onttakeling van economie en samenleving nog verder doorzette. Het is een neergaande demografisch-sociaal-economische spiraal waar landen alleen wisten te ontsnappen als men bij machte was, gesteund door een betrekkelijk goed ontwikkeld midden – en kleinbedrijf, tegenwicht te bieden aan neoliberale privatiserings- en loondictaten uit westerse koker. Alleen toch al behoorlijk ontwikkelde landen als Tsjechië en Slovenië is dat gelukt [4] .

-Etnisch-cultureel

Toch kunnen deze dramatische sociaal-economische en demografische ontwikkelingen alléén niet de nationalistisch-autoritaire richting verklaren die de politiek in diverse Midden- en Oost-Europese landen is ingeslagen. Dat nationalisme is beter te begrijpen als we er ook de zwakke basis van de  nieuwe natiestaten die in de 20e eeuw ontstonden bij betrekken.

Na de Eerste Wereldoorlog  ontstond uit de etnische lappendeken van het grondgebied van de uiteenvallende Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie een hele reeks staten die maar zeer ten dele correspondeerden met de onderliggende etnische kaart. Het resultaat daarvan is dat deze staten binnen eigen grondgebied grote etnische minderheden kennen en op hun beurt veel ‘eigen volk’ in aangrenzende landen herbergen [5].  Een gammele etnische basis van voor een vaak primair etnisch gedefinieerde nationale identiteit dus. En dat is helaas godenspijs voor een assertief en agressief geprofileerd nationalisme. Hongarije is er wel het schoolvoorbeeld van, een land dat veel landgenoten buiten de eigen landsgrenzen kent en bovendien een door zijn fingoerisch linguistische  identiteit een sterk  gevoel van isolement koestert temidden van de omringende slavische talen.  De kwestie van de in het omringende buitenland verblijvende Hongaarse landgenoten werd rond de eeuwwisseling van het jaar 2000, juist toen  de huwelijksvruchtbaarheid naar beneden duikelde en de emigratie zich versneld doorzette, met angstaanjagend succes boven aan de nationalistische politieke agenda gezet.  Daarmee wist Orban met succes het decennium later de basis te leggen voor de huidige xenofobe vreemdelingenpolitiek [6].

Het geval van het autoritaire nationalisme in Polen is vergelijkbaar verklaarbaar, maar ligt toch net iets anders. Na de Tweede Wereldoorlog schoof het Poolse territorium naar het westen op waarbij grote delen van het oosten van Duitsland zoals stukken van Pommeren, Silezië en Oost Pruisen bij Polen ingelijfd werden [7]. Al werd een flink deelvan de Duitse  bevolking  daarbij verdreven, de verschillen tussen deze voormalige  Duitse gebieden en de rest van Polen zijn tot op de dag van vandaag onmiskenbaar – bijvoorbeeld in de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2015 [8]. Net als Hongarije kent Polen een geo-cultureel isolement, in dit geval geen linguïstisch maar een religieus isolement, als katholiek land ingeklemd als het is tussen het Noord- en Oost-Duitse lutherse protestantisme in het westen en de Russische orthodoxie in het oosten. Vooral de dreiging uit het oosten wordt daarbij gevoeld. Om de toevloed van arbeidsmigranten uit Wit Rusland en de Oekraïne te keren probeert de Poolse overheid recentelijk zelfs op grote schaal arbeidskrachten uit de evenals Polen zeer katholieke Filippijnen te ronselen.

-Balans: een deel van Oost Europa terug naar de tweede rang?

Zoals al eerder aangegeven dat het vooral de [West-]Duitse industrie die na de Val van de Muur het meest geprofiteerd van de nabije relatief goedkope arbeid in overgenomen of sindsdien nieuw opgerichte bedrijven in Midden- en Oost-Europa. Zowel in de kern – het voormalige West Duitsland – als in de randgebieden – in Midden- en Oost-Europa  – begint dit ‘Heilige Ordoliberale Rijk van de door Duitsland gedomineerde Europese economie’ nu flink te kraken . In het economisch heel aarzelend en bescheiden opkrabbelende Midden- en Oost-Europa groeit de onvrede over de gigantische loonkloof tussen het eigen relatief lage loon en de veel hogere lonen in Duitsland, hetgeen hier en daar meer en meer tot felle stakingen voor loonsverhoging leidt [9]. Als de loonkloof hierdoor gaat verkleinen dan kan de economische basis onder het hele bouwwerk vanboven genoemd heilig rijk beduidend sneller dan verwacht ondermijnd worden. En daarmee kan ook de alom bewierookte Konkurrenzfähigkeit van de Duitse industrie serieus in de problemen komen. De Franse productiviteit per netto arbeidsuur ligt namelijk inmiddels zeker zo hoog als de Duitse. Door het reservoir aan relatief goedkope arbeid binnen eigen Europese Wirtschaftsraum is Duitsland op technisch-innovatief opzicht relatief lui geworden en loopt mede daardoor op ICT-domeinen internationaal beslist niet voorop. De grote macht van de rijke familiebedrijven in Duitsland is daar ook debet aan. Families zijn lang niet altijd de beste managers en hun financiële voorkeuren kunnen de economisch en technisch beste keuzes vaak danig in de weg zitten [10].

Als mogelijke uitweg uit de doodlopende weg van de inzet van  goedkope nabije arbeid zet de Duitse industrie nu vooral in op selectieve robotisering van haar (vooral machine- en auto-)industrie  en dan met name in landen die economisch, innovatief en qua opleidingsniveau toch al vooruit lopen zoals Tsjechië, Slowakije en Slovenië – landen die we in dit verband al eerder noemden. Die landen kennen nu al een Europees gezien relatief hoge  robotiseringsgraad terwijl landen als Hongarije en vooral Polen juist op dit vlak opvallend  ver achterblijven. Zouden zo de economisch-technologische ontwikkelingen ook politiek hun schaduw vooruit kunnen werpen en zo als een self fulfilling profecy te gaan werken.  Er zijn tekenen dat rechtstatelijke ‘boosdoeners’  als Hongarije en Polen door internationale industriële investeerders inmiddels meer en meer gemeden worden, al lijkt dat in het geval van de Hongaarse auto-industrie vooralsnog nog wel los te lopen. In een vergelijkbare politiek afkeurende zin als bij Polen en Hongarije wordt steeds vaker heel misprijzend gesproken over om hun corruptie gesmade Oost-Europese landen als Roemenië en Bulgarije. Het gaat dan om landen die op innovatief-industrieel gebied  nog veel minder potentie bezitten dan een Hongarije of een Polen, maar wel interessant genoeg zijn als commercieel ‘jachtgebied’ op het vlak van agrarische productie en grondstoffen voor buitenlandse investeerders  – dat is waarschijnlijk de reden waarom ze met enige graagte de EU binnengehaald werden [11]. Van een soortgelijke rol als nuttig achterland in de vorm van agrarisch producent en leverancier van industriële grondstoffen voor Noordwest-Europese bedrijven is ook sprake bij de inmiddels via een associatieverdrag met  de EU  verbonden Oekraïne. Je zou je in dit verband kunnen afvragen of er al niet in bepaalde kringen al stiekem gedroomd wordt van een tersluikse Europese degradatie van bepaalde Oost-Europese EU-lidstaten tot een soort defacto-associatiestatus. Zo’n afgewaardeerde status biedt nog steeds voldoende mogelijkheden voor penetratie door internationale – vooral West-Europese – investeerders maar werpt tegelijk de nodige barrières op om als  dam tegen een teveel arbeidsmigranten van oost naar west te kunnen fungeren, al blijft er natuurlijk  tezelfdertijd in het westen meer dan behoefte aan een – mits  zorgvuldig-angstvallig gedoseerde – arbeidsmigratie vanuit het oosten.  Wie verzint een nieuwe even rozig klinkende als cynisch verhullende naam voor een dergelijk EU-lidmaatschap van de tweede rang?

-Tot slot

Midden- en Oost-Europa heeft de Corona-pandemie  opvallend beter doorstaan dan de landen in het westen van het werelddeel. Het heeft het oosten het broodnodige zelfvertrouwen gegeven dat het de afgelopen drie decennia zo node gemist heeft. Want er is hier sprake van een uitgestrekt gebied dat het de laatste honderd jaar door de uiterst ongelukkige speling van de geschiedenis danig getraumatiseerd is geraakt. Meermalen heen en weer geslingerd tussen oost en west, communistisch en kapitalistisch, democratisch en totalitair likt het ieder gevoel van eigen waarde en vertrouwen in eigen kunnen verloren te hebben. De Wende van 1989 leek eindelijk echt een nieuwe era aan te kondigen. Des te groter was de desillusie toen heel veel anders uitpakte . Zij in het voormalige Oostblok die zich indertijd hadden verzet tegen de stalinistische repressie als Charta 77 in Tsjechoslowakije hadden geen herstel van het kapitalisme op het oog, maar droomden veeleer van een soort welvarend scandinavisch sociaaldemocratisch systeem. Geen wonder dat de vreugde die het ophalen van het IJzeren Gordijn met zich mee bracht snel omsloeg toen het kapitalisme zijn ware gedaante onthulde. Zo herinnert bijvoorbeeld Anna Sabotova, Tsjechische strijdsters voor mensenrechten, zich de koude douche die toen al gauw neerkwam. Er was opeens weinig respect voor de armen. Heel snel werd duidelijk dat een fors deel van de samenleving tot de verliezers zou gaan behoren. Louter functioneel herstelde er wel iets van een sociale orde, maar de broodnodige sociale cohesie viel weg, de mensen bleven onbeschermd achter [12]. Daarmee ontstond een vruchtbare voedingsbodem voor een steeds dieper gevoeld ressentiment, tegenover bijna alles en iedereen – het stalinisme van vroeger, de hedendaagse arrogantie van het rijke West Europa, vreemdelingen in het algemeen. Het is dezelfde voedingsbodem waarop autoritaire leiders in Polen en Hongarije heden ten dage met succes weten te oogsten. Het allerdomste en -kwalijkste dat wij in dit verband als rijke gepriviligieerde Noordwest-Europeanen kunnen doen is om in het uiterst misleidende frame van de tegenstelling tussen ‘liberalisme’ en ‘populisme’ te trappen. Hier is het juist van het grootste belang dat de authentieke beweging voor een sociaal- economisch radicaal en politiek al even radicaal democratisch socialisme die een belangrijk bestanddeel vormde van de Oost-Europese verzetsbeweging tegen het stalinisme zijn plaats en prestige herkrijgt in de collectieve herinnering van Midden-en Oost-Europa. En tegelijk als aanzet en stimulans voor een hernieuwd hedendaagse politieke praktijk.

**WORDT VERVOLGD** in het herfstnummer 2020 van deze Nieuwsbrief aan de hand van een drietal vervolgparagrafen onder de voorlopige titels:

=Een Zuid-Europese revolutie achter de Lotharingse breuklijn, maar in welke richting?

=Wat te doen met de PostBrexit- en PostCorona-kilte in Noordzee-Europa?

=Europa van Eurexit tot en met Eureka?

 

Noten

[1]
Zie:  Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand In: Le Monde Diplomatique februari 2018, blz. 13

[2]
Zie o.m. :
-Julien Lefilleur, Géographie industrielle  de l’Europe centrale et orientale  Parijs [Ed. L’Harmattan]  2010
en Christian Odendahl,  The Hartz Myth – A closer look at Germany’s labour market reforms  Londen [Centre for European reform]  Juli 2017 

[3]
Zie o.m.
-Laila Porras, Inégalités  de revenus et pauvreté dans la transformation post-socialiste – Une Analyse institutionelle des vas tchèque, hongrois et russe Parijs [Ed. L’Harmattan] 2013
Met de booming conjunctuur van de afgelopen jaren kennen diverse Midden-Europese landen nu juist natuurlijk een groot tekort aan arbeidskrachten omdat de daaraan vooraf gaande crisisjaren er juist extra mensen om werk naar het westen zijn getrokken. Men probeert de nood te lenigen door –  noodgedwongen,  vaak contre coeur – arbeiders uit het oosten, bijvoorbeeld uit de Oekraïne,  aan  te trekken.

[4]
Zie o.m. : Philippe Descamps, Paysage après la transition en andere artikelen i het dossier Bouleversement démografique en Europe in : Le Monde diplomatique juni 2018, blz. 13-18

[5]
Voor een beeld van de etnische lappendeken in Midden en Oost-Europa in relatie met natievorming in de 20e eeuw zie: Europa nach dem 1. Weltkrieg 91918- 1937) – Nationalitäten im zwischeneuropäischen Grenzraum en  Kaart  in: Westermann Grosser Atlas zur Weltgeschichte  Braunschweig  1972 [2], blz.  151 

[6]
Zie: Corentin Léotard en Ludovic Lepeltier-Kutasi, Un fonds decommerce pour les nationalistes hongrois In:  Le Monde diplomatique juni 2018, blz. 16

[7]
Das geteilte Deutschland – Deutschland nach 1949  Kaart in:  Westermann Grosser Atlas zur Weltgeschichte  Braunschweig  1972 [2], blz. 161

[8]
Hier een kaart van de uitslag van de Poolse presidentsverkiezingen van 2015:  in de voormalige Duitse gebieden en grote steden als Warschau en Krakau scoort de Liberale partij Burgerplatform het best, in de rest vaan het land de nationalistisch conservatieve partij Recht en Rechtvaardigheid > zie link:  https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/2/2c/Wybory_prezydenckie_2015_I_tura_mapa.png
De eerste ronde presidentsverkiezingen van eind juni 2020 lijken een vergelijkbaar beeld te laten zien, maar het is nog afwachten hoe een en ander uiteindelijk uitpakt in de tweede ronde [de kopij voor dit artikel werd 30 juni gesloten].

[9]
Als goed voorbeeld geldt de forse loonsverhoging als gevolg van een geslaagde staking [de eerste sinds de jaren 90!] in de Volkswagenfabriek in Bratislava – zie: Philippe Descamps, Victoire ouvrière chez Volkswagen In:  Le Monde diplomatique  September 2017, blz. 5; het betreft hier een kadertekst binnen een groter artikel met de veelzeggende titel  Souverainité économique limitée de l’Europe centrale – Désanchantement européen en Slowaquie, blz 4-5

[10]
Zie: Marcel Fratzscher, Verteilungskampf  – Warum Deutschland immer ungleicher wird München [Hanser] 2016; Hoofdstuk 19:  Im Land der reichen Familienunterhehmen , blz. 148

[11]
Over de openlegging van het Roemeense platteland voor buitenlandse agrarische investeerders en rol die de EU daarbij   speelt zie bijvoorbeeld:  Pierre Sochon, Evangélistes de Bruxelles dans les campagnes roumaines . In: Le Monde diplomatique februari 2014

[12]
Geciteerd in: Sylvie Kaufmann, Après le rideau de fer, la fracture democratique In: Le Monde  26 juli 2018 , blz. 18-19. Vergelijkbaar diepe teleurstellingen zijn op te tekenen in andere landen die vroeger deel uitmaakten van het voormalige Oostblok, naast Tsjechoslowakije met name ook Polen. Tal van socialistische vakbondsactivisten raakten na de Wende klem tussen de machinaties van de oude apparatsjiks die toen met succes oude posities wisten te behouden of nieuwe carrières wisten op te bouwen en de vaan juist uitgesproken kapitalistische ambities van voormalige vakbondskameraden en zich daarbij als reactie op het stalinisme van de voorafgaande grauwe veertig jaren in de ban raakten van de pompa van het cultureel uiterst repressieve conservatisme van de kerk. Het is hier zaak dat de authentieke beweging voor een democratisch socialisme die een belangrijk bestanddeel vormde van de Oost-Europese verzetsbeweging tegen het stalinisme zijn plaats en prestige herkrijgt in de collectieve herinnering van Midden-en Oost-Europa. Zie hierover ook: Catherine Samary,  Des mouvements oblitérés par les discours de lápres 1989 – Quand les peuples de l‘Est luttaient au nom de l’idéal communiste  In : Le Monde diplomatique  Maart 2020, blz 22/23

Nieuws/ Lente2020

Van Thüringen tot Brabant…

Op weg op de glijbaan van liberalisme naar fascisme…?

“Wezenlijk voor fascisme, in de conceptualisering ervan door Benjamin, is dat het de massa – de natie – bijeenroept, verzamelt zichzelf laat ervaren zonder iets fundamenteels te veranderen aan de kapitalistische eigendomsverhoudingen [1] .  Het geeft de kleinburger met klasse-valangst iets om zich aan vast te houden. Het geeft het proletariaat dat concurrentie uit koloniale landen krijgt een project om onderdeel van te zijn. Het geeft mannen die concurrentie krijgen van vrouwen een hernieuwde ankering in een via eeuwenoude mythes gelegitimeerd patriarchaat. Het geeft ieder die dominantie en privilege verliest een collectieve extase, een geweldproject om in leeg te lopen, om ontlast te worden van het woekeren van alles wat zich niet tot, wit, man, et cetera liet reduceren, en om de ontlasting tot last van diegenen te maken die alt al met de expansie van koloniale settlers te maken hadden.”

Aldus de scherpzinnige links-van-linkse socioloog Willem Schinkel in het laatste grote boek dat hij schreef, dit maal samen met collega-onderzoeker Rogier van Reekum [2]. In hun visie is fascisme niet iets van damals, niet iets unieks-historisch, maar iets dat ieder moment weer kan opduiken en zich breed maken zolang samenleving en economie gedicteerd worden door de zich van mens en natuur vervreemdende ongerijmdheden van het kapitalisme met zijn obsessieve accumulatiedynamiek. Vanuit deze optiek bezien staat liberalisme als ideologie bij uitstek van het kapitalisme niet fundamenteel haaks op fascisme – zoals main stream links zichzelf geruststellend  maar al te graag wijs maakt – , maar herbergt juist de potentie in zich om uit de monden in fascisme – het fascisme als hoogste stadium van het liberalisme om de oude Lenin even gekscherend als cynisch te parafraseren.

Heden ten dage is de dreiging een opleving van fascisme – vaak in nieuwe hedendaagse outfit gestoken, maar daarom voor de goede waarnemer nog niet minder herkenbaar – actueler dan ooit. Om die dreiging te kunnen herkennen hoeven we niet ver van huis te gaan. In zowel in eigen land als bij de oosterburen – zij het daar in beduidend mindere mate – schuift het maatschappelijke en culturele vertoog van middenpartijen en hun maatschappelijke ‘middenveld’ steeds verder naar rechts op, van centrum-rechts naar extreem-rechts. Zowel centrum-rechts als mainstream-links zijn het initiatief in het debat inmiddels volledig kwijt geraakt en sluiten zich angstvallig aan bij de door extreem rechts gedicteerde thema’s om toch vooral maar niet geïdentificeerd te worden met de duistere krachten die ons Heilige Avondland van buitenaf zouden bedreigen. Op het eerste gezicht is deze verschuiving naar rechts vooral een geleidelijk, sluipend proces waarbij rechts-buiten er gelukkig vooralsnog niet bij machte lijkt te zijn een blijvend dominante positie te veroveren – gelukkig, zo stelt het midden van het politieke spectrum zichzelf maar al te graag gerust. Maar dat zou wel eens struisvogelpolitiek kunnen blijken. Inmiddels wijst steeds meer er op dat de verschuiving naar rechts de komende jaren in een angstaanjagende stroomversnelling zou kunnen raken. Laten we in dit verband onze focus richten op twee zeer actuele regionale crisishaarden waar extreemrechts gevaarlijk dicht bij de macht kwam of binnenkort zou kunnen komen: de Oost-Duitse deelstaat Thüringen en de Nederlandse provincie Noord-Brabant.

=Duitsland:  ‘standhaft’, nog wel – maar voor hoe lang? 

Enkele jaren geleden heb ik –  onder meer in mijn nieuwsbrief op deze site  [3] – meermalen aandacht geschonken aan de triest stemmende sociale en politieke verhoudingen in het oosten van Duitsland. Daarbij had ik naast al deze treurnis ook oog voor de lichtpunten – met name voor de relatief gunstige politieke ontwikkelingen in de deelstaat Thüringen in de vorige regeringsperiode  met een rood-rood-groen kabinet onder minister-president Bodo Ramelow van Die Linke. Daarover berichtte ik indertijd [in 2015] aldus:

Tijdens onze vakantiereis verbleven wij een week  in een sympathiek familiepension in in Kromsdorf in Thüringen,  even ten noorden van Weimar. Het verhaal van de waardin van het pension is illustratief voor het lot van mensen en land in deze contreien na de Wende. De voormalige boerderij waar nu het pension is ondergebracht vormde was vóór de Wende onderdeel  van een coöperatie met een fors bemeten veestapel en een uitgebreid tuinbouwareaal  waar de aan kinderverlamming lijdende vader van de waardin de bedrijfsleider van was. Van dat trotse  Volkseigenes Betrieb van weleer is weinig meer over: de koeien verdwenen goeddeels, de tuinbouwkassen werden zertrümmert en opgeruimd.  Her en der in het landschap verrezen nieuwe bedrijventerreinen als Fremdkörper in het boerenland, terwijl de winkels de dorpscentra verdwenen.   Ook  de Oost-Duitse industrie leek na de Wende in vrije val terecht gekomen te zijn, hoewel dat in Thüringen met zijn relatief goed ontwikkelde midden- en klein bedrijf nog enigszins meeviel, zeker in vergelijking  met buur-deelstaat  Saksen-Anhalt dat zijn enorme industrieconglomeraten  genadeloos zag omvallen [4] .  Niet dat het hier nu in al die o zo  malerische Thüringse Kleinstädte alles koek en ei is. Ook hier blijft het als elders in het oosten  behelpen in sociaaleconomisch opzicht, zet de demografische uittocht gestaag maar onverminderd door  en sluimert  het door neonazi’s uitgelokt  geweld tegen vreemdelingen, maar de alertheid van de Thüringse deelstaatregering op dit punt voorkomt gewelddadige excessen als in buur-deelstaat Saksen.  Bodo Ramelow, de door terreuraanslagen bedreigde minister president  van de vorig jaar aangetreden rood-rood-groene deelstaatregering  in Thüringen, roept in dit verband op tot de nodige Zivilcourage en wil tegelijk  van de sociaaleconomische nood een deugd maken: Thüringen zou met zijn krimpende beroepsbevolking  de  komst van vluchtelingen  als arbeidskrachten  juist goed kunnen gebruiken [5] . Maar om een dergelijk economisch beleid tot een succes te kunnen maken,heeft een deelstaatregering  wel veel meer beleidsvrijheid en ondersteuning van de centrale bondsregering  nodig en een over de hele linie een anders gericht economisch beleid op nationaal schaalniveau, sterker gericht op het tegengaan van de groeiende sociale ongelijkheid.  Maar daarvoor moet dan wel eerst het politieke taboe op een rood-rood-groene coalitie in Berlijn doorbroken worden….. [6]

Maar dat was in de vorige regeerperiode, vóór de enorme opkomst hier van rechtsradicale partij Alternative für Deutschland [AfD]. Bij de laatste verkiezingen voor de Landestag in Thüringen afgelopen najaar vond een politieke aardverschuiving plaats. De CDU – hier in 2014 nog de grootste partij – kreeg ongenadig van langs. De partij  Die Linke—voortgekomen uit de Oost-Duitse SED en een afsplitsing van SDP en in 2014 de tweede in grootte – werd nu de grootste, met de AfD als goede tweede. Coalitievorming was heel lastig geworden, vooral doordat de CDU zowel een regering met AfD als Die Linke afwees. Maar in de tweede week van februari [2020] kwam er een doorbraak waar de landelijke CDU zo van schrok dat Merkel er onmiddellijk en Chefsache van maakte en de zaak binnen een etmaal terugdraaide. De FDP had namelijk een premierkandidaat naar voren geschoven die de steun kreeg van CDU én AfD, waarmee het cordon sanitaire rond de AfD doorbroken zou worden, maar daar stak ‘Berlijn’ dus een stok voor. In de zo ontstane situatie rijst de vraag of het voor de CDU niet tijd wordt het cordon sanitaire tegen Die Linke nu eindelijk eens op te heffen. In het geval Ramelow is dat cordon echt een gotspe. De man is de redelijkheid zelve. Hij komt zelf helemaal niet uit de voormalige DDR maar is van oorsprong een solide vakbondsman uit het rijke Hessen. De Bondsregering maakte enkele jaren  geleden dankbaar gebruik van zijn grote bemiddelingstalenten toen hij het lange en taaie spoorwegconflict tussen Bundesbahn en vakbonden met succes tot een einde wist te brengen.  

Hoe de Thüringse kwestie ook mag aflopen [er zullen waarschijnlijk vroeg of laat wel vervroegde Landestagwahlen komen],  inmiddels is wel duidelijk dat het door de CDU gehanteerde cordon sanitaire tegen Die Linke zijn langste tijd gehad heeft. Ook meer en meer lijkt duidelijk te worden dat  een ‘middenpartij’als de CDU er stilzwijgend van uit gaat dat substantiële electorale successen van de AfD vooralsnog beperkt lijken te blijven tot de voormalige DDR-gebieden. Maar is dat wel terecht? In het westen loopt wil men  inderdaad [nog] niet en masse warm lopen voor  radicaal en extreem rechts, zeker niet in de drie rijke zuidwestelijke deelstaten [Hessen, Baden Württemberg en Beieren]  – zo blijft men in het vanouds behoudende Beieren de voorkeur geven aan conservatisme van eigen snit en makelij. Maar in het beduidend minder welvarende noordwesten van het land met  oude industrieën zou de zaak op termijn wél kunnen gaan schuiven – in het Saarland, Noordrijn Westfalen, Bremen en delen van Nedersaksen bijvoorbeeld -,  een en ander afhankelijk van economische, sociale en maatschappelijke stagnaties of juist stroomversnellingen ten kwade. Op den duur zou een en ander  daarom toch wel eens lelijk kunnen gaan kantelen – zeker op sociaal en economisch gebied   naarmate het ‘verdienmodel’ van het in de EU ingebedde ‘Heilige Ordoliberale Rijk der Duitse Economie’ [7] steeds meer sporen van metaalmoeheid gaat vertonen.

=Nederland: zelfvoldaan, structureel [crypto]-racistisch en -meritocratisch, narcistisch   

Maar wat volop in het voordeel van Duitsland pleit is het waarachtige en breed gedeelde schuldgevoel en de bezorgdheid wanneer medelanders met een migrantenachtergrond getroffen worden door rechts-extremistisch geweld. Deze fundamenteel zelfkritische houding versterkt het  besef van de noodzaak in ieder geval wél vast te houden aan het cordon sanitaire tegen de AfD. Hoe anders is dat in het aanpalende Nederland waar de verregaande ruggengraatloosheid van partijen als CDA en VVD pijnlijk in het oog springt. Sinds de Fortuynrevolte hebben zij nu al bijna twee decennia lang meermalen schaamteloos gemene zaak gemaakt met rechts populistische partijen als LPF en PVV. Recentelijk dreigt een samenwerking in de provincie Noord-Brabant met FvD. Dit alles met een steeds verder jammerlijk naar rechts afglijden van het dominante politieke discours. Het gebeurt allemaal in een dusdanige larmoyante zelfgenoegzaamheid over eigen nationale identiteit dat Nederlanders die een tijd lang in het buitenland vertoefden na terugkeer in het vaderland niet zelden het de indruk krijgen hier met een wrange komedie terecht gekomen te zijn. Daarbij komt vooral de halsstarrige weigerachtigheid het eigen koloniale verleden kritisch onder ogen te zien schrijnend naar voren. En die halstarrigheid blijft niet beperkt tot rechts-populistische kringen [waar dat verleden als het even kan het liefst zo veel mogelijk verheerlijkt wordt], maar is diep ingebed in mainstream-Nederland. Ons land kent nog al dat een beschamende blinde vlek heeft voor eigen structureel racisme – dat nog steeds heel veel witte Nederlanders niet inzien dat het bij de figuur van Zwarte Piet gaat om een regelrecht racistisch stereotiep gaat spreekt in dit verband boekdelen.  Niet alleen structureel crypto-racistisch is de Nederlander overigens, maar ook minstens zo sterk crypto-meritocratisch. De vrome Hollandse calvinist durft natuurlijk niet openlijk te beweren dat bij zijn zielenheil zelf zou kunnen verdienen, maar met zijn arbeidzame en obsessief op kapitaalsaccumulatie gerichte levensstijl rekent hij stiekem maar al te vast op een gerieflijk plekje in de hemel – materiële voorspoed  als teken van goddelijk uitverkiezing. In geseculariseerde vorm is dit crypto-meritocratisme in onze neoliberale tijden meer dan springlevend, Webers Geist des Kapitalismus indachtig [8].  En ook narcistisch is Nederland inmiddels geworden, vooral sinds de booming neoliberale 90 van de vorige eeuw – de leiders van het rechtse populisme in Nederland zijn sindsdien zonder uitzondering  onverbeterlijke narcisten, de ene ijdeltuit nog erger dan de andere – van Fortuyn tot en met Thierry B. Met dergelijke leidersfiguren is een nieuw mensentype ontstaan dat naadloos past in de lifestyle van de hedendaagse door de Angelsaksische wereld gedomineerde cultuurindustrie –  leiders als Trump en Johnson zijn er de exponenten van.

Aldus doemt er voor Nederland een beeld op van een giftige mix van ruggengraatloosheid, zelfvoldaanheid, structureel  crypto-racisme & -meritocratisme en – lest slechtst – narcisme. Per saldo een beeld dat me op dit moment beduidend onheilspellender voorkomt dan de situatie bij onze oosterburen. Vooral die Hollandse glijdende schaal naar rechts, diep naar beneden baart me zorgen. Als er nu een in Noord-Brabant een provinciale coalitie van CDA en VVD met de club van Thierry B. tot stand komt, zou dat wel eens de opmaat kunnen worden voor een zelfde coalitie op nationale schaal na de Tweede Kamerverkiezingen van 2021. Een land geregeerd door mest- en drugsfrauderende megastal-boeren, handige loopjongens van de door Rutte zo bejubelde multinationale lobby’s en hagiografen van oud en hedendaags racisme en meritocratisme. En dit alles onder de regie van leiders die ons willen vangen in hun eigen kwaadaardige spiegelbeeld…

=Voorlopige balans

Begin maart werd uiteindelijk rood-rood-groene minderheidsregering in Thüringen beëdigd, met Bodo Ramelow als ministerpresident. Dankzij het gedogen door de CDU via een  “Stabilätsmechanismus” tussen de drie linkse partijen en de CDU, een uiterst minimaal zespuntenprogramma om te voorkomen dat de AfD via ‘Destruktive Mehrheiten’ weer opnieuw op slinkse wijze roet in het eten kan gooien [9]. In Noord-Brabant wordt aangekoerst op een coalitie van VVD, CDA, Lokaal Brabant  met het FvD. Er is inmiddels een akkoord over een achtpuntenprogramma gesloten. Bij de formulering van het zevende punt springt de onwaarachtigheid van de hele operatie meteen in het oog, en dat blijkt dan natuurlijk vooral uit de glibberige woorden na de komma: “Wij zijn een betrouwbare partner bij de uitvoering van het Klimaatakkoord, onder voorwaarde van haalbaarheid, betaalbaarheid en draagvlak.” [10].

In Duitsland lijkt het afglijden naar extreem rechts – althans voorlopig – gestopt. In Nederland heeft men een volgende stap gezet op de glijbaan verder naar beneden. En daar doet zich bovendien op nationaal vlak een minstens zo onheilspellende ontwikkeling voor: het heulen van het politieke christendom met het fascisme van Thierry B. Na CDA en SGP begint nu ook de partij-ideoloog van de CU  oren te krijgen naar diens gedachtegoed 11].

[redactie gesloten 7 maart 2020]

 

NOTEN 

[1]
Walter BenjaminDas Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarheit  Frankfurt a. M. [Suhrkamp] 1966, blz. 42

[2]
Sleutelpassage uit het vorig jaar verschenen Theorie van de kraal Kapitaal Ras Fascisme van de  Rotterdamse sociologen Willem Schinkel en Rogier van Reekum, Amsterdam [Boom] 2019, blz. 27

[3]
Zie o.m.  Het vergeten en miskende oosten in mijn nieuwsbrief op deze site (Nieuws – Winter 2016/2017)

4]
Over de kwalijke gevolgen van de ondoordachte en arrogante West-Duitse aanpak van het oosten van Duitsland na de Wende voor economie, landschap en samenleving  zie ook o.m.:  Im Osten nichts neues? /deel twee – Dubbelkrimp in stedelijk Oost Duitsland In: www.dubbelkrimp.nl. Kwartaaljournaal Herfst 2015; zie link:  http://www.dubbelkrimp.nl/downloads/herfst-2015/ImOstennichtsneuesTwee.pdf

5]
Zie ondermeer in: Oliver Das Gupta, “Die Politik muss den grossen Wurf wagen” [een interview met Bodo Ramelow, minister -president van de deelstaat Thüringen] In: Süddeutsche Zeitung van 25-8-2015

[6]
Dit is de laatste alinea uit Tussen Münster en Mühlhausen in mijn nieuwsbrief op deze site (Nieuws – Herfst 2015)  op deze site

[7]
De term is ironisch ontleend aan: Pierre Rimbert, Le Saint Empire économique allemand  In : Le Monde diplomatique februari 2018 blz. 13.  Het relatieve voordeel dat Duitsland sinds de Val de Muur geniet van het gebruik van Midden- en Oost-Europa als nabijgelegen lagelonen-reservoir loopt gaandeweg ten einde; hetzelfde dreigt op termijn voor het decennialang door Duitsland [ wie zei daar Schäuble?] opgelegde  ordoliberale dictaat aan de EU.

[8]
Zie de laatste alinea uit Kapitalisme in combinatie met calvinistische predestinatie – Een fatale verbinding in mijn nieuwsbrief  op deze site: (Nieuws – Herfst ([b] 2019) en Max Webers klassieke studie Die protestantische Ethik  und der “Geist” des Kapitalismus  Weinheim [Beltz Athenäum Verlag] 1996[2]. Becommentarieerde herdruk op basis van de eerste editie van 1904/ 1905

[9]
Michael Bartsch, Zurück an die Arbeit  In:  Tageszeitung van 6-3-2020; zie link: https://taz.de/Archiv-Suche/!5666076&s=th%C3%BCringen&SuchRahmen=Print/

[10]
Ernst van Welij, VVD, FvD, CDA en Lokaal Brabant vinden elkaar in principes van samenwerking  Uit een persbericht van het CDA Brabant van 6-3-2020; zie link: https://cdabrabant.nl/vvd-fvd-cda-en-lokaal-brabant-vinden-elkaar-in-principes-van-samenwerking/

11]
Guus Valk en Petra de Koning, Partij-ideoloog ChristenUnie: ‘Thierry Baudet schreef rake analyses’  In NRC/HB   6-3-2020; zie link: https://www.nrc.nl/nieuws/2020/03/05/thierry-baudet-schreef-rake-analyses-a3992858

Nieuws/ Winter 2019-2020

Wie werpt zich in het kolkgat van de dijkdoorbraak?

Over de eigen schaduw heenspringen:
opgave en uitdaging ineen

“Het wassende water is het centrale thema waarmee een nieuwbakken deltacommissie zich momenteel bezig houdt. De trefwoorden zijn genoegzaam bekend: stijging van de zeespiegel, daling van de bodem, sterkere fluctuaties in de toevoer van het rivierwater en in de neerslag, verbrakking die gevolgd door verzilting. Inderdaad: ‘pas dan op voor de zee en de rivieren’. De ondergang van de  van de ‘onnatuur’ die nog honderd jaar kan duren in  de woorden van [J.B.] Charles [1]  van een halve eeuw geleden lijkt meer en meer, wetenschappelijk onderbouwd en al, waarachtig werkelijkheid te kunnen gaan worden.

Wat zou een adequate houding tegenover deze nieuwe toekomst van landschap en natuur kunnen zijn? Kan de hiervoor al vermelde, door [Simon] Schama gehanteerde primitieve paniek – letterlijk te lezen als Pan-iek met een verwijzing naar Pan, de god van onder meer de beestachtigheid en het dierlijk instinct – hier soelaas bieden? Kan de oermens, de autochthon, de sleutel vormen tot een nieuwe verhouding ten opzichte van de natuur in die zin dat er een op de evolutie theorie gebaseerde continuïteit tussen dier en mens bestaat? [2] Het is een prikkelende flirt met de klassieke mythologie, maar zo’n flirt alleen is natuurlijk niet genoeg – de flirt zou als het daarbij zou blijven neerkomen op culturele en intellectuele regressie. Hoe kunnen angstvisioenen van overwoekering en overstroming gesublimeerd worden in creatieve land- en waterschappelijke combinaties en transformaties? – dat is hier de centrale vraag. In het geval van het visioen van de overstroming kent het vanouds amfibisch ingestelde Nederland in dit opzicht een rijke maar helaas maar al te vaak verdrongen traditie uit het vroeg-moderne tijdperk waarin behendig en tegelijk met de nodige eerbied voor de oerkracht van de natuur ingespeeld werd op de krachten van het zeewater. Het icoon bij uitstek van die traditie is de inlaag – de waterwisselruimte  tussen Waker- en Slaperdijk. Eertijds behalve als buffer tegen het wassende water ingericht en ook voor de nodige aardhaling om de dijken en het land op peil en kracht te brengen. Hoe kan heden ten dage de inlaag zich ontpoppen tot proeftuin en kweekvijver voor duurzame zoete en zilte teelten en voor energieopwekking door het samenspel van zoet en zout, het trauma van de Hedwigepolder voorbij?  Jawel – dat zou zomaar in dit land de gedroomde symbiose van natuur en cultuur van de 21e eeuw kunnen worden. Maar is meebewegen alléén wel voldoende? Wie werpt zich in het kolkgat van de dijkdoorbraak?”

Dat vroeg ik me zeven jaar geleden af aan het slot van mijn artikel in het 175-jarig jubileumnummer van De Gids [3].  Die vraag is heden en dage, een slap klimaatakkoord en een beschamende stikstofcrisis verder, actueler dan ooit.  Naast de vraag wie zich in het kolkgat werpt zijn de vragen waar en wanneer dat moet gebeuren minstens zo relevant. Laten we hier beginnen met de waar-vraag, natuurlijk niet primair in letterlijk zin op  te vatten maar in figuurlijke. In de huidige maatschappelijke discussie ligt nu nog sterk de nadruk op de strategie van het terugdingen van de uitstoot van broeikasgassen en veel minder op de strategie van het meebewegen met de luimen van het water. Maar de laatste tijd begint men meer oog te krijgen voor de vraag wat te doen als processen als  klimaatverandering en stijging van de zeespiegel ondanks de nodige  duurzaamheidsmaatregelen zich toch doorzetten, misschien zelfs in een beduidend sneller tempo dan dat tot voor kort voor mogelijk werd geacht. Dan zou de strategie van het meebewegen sterker in beeld kunnen komen, iets dat de laatste maanden meer en meer lijkt te gebeuren, getuige diverse artikelen en reportages in de media [4]. In  beide strategieën bestaat de neiging ex- dan wel impliciet uit te gaan van een antropocentrische benadering.  In de anti-broeikasgassen-strategie is die neiging  in bepaalde opzichten misschien nog wel het sterkst. Daar lijkt het geloof in de gehanteerde wetenschappelijke prognoses het krachtigst beleden, het ontzag voor de mogelijkheden van het menselijk vernuft  natuurlijke processen in al  hun complexe  consequenties  voor de menselijke soort bijna feilloos te kunnen doorgronden het grootst.  De strategie  van het meebewegen lijkt die neiging  tot een zekere overschatting van het cognitieve minder te vertonen, lijkt  eerder openingen te bieden  om nieuwe inzichten en technieken te kunnen paren aan een intuïtief respect voor een natuur waarin de mens slechts één schakeltje is en zeker geen directeur of rentmeester. En de vroomste rentmeesters ontpoppen zich immers niet zelden tot de meest onwaarachtige potentaten.

Bij het stellen  van de wanneer-vraag stuiten we opnieuw op beide strategische oriëntaties met hun d onderlinge tegenstrijdigheden. Of gaat het hier vooral om slechts schijnbare tegenstrijdigheden? In ieder geval sluiten beide oriëntaties elkaar niet uit maar vullen elkaar vooral aan. In de anti-broeikasgassen-strategie staat de tijdhorizon op zijn scherpst: als we Moeder Aarde rond 2050 klimaatneutraal willen hebben, moeten we nu meteen beginnen. Bij  de meebewegen-strategie ligt de overstromingsrampen-tijdhorizon weliswaar niet vóór het jaar  2100 te liggen, maar planologisch zouden we gezien de afschrijvingsduur 5] van gebouwen van 75 jaar eigenlijk ook nu al moeten beginnen, door bijvoorbeeld in ieder geval nu al niet meer te bouwen op laaggelegen waterstaatkundig precaire locaties. Mag de tijdhorizon in beide strategische oriëntaties dus minder met elkaar in strijd  te zijn dan op het eerste gezicht lijkt, wat betreft prioriteitsstelling in de handelingsperspectieven lijken de tegenstrijdigheden serieuzer. Lijken inderdaad. Want de nadruk mag  op dit moment in de hele  klimaatdiscussie weliswaar nog steeds op de broeikasgassen liggen, inmiddels ontstaat intussen langzaam het besef dat het zou beslist geen kwaad zou kunnen ook nu al simultaan een ‘Plan B’ te ontwikkelen voor het geval de klimaatverandering sneller en heftiger verloopt dan verwacht of beoogd, een plan met een meebewegen als belangrijk bestanddeel. Hier wordt het dus de centrale opgave én uitdaging om nu eindelijk eens over de volle dubbele bandbreedte over de eigen schaduw heen te gaan springen door het terugbrengen van de uitstoot  van broeikasgassen te paren aan het meebewegen met de luimen van het water.

Over de eigen schaduw heen springen als opgave en uitdaging – het is een adagium dat minstens zo sterk van toepassing is op de wie-vraag. Wie speelt de hoofdrol in de uitvoering van beide even onmisbare strategieën? Het individu of de sociaaleconomische machtsstructuren? “Geen van beide en  tegelijk allebei“ is het even voor de hand liggende als lastig in het dagelijkse leven in de praktijk te brengen antwoord. Ongetwijfeld  is alles altijd ‘de schuld van het kapitaal’, maar wie die macht  met succes wil kunnen bestrijden moet zowel in zowel zijn strijdmethoden als in zijn alledaagse levenspraktijk in bredere zin persoonlijk de beoogde nieuwe duurzame levensstijl kunnen vóórleven. En dat gaat niet zonder het  “au“  van het klassieke offer.

=====nieuw op de site===================================================

>onder de knop Geschiedenis van de toekomst:

  • PU  (Neo)kolonialisme, kapitalisme en de plundering van de natuur (In: Indies Tijdschrift – krities en onafhankelik  nulnummer, Den Haag, oktober 2019)

NOTEN

[1]
Hier wordt verwezen naar het gedicht Zuid Holland van de dichter  J.B. Charles, waarvan hieronder de meest relevante passage:

Pas dan op voor de zee en de rivieren!

Hier hebben vogels
het voor het schreeuwen
en voor het schrijven
van hun namen
in de hemel boven
vlossige regenbomen,
die hier krampachtig
maar onvoldoende
wortelen in hun onmachtig-
zwarte moerasgrond,
nauwelijks drooggepompt
door de gemalen.

In dompige schuren
wordt onmondig vee
gevangen gehouden ;

 Kalveren, lammeren,
voorgangers, martelaren,
het mes wikkelt ze los
uit de dampende huiden;
zacht smoort het vlees in de pot
en op het perkamenten omhulsel
schrijven mannen in zwarte jassen
met zwarte hoeden,
(van de wol van de schapen)
godgeleerde tractaten.
De vissen die hier wonen
weigeren boven te komen
om die geschriften te lezen.
Zij denken: deze onnatuur kan
nog honderd jaar duren maar dan,
pas dan op voor de zee en de rivieren!
Onze orde komt terug!
Op de bodem van een van de plassen
Werken nijvere dieren
Aan het geheime bevrijdingsplan.
De vogels vermoeden het al jaren.
Straks zullen zij zich aan de kant
Van de opstandelingen scharen.

Uit:  J.B. Charles, Ik ben het. Gedichten  Amsterdam [De Bezige Bij] 1990

 [2]
Simon Schama, Landschap & Herinnering  Amsterdam [Contact]1995, p. 558-559

 [3]
Steven van Schuppen, Vóór ons de zondvloed In: De Gids Jubileumnummer 2012/7

 [4]
Zie bijvoorbeeld de tv-programma’s
=Waterlanders [VPRO/ Tegenlicht] van 22 september 2019; zie link: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/kijk/afleveringen/2019-2020/waterlanders.html
= Buitenhof van 6 oktober 2019 [Nederland en de zeestijging] ; zie link: https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~POMS_AT_15693841~nederland-na-de-zeestijging~.html

[5]
Zie in dit verband de  bijdrage van planoloog en voormalig directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving Maarten Hajer met ondermeer diens pleidooi een planningstermijn van zeker 75 jaar te hanteren, ook in het programma Nederland en de zeestijging ; zie [opnieuw] link: https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~POMS_AT_15693841~nederland-na-de-zeestijging~.html .

Nieuws/ Herfst 2019 [b]

Kapitalisme in combinatie met calvinistische predestinatie 

Een fatale verbinding

 . “In het vroege 18e-eeuwse liberalisme stonden matigheid en soberheid en niet het streven naar ongebreidelde groei en winstbejag centraal. Niet voor niets schreef Adam Smith naast The Wealth of Nations zijn The theory of the moral sentiments. Alle gepredikte soberheid doet echter niets af aan de constatering van [filosoof] Thomas Deleus dat in de democratische revoluties van de 18e eeuw de reikwijdte van democratie beperkt wordt tot het politieke domein, geheel in lijn met de denkwereld en de belangen van een bourgeoisie wiens emancipatie in deze jaren in een stroomversnelling komt.”

 Dat schreef ik in no.7/ 2013 van De Gids [Democratie, gelijkheid en markt]. De  door Smith voorgestane matigheid past in het calvinisme van de Church of Scotland. Die cultuur van rationele matigheid wordt ingegeven door de calvinistische predestinatieleer volgens welke de mens zijn uitverkiezing niet zelf kan beïnvloeden – bijvoorbeeld door het verrichten van goede werken zoals in de katholieke kerk – maar geheel afhankelijk is van goddelijke genade. Maar de mens – mits waarachtig gelovig  – mag er wél in alle redelijkheid vanuit gaan dat God hem gunstig gezind is. Óf dat het geval is zou af te lezen zijn aan de mate waarin de inspanningen in berekenende matigheid en in een systematisch doorgevoerd arbeidsethos al in het aardse leven hun vruchten afwerpen. Wereldlijke voorspoed als graadmeter voor goddelijke uitverkiezing – dat is  juist het tegenovergestelde van de betrokkenheid met de verschoppelingen der aarde zoals in Paulus’ eerste brief aan de Corinthiërs gepredikt wordt – zie onze eerdere herfst-nieuwsbrief. Crypto-merocratische hardvochtigheid ten aanzien het uitschot der aarde van onder een o zo vrome dekmantel…

De Duitse socioloog Max Weber [1864-1920] heeft in zijn boek Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus niet zozeer de causale dominantie van denken boven de economie willen  stellen, maar wel willen aangeven hoe uit een verbinding van twee elementen – kapitalisme en calvnistische predinatieleer – iets nieuws kon ontstaan.  De beslissende push in die richting is waarschijnlijk van de economie uitgegaan toen het kapitalisme in de loop van de 18e eeuw in een stroomversnelling raakte en de bandbreedte waarop het opereerde doorslaggevend verbreedde. Het ‘calvinisme’ leeft in zijn gesecuariseerde,  niet-transcendentele vorm heden ten dage sterker dan ooit voort, als Geist des Kapitalismus.  Met de geest van Paulus heeft het echter bitter weinig meer van doen.