Nieuws/ Februari 2026

Goede rentmeester allang ontmaskerd als geslepen stikstof-koelak

Op zoek naar
De Indiaan, De Doggerlander in ons

Die goede rentmeester, over hem heb ik al jaren lang niets meer gehoord. Die rentmeester die  als geen ander toewijding betoonde aan de zorg over Gods Schepping.  Op toogdagen van christelijke partijen en boerenstandsorganisaties werd er aan hem altijd wel een waarderend woord gewijd. Als literatuurhistoricus Saskia Pieterse en publiek theoloog Janneke Stegeman hun lekker scherpe boek UITVERKOREN – Hoe Nederland aan zijn zelfbeeld komt   [x]twee decennia geleden hadden geschreven zouden Rentmeesters daden niet onvermeld zijn gebleven. Daden? De meester had altijd vooral veel woorden tot zijn beschikking, zalvende woorden. In dat calvinistische vlees had ons schrijvend tweetal daar vast graag de fileermesjes in gezet. Bij ontstentenis daarvan hier een pennenvrucht van eigen hand, van zo’n kleine 20 jaar geleden:

 ‘Enkele jaren werd ik uitgenodigd door de agrarische natuurvereniging De Hâneker voor een excursie door het hart van de Alblasserwaard. Als leider van de expeditie was daar een zelfbenoemde chroniqueur van de streek, het paradepaardje van de vereniging. Hij schetste een idyllisch beeld van de Alblasserwaard en diens bewoners, in wier genen, zielen een geesten de Heere zelve het heilig besef van het rentmeesterschap gebeiteld had. Altijd natuurminnende boeren geweest hier, dus. Tijdens een theepauze  in een van de vele agrarische theetuinen die deze landstreek inmiddels rijk is, vroeg ik voorzichtig wat hij vond van streekschrijver J.W. Ooms.  Als door een adder gebeten hield hij even stil. Daarna volgde een stortvloed  van scheldwoorden waarvan ‘vieze nestbevuiler’ nog de minste was. Bij nader inzien is zo’n reactie heel goed te verklaren. Ooms laat  heel onnadrukkelijk  ook de zwarte zijde van de plattelandsidylle zien: de afstandelijkheid van de dominee en de kerkenraad van de Grote Kerk, de uitwassen binnen de bevindelijke sekten die in deze streken van de Bible Belt woekerden én woekeren, even nauw verholen als vileine uitsluitingsmechanismen: tussen grote boer en keuterboertje, boerenknecht en dagloner, ‘fíjnen’ en nog minder ‘fijnen’.’ Overigens geen woord over…. enig rentmeester…..  [2]

Overigens in zijn hele relaas geen woord  van betekenis  ..van welke rentmeester dan ook.

Aanvullend op het ‘seculier’ als voorlopig eindstadium van het door Pieterse en Stegeman  geconstrueerde calvinistische bedenkelijke zelfbeeld van Nederland zou de  term antropocentrisch als blijk van zelfingenomenheid evenmin misstaan hebben. Antropocentrisch met als consequentie dat men zich weinig tot niets gelegen laat liggen aan de kwalijke gevolgen van het menselijk handelen voor de natuur.  Én met de consequentie dat men iedere magische invloed die uit levende natuur uitgaat ten principale afwijst als afgoderij of bijgeloof, en dat is ook heel calvinistisch. De positie van de mens blijft namelijk bij dit alles ondanks zijn natuurlijke zondige staat onaangetast zolang hij maar trouw blijft aan zijn christelijk geloof, niet in de laatste plaats dankzij dat geraffineerd antropomorfe dubbelkarakter van die ene God [vader én Zoon] waarmee iedere concurrentie buiten spel gezet kan worden [voor de restcategorie met alles wat verder tussen en aarde zweeft mag de Heilige Geest dienst doen]. Wég met alle andere menselijke gestalten in eigen heilige kring dus, wég met  Maria, wég met die hele roomse santenkraam. Wég met alle heidense magische planten – van  éénjarige kruiden tot eeuwenoude eiken – wég met alle wonderbaarlijke dieren – van de schimmel van de Sint dan wel die van de Noord-Friese dijkgraaf  tot en met de eenhoorn, wég met de landwolf die na uitroeiing clandestien en met grote gereformeerde weerzin een nieuw verachtelijk leven gedoogd werd als heidense waterwolf, wég kortom met dat hele heidense herbarium, die hele heidense menagerie waar ook Rome en passant graag dankbaar gebruik van maakte én nog steeds maakt  om de in duisternis dolende heidenen over te kunnen halen tot haar eredienst. Ja voorwaar, gelukkig kwam en overwon daar net op tijd die nieuwe, herijkte en gezuiverde versie van het christendom, niet in de laatste plaats aan weerszijden van de Noordzee, die open binnenzee die tot dan toe aan de uiterste rand van de menselijke beschaving had gelegen [. Cromwell maakte met zijn puritanisme een hardvochtig einde aan merry old England, in de calvinistische Nederlandse Republiek was men evenzeer gebeten op paepse superstitiën en heidens bijgeloof  – als mix helemaal fataal -, of men nu tot de preciezen of tot de rekkelijken behoorde. 

Nederland als een der kampioenen van het moderne natuurvijandige antropocentrisme? Na de buurlanden Engeland en België , o zo fossiele pioniers van de industriële revolutie, komt Nederland voor die – oneervolle – titel toch ook wel degelijk in aanmerking. Natuurlijk, Nederland was industrieel een laatkomertje, maar op het gebied van de waterstaat stond het al in de vroeg moderne periode met afstand op nummer 1, daarnaast presteerde ons land op landbouwgebied ook heel wat, deels  in het spoor van onze zuiderburen met hun Vlaamse Landbouw , deels ontsproten uit eigen bodem, met als goed bijvoorbeeld  Overijssel [3] . Waterstaat en landbouw gingen daarbij hand in hand. Voor geslaagde landbouwkundige verbeteringen – van droogmakerijen tot beeknormalisaties – was dat een eerste vereiste. Staatkundige richting en religieuze gezindte gingen daarbij eveneens hand in hand. Zo onderhield de Leidense doopsgezinde theoloog en landbouwkundige Jan Kops [4]  – die in opdracht van de Bataafse Republiek onderzoek verrichtte naar de vruchtbaarmaking der duinen – een intensieve correspondentie over agrarische aangelegenheden en de cruciale rol van water daarbij met dichter en landbouwkundige Anthony Staring [5] , verklaard tegenstander van die Republiek.

In de hele beeldvorming  zoals die na de Bataafse Republiek tijdens de Restauratie gestalte kreeg, om te beginnen onder het bewind van  koopman- en kanalenkoning Willem I, domineerde , waar het gaat om de economie, de waterstaat als trots van natie. Die waterstaat  kreeg – niet de laatste plaats ook in zijn beeldvorming – gaandeweg meer en meer een alles onderwerpend karakter. Was men in de vroeg moderne periode door technische tekortkomingen  van die tijd gedwongen geweest meer of minder mee te bewegen met de luimen het water in de geest van de 16e-eeuwse  waterstaatkundige Andries Vierlingh [6] ,  in de 19e en 20e eeuw was de totale onderwerping meer en meer de boventoon gaan voeren –  tot en met het Deltaplan. Tot en met? Met het besluit tot de bouw van een beweegbare stormvloedkering in de Oosterschelde – misschien  wel het meest radicale dat het kabinet Den Uyl tot stand bracht –  leek een breuk met de harde hegenomistische waterstaat tot stand gekomen te zijn. In het verlengde daarvan kwamen in de decennia daarop de stormvloedkering inde Nieuwe Waterweg én het hele gebied  van de Grote Rivieren omspannende project  Ruimte voor de Rivier tot stand.  Maar is de strijd tussen de waterstaat van het onderwerpen en de waterstaat van het meebewegen nu écht gestreden? Ik waag het te betwijfelen….Overigens, om de wortel van klimaat kwaad echt te kunnen bestrijden, kan natuurlijk niet volstaan worden met aanpassingen aan  de gevolgen van de klimaatverandering, maar moeten we echt aan de bak door de uitstoot van broeikasgassen in toenemende snelheid terug te dringen.   

Kunnen we in dit verband analoog hieraan ook van een door een door de – met name landbouwende – mens – onderworpen natuur van de 20e en 21e eeuw spreken? Wis en helaas waarachtig wel, sterker nog: zelfs van een door de mens onderworpen en een ook door de mens vergiftigde natuur. Die fataal verlopende agrarische revolutie kent drie trappen. De eerste trap ging gepaard met een forse  breuk met de in die tijd  voor een niet onbelangrijk deel gangbare befaamde dan wel beruchte zogeheten ‘eeuwige roggebouw’  door nieuwe teelten te introduceren met nieuwe gewassen, goed voor  mens, dier, plant en dier en bodem. We schrijven dan de late 18e en de vroege 19e eeuw.  Het gewas, de teelt die daarbij het meest prominent in beeld kwam was die van de aardappel,  die miraculeuze toverknol uit Latijns Amerika. De pieper ging gelden als de brenger bij uitstek van een ware demografische revolutie; de bevolkingsgroei die daaruit  voortvloeide kon zich zo ontpoppen als een gedegen demografisch fundament voor een groeiend leger van arbeiders, nodig voor de zich versnellende ontwikkeling van een  moderne,  door stoomkracht  als energiebron voortgedreven industrie. Bijna nergens in Nederland waren zowel de eerste trap van de agrarische revolutie als de daarop volgende take off van de industrie er zo relatief snel  bij als in Overijssel en wat betreft de industrie  als in de in die provincie gelegen streek Twente. Geen wonder  dat juist Twentse  textielbaronnen een prominente rol vervulden bij het promoten en ook zélf ontwikkelen van nieuwe landbouwtechnieken. Dat was geen overbodige luxe, want na de redelijk geslaagde eerste trap  ging toen minder vruchtbare bodems voor de landbouw aan snee kwamen meer en meer de wet van de afnemende meeropbrengst gelden. Échte innovaties met spectaculaire resultaten waren geboden,  want inmiddels was een heuse ontginningsmachinerie ontstaan, zeker na de oprichting  en optuiging van de Heidemaatschappij in de late jaren 1880. Uiteindelijk werd al experimenterend na de eeuwwende het wondermiddel toch gevonden en wel in de hoedanigheid van de kunstmest – na de Eerste Wereldoorlog kwam  de massale toepassing van de mirakelmest echt op gang, dat is de tweede trap.  Maar het kon nog fantastischer en daarmee tegelijk ook onheilspellender: bij de derde trap ,  vanaf W.O. II, kwamen drie revoluties tegelijkertijd aan de beurt. Het idee van ruilverkaveling  was al vóór W.O. II  ontwikkeld, maar was nog nauwelijks op gang gekomen en betrof eigenlijk niet meer dan uitruil van percelen . Pas na W.O. II kwam de ruilverkaveling op grote schaal op gang en ging uiteindelijk landinrichting heten, een  -letterlijk –  veel dieper gravende  en meer omvattende operatie die uiteindelijk uitmondde in een rigoureuze vernoordoostpoldering van enorme  oppervlakten aan waardevolle cultuurlandschappen. In diezelfde periode, zo vanaf de jaren 1950, kwam zogeheten Green Revolution van de grond. Dat gebeurde wereldwijd, dus zeker en in versneld tempo ook in het agrarisch inmiddels extra dóórpakkende Nederland waar de landbouwgifspuit tot een onmisbaar attribuut werd onder supervisie van  Europa’s landbouwpaus de sociaaldemocraat Mansholt. De derde revolutie behelsde het massaal  importeren uit de Global South van veevoer – van soja tot en met tapioca, waarmee – vooral op de arme zandgronden als Noord- Brabant –   het grondgebonden boeren uit  zwang en het boeren op de vierkante meter in zwang kwam.  Hoezo inperking van de ecologische voetafdruk van Nederland?

In de kop van dit artikel spreek ik  wervend over de zoektocht naar ‘de indiaan in ons: de ‘Doggerlander’, dit naar aanleiding van de beweging in met name de Global South om alom is ontstaan om de inheemse bevolking het nodige eerherstel  te geven, dit niet in de laatste plaats om haar eerbiedwaardige houding jegens de natuur zoals die ook en met name geritualiseerd is in gebruiken in het volksgeloof met niet zelden een rol voor wonderbaarlijke dieren en planten als ook voor complete rivieren en zeeën. Dat geloof is in wat we hier zullen noemen de  Amerikaanse  Global North  de oorspronkelijke bevolking fataal geworden. In Noord Amerika  werd na de ‘ontdekking’ door Europese kolonisten de oorspronkelijke bevolking voor een groot deel domweg uitgeroeid. De kinderen van de inheemsen voor zover ze in leven mochten blijven in kostscholen en kampen vakkundig gehersenspoeld werden op een manier waar Poetin c.s. nog een puntje aan kunnen zuigen of anders vaak schaamteloos gefolkloriseerd en daarmee vaak  ook gemarginaliseerd konden worden. In Noordwest-Europa speelde iets dergelijks, zonder dat daarbij hele volksstammen hoefden te worden afgemaakt – christelijke missionarissen als Willibrordus en Bonifatius hadden een klein millennium daarvóór de oorspronkelijke  bewoners met meer of minder harde hand gekerstend. Met komst van de Nieuwe Leer aan het begin van de 16e eeuw was het zaak de onderstroom van oude heidense vormen gedachten te weer eens extra energiek te bestrijden.  Op dit vlak beten de protestantse  bestrijders van kwalijk bijgeloof in Engeland en de Nederlandse Republiek in de 17e eeuw het spits af, en wel  in de vorm van een Puriteinse beschavingsoffensief met een niet gering succes. In de eerste alinea van deze dit hoofdstuk heb ik daar met het nodige sarcasme aan mogen refereren. Niet zelden zeker zo effectief dan het frontaal afwijzen van volksgeloof was de toeëigening van in de volksverhalen vervatte elementen van oud volksgeloof en daarmee van de onschadelijkmaking daarvan. Door de volksverhalen als louter fictie zonder enige existentiële betekenis af te doen en deze daarbij  de denigrerende genrenaam van  ‘sprookjes’ te geven trachtte men er voor dat deze oude vertellingen niet de functie konden vervullen in de politiek-maatschappelijke meningsvorming die zij verdienen.  Daarbij  is het de vraag of en in welke mate er sprake was van  een bewuste toeëigening uit ideologische motieven.  Als een auteur wetenschappelijk-politiek onderlegd en gemotiveerd was, was de kans daarop het grootst, zoals in het geval van de schrijver Theodor Storm [ 1817 – 1880) die als jurist en als regionaal Noord-Fries-Sleeswijks bestuurder en kenner bij uitstek van het volks-narratief materiaal hiervoor uitnemende goede kaarten bezat.  In zijn beroemde novelle Der Schimmelreiter [Nederlandse vertaling  De schimmelruiter[7] ] novelle weet hij het verlichte vooruitgangsdenken uit zijn tijd slim binnen te smokkelen zonder het naïef te verheerlijken, integendeel zelfs. Daarvoor introduceert hij een nieuwe en nieuwerwetse verteller in de persoon  van de schoolmeester in de raamvertelling  waar tot dan toe in eerdere versies van de oude sage over de dijkgraaf van Eiderstedt – een schiereiland aan de Noord-Friese waddenkust – de traditionele invalshoek domineerde. Nieuw voer dus, op wezenlijke punten nieuw, nieuw en potentieel intern contradictoir vooral op de schuurvlakken en  potentiële kantelpunten die er toe doen. Dijkgraaf Hauke Haien, hoofdpersoon van het  verhaal, groeit gaandeweg in zijn waterstaatkundige ambities. Allereerst wil hij in ieder geval op zijn minst de techniek van de vroegmoderne waterbouwkunde  naar Hollands voorbeeld onder de knie krijgen. Daarvoor weet hij via  Hollandse relaties een Nederlandse vertaling in handen te krijgen van in dit opzicht relevante teksten van de Hellenistische wis- en meetkundige Euclides. Hij wordt het Nederlands machtig  door zelfstudie aan de hand van een Nederlandse  grammatica. Tot zover is er nog weinig onheilspellends aan de hand. Maar weldra wordt duidelijk dat Haijens talenten niet in de eerste plaats in de hogere wiskunde schuilen,  maar vooral in zijn onverbiddelijke Rücksichtslosigkeit. Waterstaatkundig rücksichtslos is  zeker zijn nieuwe  gewaagd ver uitdijende inpolderingsplan zeker. Jawel ,in hem  schuilt wel degelijk een  genie, maar van een andere ontegenzeggelijk bedenkelijke soort dat  alleen tot zijn recht kan komen dankzij een buitengewone  Wille zur Macht. Een genie van-dik-hout-zaagt-men-planken dus, heel iets anders dan bijvoorbeeld de cultus rond het vreugdevolle idealistische genie van  de dichter-toneelschrijver Schiller. Hier doemt de triomfante figuur van ijzeren kanselier Bismarck op die zich op het toppunt van zijn macht uiteindelijk volop breed wist te maken in het decennium na zijn overwinning op de  Franse aartsvijand in 1870-71. Minder triomfant is de figuur van de dijkgraaf op zijn spookachtige schimmel in zijn onmogelijke strijd tegen de argwanende, afgunstige, conservatieve en bijgelovige  dorpsgemeenschap met hun kwaadwillende, onheilspellende beest, een agressieve kater  vooraan. Zijn nieuwe polder,  trots bastion van de moderniteit, weet wèl het beslissende springtij te doorstaan, maar tezelfdertijd gaat de oude polder waarnaar zijn vrouw en dochtertje  op het nippertje waren  gevlucht, in de woedende golven ten onder. Per saldo zijn er hier louter er verliezers,  maar met ongetwijfeld als grootste verliezer toch echt de watergraaf. Als hij  tijdens de vloed storm zijn ongedeerde nieuwe polder overziet is hij tevreden, maar dan fluistert in hem stemmetje in hem, het zelfde duivelse stemmetje dat hem influisterde hoe hij een écht uitdagend dijkontwerp moest maken waarmee hij de rivaliserende collega-dijkgraven de ogen uit het hoofd kon steken. Daar duikt toch die onuitroeibare Faustlegende toch weer de kop op, verwenst de ambitieuze dijkgraaf hij zichzelf. Een zelfde verwensing zou  de geestelijk vader van de dijkgraaf, de schrijver Theodor Storm,  heel wel gedaan kunnen hebben na de voltooiing van zijn laatste novelle. Daarbij heeft  Storm in zijn novelle niet alleen Faust weer tot leven gewekt maar ook nog eens zonder hun namen te noemen en ongetwijfeld contre coeur de denk- en doe-wereld van het oer-Duitse koppel Duitse koppel Bismarck – Nietszche een extra steuntje in de rug gegeven.  Storm stierf in 1888 net lang na de voltooiing van de Schimmelruiter, de ijzeren kanselier verdwijnt in 1890 van het politieke toneel. Een nieuwe  generatie verschijnt dan. Op het toneel van de politieke macht is dat de neurotische wispelturige Kaiser Wilhelm II met zijn obsessieve imperialisme, op het toneel van de sociale en politieke  wetenschappen is dat het duo Ferdinand Tönnies en  Max Weber. De socioloog Tönnies  is hier van belang  om zijn geboorteststreek Noord Friesland en om zijn vriendschap  van jongs af aan met de veel oudere Storm. Tussen 1886 en 1888 kwam naast Storms Schimmelreiter ook Tönnies’ Gemeinschaft und Gesellschaft  van de persen [8] . Het was het eerste grote werk van de  jonge  socioloog. Beide titels hebben de nodige onmiskenbare raakvlakken, en dan met name de tegenstelling tussen van de vertrouwde  welhaast organisch gegroeide verbanden en tradities  van de gemeenschap/ Gemeinschaft  versus de dynamische, zakelijke, doelgerichte  rationaliteit van de moderne maatschappij/ Gesellschaft, de tegenstelling die centraal staat in Tönnies’ boek. In de Schimmelruiter delft vooralsnog de moderne innovatieve dijkgraaf uiteindelijk het onderspit en weet  de dorpsgemeenschap zich te handhaven maar niet zonder uitzonderlijk hoge verliezen. Storms rijpe realisme als literator, én als jurist en bestuurder beziet de werkelijkheid in al zijn schrille schrijnende tegenstellingen maar blijft ondanks zijn neigen naar noords-heidense spooktaferelen toch een kind van de Verlichting [9] . Bij Tönnies – bij het verschijnen van zijn eersteling nog piepjong – ligt dat anders. In zijn latere jaren legt hij er de nadruk op dat de tegenstelling als puur theoretisch axiomatisch als ideaaltype beschouwd moet worden, als ‘reine Soziologie’  Maar bij lezing – met name tussen de regels door – valt vooral het organische vanzelfsprekende van Gemeinschaft in het oog tegenover het rationele, kunstmatige, uitzonderlijke van Gesellschaft – met name relevant in de zin  uitzonderlijk dynamisch. Max Weber tenslotte neemt het begrippenpaar over en beziet ze – vooral in zijn latere jaren – met nauw verholen tegenzin als welhaast onvermijdelijke overgang van traditie  naar moderniteit. Tegenzin, omdat hij de  schaduwzijden van de moderniteit wel degelijk ziet maar tegelijkertijd de remedies niet wil en durft te zien waarmee hij eindelijk hoopte aan Bismarcks ijzeren kooi – en die van zijn nog veel gevaarlijker opvolgers – te  kunnen ontsnappen [10] . In zijn  zoeken naar evenwicht tussen rationele en  intuïtieve  benadering om de contradicties van de moderniteit met succes te lijf te kunnen gaan mist hij in al zijn al te  nadrukkelijke ‘verstehen’ de kunst van een echt daadkrachtige choreografie van de revolutie. Hij ontdekt zowaar de politieke waarde van Charisma, durft haar echter niet los te laten uit angst dat zij zich als een duveltje uit een doosje ontpopt  – de Faustlegende is ook bij Weber nimmer ver  weg – maar sluit haar op in de kooi van het o zo brave bange leiderschap van de burgerlijke democratie. Niet voor niets  bleek Weber in de politieke schemerperiode tussen de gelukte Russische Oktober-revolutie in 1917 en de mislukte Duitse revolutie van een jaar later met de mond vol tanden te staan ten overstaan van de Duitse  jeugd die hem smeekte om al was het maar het  begin van een antwoord. In zijn benadering van ‘ de  moderniteit‘ miste Weber de neus om in de  gelijktijdigheid van het ongelijktijdige onverwachte nieuwe kansen te ontdekken –  van kansen op stroomversnellingen tot dermate grote divergenties in tempo die tot complete omwentelingen kunnen leiden, niet alleen op het evenementiële niveau van de politiek maar ook op  de lange termijn waarmee de ondergang van totale beschavingen in beeld kunnen komen. Én ik bespeur – in Webers geval op de achtergrond weliswaar – ook het ahistorische van die zich zo krampachtig als reuze deftig voordoende sociale wetenschappen die,  in een doorgaans vergeefse poging serieus te worden genomen door de ’harde’  beta-wetenschappen, onze geliefde  Geschiedenis plompverloren dumpen. Maar Clio laat zich niet straffeloos dumpen , want zij is een muze. Een muze is meerzijdig, een muze heeft niet alleen weet van cohorten en trends, zij verstaat ook de kunst van de choreografie van de permanente revolutie. Een muze die we bij de redding van onze Planeet Aqua [14] als raadgeefster hard nodig zullen hebben. 

Ik wil hier daarom pleiten voor een fundamenteel andere, intuïtieve, waarlijk  ‘verstehende’ geschiedsbenadering:  die van  de geschiedenis  van de toekomst  – één van de centrale thema’s  als ‘knoppen’ op de eerste pagina van  mijn site www.stevenvanschuppen.nl .  Ik citeer en parafraseer: ‘….een benadering waarin niet genoegen genomen wordt met geschiedenis zoals die tot ons komt in plompverloren  verschijningsvormen zonder werkelijk relevante context,  maar fenomenen waarvan de  bredere en diepere betekenis zich pas goed laat ontcijferen tegen de achtergrond van het mentale landschap met al zijn verhalen, associaties en connotaties. Het doorleefde en levende landschap, het territoire vécu . Dit mentale erfgoed herbergt een futuristische dimensie die het waard is (her)ontdekt te worden. Dat is het landschap van de toekomstverwachtingen en -verwonderingen, dat zijn de geschiedenissen van hun verdere lotgevallen: waar en waarom toekomstideeën niet of maar deels zijn uitgekomen, of en hoe men in staat was gaandeweg de plannen bij te stellen, of en hoe sommige niet vervulde denkbeelden heden ten dage onder gewijzigde omstandigheden weer relevant zouden kunnen worden. Om daarbij de goede ontcijfercodes op het spoor te kunnen ontdekken moeten we er niet  bang voor zijn  diep in de tijd  af te dalen,  tot in diep de tijd van vóór de schriftelijke bronnen.” 

Kortom: de geschiedenis van de toekomst  als de motor voor hoogstnoodzakelijke urgente innovaties, in onze 21e eeuw niet in de laatste plaats geboden om een dreigende fatale ecologische teruggang te voorkomen –  een succesvol preventieprogramma behelst dit verband overigens niet alleen  praktisch-technische kant van de zaak, maar evenzeer de  mentale, culturele kant. Deze  futuristische invalshoek van de geschiedenis is een  conditio sine na qua non voor iedere onderzoekspraktijk die er toe doet. We studeren niet louter om het studeren.  Neem als voorbeeld het klimaatvraagstuk. We bestuderen ‘het ‘’archaïsche’ in de  context van de dreigende en in de toekomst zich mogelijk fataal doorzettende klimaatverandering met  de hedendaagse ‘actualiteit’  als aanleiding vanuit  de centrale opgave vóór alles het gevoel voor urgentie goed te kunnen laten landen [11] . Dergelijk onderzoek, mits integer en vindingrijk uitgevoerd, genereert middelen voor aanvullend onderzoek. Met de daarmee verkregen inzichten kan de klimaatverandering  des te beter bestreden worden. Maar er is meer mogelijk als we in ons onderzoek  een slag breder en dieper durven te gaan door ook achterliggende mentale en culturele lagen aan te boren. Door  ervaringen uit het verleden te onderzoeken kunnen we een  beter inzicht te krijgen hoe rampen en tegenslagen in het verleden verwerkt werden,  hoe en onder welke condities een en ander tot een hoger gevoel van urgentie leidde en of er naar aanleiding  daarvan antwoorden te formuleren zijn op de vraag hoe op de vraag hoe het vuur van de urgentie niet alleen  aan te steken maar ook  vóór alles  brandende te  houden. Waarbij direct aansluitend onvermijdelijk de vraag opdoemt onder welke condities en in welke contexten parallellen getrokken kunnen tussen het verleden en onze eigen eeuw. In dit verband vormen vragen over de steeds problematischer wordende relatie tussen de hedendaagse,  steeds verder tot in de toekomst reikende prognoses  in relatie met de steeds snellere wisselingen van gebeurtenissen en invalshoeken in de actualiteit de èchte breinbrekers.  Daarbij moeten we niet alleen te rade gaan bij de hedendaagse  whizkids-snelheidsduivels die de kunstjes van snel en flits tot in de puntjes onder de knie hebben, maar ook en vooral bij onheilsprofeten uit een ver of minder ver verleden. De historische voorganger van de pessimistische prognose is immers de onheilsprofetie, de verkondigers daarvan hebben de heilige, maar daardoor vaak zo wanhopig makende opgave het dolende zondige volk te manen tot inkeer, hetgeen vervolgens in het beste geval tot redding zou kunnen leiden. Werkelijk goddelijke openbaring verstopt zich helaas maar al te graag in het omgerijmde. In dit verband  zou het de moete waard zijn om bijvoorbeeld verschillende  soorten profeten, hun profetieën en het effect van de preken op het gedrag daarvan op de toehoorders nader te analyseren. Mijzelf zou in dit  verband de het type profeet Jona[s] / Joenoes intrigeren: profeet tegen wil en dank, maar wèl zo succesvol – hij redde tenslotte het o zo zondige Nineve van een wisse ondergang. 

Scherp ontlede en tegelijk diep doorvoelde urgentie is in het huidige, opmerkelijk penibele  tijdsgewricht de poort naar de hoop – en dat is een van de drie ijkpunten in de drieslag van  Paulus’ sleuteltekst  in  I Korinthe 13-13  [12] . Hoe het gevoel van urgentie bij processen op lange termijn levend te houden tegenover het rumoer van de waan va de dag is hier de centrale opgave, niet in de laatste plaats voor de ware futuristische historicus.  

  =Het leven op onze Planet Aqua : De urgentie van de geschiedenis van de even noodzakelijke als hoopvolle toekomst

Het gaat hier bij het concept van de geschiedenis van toekomst niet zomaar losjes onderweg los gelaten toekomstideeën die bij nadere historisch onderzoek zonder veel problemen wakker gekust kunnen worden maar om veelal volop in de praktijk  gebrachte ideeën die in de loop der tijden losgelaten werden ten behoeve van nog nieuwere  in de praktijk  gebrachte vormen en gedachten. Nieuwere praktijken die in de loop der tijd op hun beurt een dergelijke zelfsprekende en onafwendbare indruk maakten dat verzet ertegen bij voorbaat onbegonnen werk leek al is het alleen maar omdat de gevolgen van het loslaten van de oude vormen nog veel meer rampspoed tot gevolg zou kunnen hebben. Als bij nader onderzoek bovendien blijkt dat  de nieuwe praktijken zèlf kwalijk en ja zelfs uiteindelijk noodlottig zullen kunnen uitpakken zoals bij de totale ecologische ondermijning van onze planeet geval is,  dan moet de hele mensheid wakker geschud worden: ‘Mensen, we hebben als species de planeet in een fataal dwaalspoor gebracht, beginnend vanaf de agrarische revolutie rond het jaar 10.000 v. Chr., dat via de transformatie van geld naar Het Kapitaal  stroomversnelling na stroomversnelling beleeft. O, U economen – Uw economische ideeën zijn zinsbegoochelingen, Uw troetelconcept ‘schaarste’ is plat boerenbedrog, het onafwendbare ‘offer’ dat Uw goden en hogepriesters op hoge toon van u verlangen een even afgunstig als sadistisch ritueel.”  Voor wie de geschiedenis vanuit die nieuwe, waarachtige invalshoek durft te bezien, vallen de schellen van de ogen. Wie met die nieuwe ogen The Dawn of Everything- A new History the Humanity  van het anarchistisch angehauchte duo de – inmiddels overleden – antropoloog David Graeber en de archeoloog David Wengrow leest [13] , beziet de driehoek demografie > <  bio-/aqualogie > < economie  zoals uiterst kort uiteengezet in mijn “basisprogramma 3Krimp” [ zie even verderop, tussen het eind van de tekst van dit artikel en de noten] met woede en vreugde tegelijk. Als de mensheid toen, 10.000 jaargeleden,  niet in het dwaalspoor van ‘immer meer’ was getreden, hadden onderweg  niet alleen tal van geniepige vallen en valletjes ontweken kunnen worden, maar was ons ook – veel belangrijker- een obsessief, rusteloos, bovenmatig beschaamd  en beschamend bestaan bespaard gebleven. De Homo sapiens is niet die spreekwoordelijke, tot in de eeuwigheid gebrandmerkte uitgesproken rotzak, een idee  waaraan al menig  masochistisch woord verspild werd. Hij neigt – en dan in dit geval het mannetjesexemplaar in het bijzonder – inderdaad tot – vaak larmoyante – overdaad. Kritische zelfanalyse als even scherp als zoet medicijn doet in zulke en soortgelijke gevallen wonderen. Maar intussen de woede en vreugde niet vergeten! Voorwaarts….. 

=Voor een Doggerlandse revolutionaire politiek, de dijkgraaf met zijn schimmel voorbij 

Wat hier in de strijd tegen het antropocentrisme voor futuristische historici belangrijk schuurvlak als eerste aan de orde zou moeten komen is onvermijdelijk de traditionele gemeenschap, maar daarbinnen niet alleen of primair de donkere kant daarvan. Wie met een even onbevangen als nieuwsgierige blik  wil en durft te kijken ontdekt kantelpunten die uitzicht bieden op juist heel uiteenlopende, verrassende toekomsten. Die toekomsten vinden we de eerste plaats in water, met name in zeewater. Laten we dan allereerst beginnen bij de enorme ecologische massa, rijkdom en ecologische diversiteit aan levensvormen die het maritieme te bieden heeft waarbij vergeleken de rijkdom aan de geo-kant van de medaille in de schaduw valt. Want onze aarde is – anders dan de naam wellicht doet vermoeden – vóór alles water: Planeet Aqua [ 14] . En dan niet in de laatste plaats ook om de zilte, op het eerste gezicht minder herbergzame kant er van. Die rijkdom te benoemen en te eerbiedigen is de conditio sine qua non voor de bewoners van kust en zee. Een eer, een opgave. Vanuit die instelling kunnen we zee-indiaan, de kust-indiaan in ons ontdekken.

Maar aan de nodige eerbied voor het maritieme heeft het laatste twee eeuw lelijk ontbroken.  En dat geldt dan niet in de laatste plaats voor onze ‘eigen’ Noordzee – die open binnenzee die we zo graag vooral gebruikten als ideale uitvalsbasis voor onze wereldwijde rooftochten. Laten we daarom ons nu eerst concentreren op herstel en ontwikkeling van onze eigen zee, van onze eigen biotoop: eerst ecologisch, in lijn daarmee tegelijk ook cultureel. Én concentreren op de bewoners van die wispelturige, verraderlijke  kust  die zee. Laten we hen hier Doggerlanders noemen, naar analogie van de Dogger(s)bank , ooit een verheffing in een –  later ondergelopen – laagvlakte, nu een ondiepte in onze eigen Noordzee die  om zijn ecologische ( onder meer vis)rijkheid geliefd en in het bredere verband van de Noordzee onder een nu nog kleine maar rap groeiende schare aanhangers en beschermers  – van maritieme ecologen tot en door een met cultuur- en mentaliteitshistorici – aanbeden wordt als Doggerland . Een heel rake typering: Doggerland ziet er op schrift lekker nors en tobberig uit, verwijst naar het noeste zwoegen rond zee én land om hun onderlinge verhouding zelfs maar minimaal in de smiezen te kunnen houden.  Doggerland: spreek het duidelijk, diep,  met steun vanuit de buik uit, en je hoort het ideale onomatopee voor een eindeloos worstelend stand houden. Maar binnen in Doggerland gaat ook de immense kracht  én souplesse van het water en van diens sublieme schittering schuil, nergens zo treffend tot uiting komend als in de heilige branding. Maar wie waarschuwt ons dan tijdig voor de plotselinge  zuigkracht van de mui ? Gelukkig kunnen Doggerlanders heden ten dage te rade gaan bij  de School of Doggerland en voor  behartiging van de rechten van hun kust en zee is er de  Ambassade van de Noordzee – jawel beide  vooralsnog vooral in de netwerken van The Cloud, maar die worden ruimschoots bevolkt door waarachtige mensen, dieren en planten van vlees en bloed…. [15] Hierop voortbordurend zou er hier een baaierd aan de meest uiteenlopende toekomsten  kunnen ontstaan:  in praktisch-technische zin, hetgeen en passant ook de  nodige pecunia in het laatje kan brengen,  in culturele en mentale zin,  bijvoorbeeld in een houding van meebewegen met het water in de vroeg-moderne geest van de Brabantse waterstaatkundige Vierlingh tot en met hedendaagse  zilt-natte voedselexperimenten  in aloude inlagen. Maar de toekomstgerichte Doggerlandse ecologisch eerbiedige houding  zou ook  in culturele zin tot uiting te komen in de nodige ecologische daadkracht om bijvoorbeeld  in eigen zee op eigen kust om een verdere versnelde krimp door te voeren, een versnelde krimp  van het aantal vierkante kilometers aan zee- en landbodems  waar de homo –  non -sapiens  nu nog steeds straffeloos zijn kwade  zin mag doen. Geen overbodige maatregel voor zo’n drukke en vervuilde zee!

Wat is het verschil tussen een Doggerlander en een Nederlander? De Nederlander waant zich veilig achter eigen dijken , achter eigen grenzen. De Doggerlander gaat nieuwsgierig op zoek naar geestverwanten én vreemden  aan weerszijden van grenzen, verlegt deze waar dat nodig is – waarbij ieder soort grens zijn eigen logica verdient. Voor watergrenzen heeft de Doggerlander, waterwezen bij uitstek als hij is,  een speciaal zintuig. Dat is geen overbodige luxe op onze Planeet Aqua.  Een planeet die smeekt om de ondergang van de geopolitiek van de natiestaat en reikhalzend uitziet naar de bio- i.c. aqua-regionaal bestuur[16] , ooit begonnen bij Hollands’ eigen waterschappen.  Doggerland kent al eeuwenlang zijn al dan niet als zodanig benoemde bio- en daarmee aqua-regionaal bestuur en bijbehorende grenzen, op uiteenlopende schaalniveau’s  en vanuit diverse invalshoeken benaderd. Om te beginnen het vlakke flexibele en daardoor ook voor overstromingen zeer vatbare kustland: van Duinkerken [Frans Vlaanderen,  waar de Bataafse revolutionairen toevlucht gegund werd door koning, later revolutie] via de kwetsbare zogeheten Halligen-waddeneilandjes aan de [Duitse] Noord-Friese kust tot Ribe in Zuid Jutland  [Denemarken] en aan de oostelijke [Engelse] Noordzeekust bij het estuarium aan The Wash met  Holland/ Lincolnshire  en  ELy/ Cambridgeshire.  En vervolgens: stroomgebieden die als regionale bestuurseenheden om  hun waterinvalshoek op steeds meer vlakken relevant worden, van een Leuvenumse Beek die de voormalige Zuiderzee voedt , ooit een binnenzee van Wadden c.q. Noordzee tot en met het grootste stroomgebied  van Doggerland, dat van de Rijn, van de wilde ongenaakbare Ober  Grindelwaldgletscher tot en met …bijvoorbeeld de Zuidersluis van IJmuiden,  de oudste en kleinste van de vier, vlakbij het bij de aanleg van het Noordzeekanaal verdwenen Velser Gat, de monding van een van de weinige duinbeken die regelrecht in de Noordzee uitstroomde.

Eerbied aan de ‘Doggerlander- in-ons’ verplicht ons  ook onze ‘Ereschuld-over-zee’ in te lossen, met name op water- en in het bijzonder maritiem gebied. Van acties tegen  voor fossiele  diepzeeboringen tot en met een in de volle breedte een opener houding tegenover de Global South.   Om te voorkomen dat onze ecologische voetafdruk nog groter wordt dan hij al is zou het geen kwaad kunnen om allereerst eens af te zien van vrijhandelsverdragen als dat met de Mercosur-groep die onze voetstap alleen maar verder vergroten [17] In plaats daarvan zou de aandacht gericht moeten worden op internationale samenwerkingsprojecten waarbij wél zo veel mogelijk rekening gehouden wordt met waardevolle sociale en ecologische weefsels en verbanden bij ons  en overzee, ook wanneer dat ten koste gaat van economische speelruimte in ‘Europa’ op korte termijn. Wie zei daar Brussel?  Een dergelijke ‘idealistische’, op wederkerigheid gebaseerde internationale samenwerkingsstrategie zou uiteindelijk wel eens een stuk realistischer kunnen uitpakkenheden ten dage gangbare, primair op snel gewin gerichte benadering, ook in de ‘concurrentie’ met mondiale spelers als VS en China.  

————————————————————————————————–

Steven van Schuppen Bij wijze van lentegroet in 2026

Water en zee hebben  een belangrijke rol gespeeld mijn leven; 58 van mijn 71 levensjaren heb ik aan de kust van de Noordzee gewoond. Water werd bij ons thuis lange tijd vóór alles ervaren als een teveel aan water. Het  wierp een slagschaduw over het gezin waarin ik opgroeide. Ik werd geboren in 1955 in Kortgene op Noord Beveland, toen nog een eiland. Een kleine twee jaar daarvóór was het dorp overstroomd geraakt bij de grote watersnoodramp van februari 1953.  Twee broers en een zus maakten de Ramp mee, de jongste broer overleed een klein half jaar na mijn geboorte door verdrinking. Toch ben ik nooit bang voor water geweest, Ik voelde me juist altijd extra aangetrokken door – vooral de branding van – de zee om de enorme energie die daar uit gaat – later op mijn vele bergklimtochten fascineerden gletsjerbreuken me altijd bovenmatig, ik ervaar die als gestolde, bevroren branding, zeker zo onberekenbaar als hun maritieme tegenhanger. Een besef van een mogelijkheid van een tekort aan water leeft pas echt de laatste tien-vijftien jaar. Bij wandelingen over Veluwse zandverstuivingen zongen we wel melig-pesterig over de dorre vlakten der woestijnen naar de woorden van de profeet Jesaja, we hebben ons nooit ècht zorgen gemaakt om een decilitertje minder drinkwater. Tja toen kwam er aan het eind van het vorige decennium dat cohort van meerdere aaneengesloten  extreem droge jaren die werkelijk dramatisch uitpakten voor de natuur op de arme zandgronden. Een goede aanleiding  om  in de onderzoeken van landschapsarchitect  Arjan Nienhuis en mij ons nu nadrukkelijk op de dreigende droogte daar te richten.

Bij de manier waarop en de invalshoek van waaruit we [landschapsarchitect Arjan Nienhuis en ik] als onderzoekers naar met name de ‘eigen’ Noordzee te werk gingen bouwden we voort op eerdere  soortgelijke onderzoeken in kustelijke contreien – van het Ontwerpatelie Aan Zee  Den Haag [RPB thans PBL 2002]. met atelierleider  Jan de Graaf]] waaraan Arjan aan meedeed via o.m. Noordzee – cartografie vaneen wereldzee [2004 [opnieuw met Jan]De langste stad : Van Het Zwin tot de Slufter. Reis langs het verblijfsrecreatief erfgoed van de Nederlandse kust [2005 samen met o.m. Arjan, Jan en Gerjanne Beumer] , Onland en Geestgrond – Het mentale landschap  in de ruimtelijke orde van de Lage Landen [2007],  en Verdreven voor de Atlantikwall –  Ontruiming en afbraak van de Nederlandse kuststreek 1942 –19445  [ samen met Geert-jan Mellink en Peter Saal j2017]  tm diverse essays in De Gids, De Nederlandse Boekengids en NieuwWij tussen 2012 en 2021.

Krimp was zon kwart eeuw geleden nog een woord dat men liever niet hardop uitsprak. De Muur was immers gevallen, plechtig was het einde de geschiedenis aangekondigd en de economie was booming als nooit tevoren. Niks aan de hand meer dus?  Nee! zeiden enkele taaie dwarsliggers. Samen met o.a. Jan Dirk Dorrepaal , Arjan Nienhuis en andere professionals in de sfeer van de ruimtelijke ordening lanceerde ik in 2006 de website www.dubbelkrimp.nl , waarbij sindsdien het woord krimp van zijn pariastatus is verlost; de krediet- en  eurocrisis [2007 – 2014] deed de rest.  Het concept van dubbelkrimp behelst de [1] krimp van de omvang van de bevolking en de [2] krimp van het door en voor de mens te expoteren vrij te exploiteren oppervlakte van de bodem. Een en ander op lange termijn met tijdshorizon in het jaar 2100.  Het gaat hier om een opgave die het in zich heeft om zich bij blijvende substantiële beleidsinzet te ontpoppen als een haalbare trend.

 De laatste tien jaar is daar in het kielzog van genoemde krediet- en  eurocrisis de [3] de  krimp van de  economie i.c. het kapitaal bij gekomen, waarmee het concept is uitgegroeid tot een drievoudige krimp. Eind februari verschijnt  op www.dubbelkrimp.nl een geactualiseerde versie van basisprogramma  3Krimp. Op de volgende bladzijde staat het schema dat ten grondslag ligt aan het programma.  Tot 31 januari 2026 is het voor een ieder vrij schieten; richt uw pijlen op dat  schema dus –   en sein de schietresultatendoor naar  stevenschuppen@gmail.com .

 

Basisprogramma  3Krimp

DRIEVOUDIGE KRIMP ALS OPGAVE EN HAALBARE TREND

1

Krimp van de omvang van de bevolking

Vertraagde geleidelijke  krimp, inzettend met het  krimpkantelpunt in de jaren 2060

Onder een zo menselijk mogelijke en een tegelijk zo strikt mogelijke interactief democratische controle

Voor zover dat überhaupt reëel is

En waar fluctuaties opportuun zijn met zeer geleidelijk verlopende overgangen

2

Krimp van het door de homo non sapiens te exploiteren oppervlakte aan land- én zeebodems

Versnelde  krimp

Onder extra strikte interactief democratische controle

3

Krimp van het Kapitaal

GELD is door de homo sapiens gecreëerde abstracte rijkdom. 

KAPITAAL is door de homo non sapiens vergiftigde abstracte rijkdom

Particulier kapitaal ,  zowel  Anglo-Amerikaans [shareholders-]  als Rijnlands [stakeholders-]

Versnelde maar in tempo fluctuerende krimp

Onder deels extra strikte controle

Collectief, [statelijk dan wel coöperatief ] kapitaal ,  op globaal, continentale, regio-natiestatelijke en coöperatieve schaal     

In tempo fluctuerende krimp  met zeer geleidelijk verlopende overgangen

Onder interactief democratische controle

————————————————————————————————————————————–

NOTEN

[1]
Saskia Pieterse  en  Janneke Stegeman, Uitverkoren Hoe Nederland aan zijn zelfbeeld komt  Amsterdam [ Polak Van Gennep] 2025 . Het ligt in de bedoeling dat ik komende maanden nog nader zal  ingaan  op andere thema’s in dit opmerkelijke boek, en wel allereerst  op het thema ‘ seculier’  dat in de epiloog aangestipt wordt en om nadere kritische uitwerking smeekt.

[2]
Zie: Steven van Schuppen, Onland en Geestgrond – Het mentale landschap in de ruimtelijke orde van de Lage Landen Amsterdam [SUN] 2007,  blz. 88

[3]
B.H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning –  Geschiedenis van het platteland in Overijssel  Utrecht 1977

[4]
J. Kops, Tegenwoordige Staat der Duinen van het voormalig gewest Holland zijnde het eerste deel van het Algemeen Rapport  der Commissie van Superintendentie over het onderzoek der duinen  Leiden 1799

[5]
De correspondentie van Jan Kops aan Staring ging over landbouwkundige en botanische zaken en kwesties en over makeverdelng en en pachten;  zie H.B. Demoed, De landbouwkundige activiteiten van A.C.W. Staring , in:J.C.  Boogman e.a, [red] A.C.W. Staring – Dichter en landman – Regionalist en nationalist  Zutphen [Walburg Pers] 1990, blz. 184 – 185 e.a.

6]
Andries Vierlingh, Tractaet van dyckagie Den Haag [Nijhoff] 1920

[7]
Theodor Storm,  De schimmelruiter  Amsterdam [Veen] 2018

[8]
Ferdinand Tönnies, Gemeinschaft und Gesellschaft –  Grundbegriffe der reinen Soziologie  Darmstadt [ wissenschaftliche Buchgesellschaft ]                 1969  De eerste editie uit 1887 droeg nog de titel : Abhandlung des Communismus und des Socialismus als empirischer Culturformen ze link meet facsimile van die uitgave: https://www.deutschestextarchiv.de/book/show/toennies_gemeinschaft_1887 . Dit weerspreekt de bewering van Tönnies dat er altijd vanaf het prilste sprake zou zijn geweest van een rein soziologisches onderscheid tussen Gemeinschaft en Gesellschaft . Dat onderscheid wàs niet neutraal, althans aanvankelijk  niet. Het communisme hoorde onmiskenbaar het traditionele, organische van de Gemeinschaft toe, het socialisme daarentegen het kunstmatige,’bedachte’, rationele van de Gesellschaft. En ach, wie herinnert zich niet het gedweep van Tönnies én diens vakgenoot Weber met het intense communisme van de mir, de Russische  dorpsgemeenschap in de jaren nul van de 20e eeuw?

[9]
Aan de noords-heidense trekken van Storm  refereert Thomas Mann in zijn aan Storm gewijd portret in  Thomas Mann, Gesammelte Werke in dreizehn Bänden , band IX Reden und Aufsätze  Fisher Taschenbuch Verlag blz. 246 . Wie een  breed, evenwichtig en gedetailleerd beeld van Storm zoekt leze :  Jochen Missfeldt, Die graue Stadt am Meer – Der Dichter Theodor Storm senem Jahrhundert Biographie  München z.j. 

[10]
Voor wie verder wil doordringen in Webers complexe innerlijke ziels-tegenstellingen en de gevolgen daarvan  voor diens  politieke, maatshappelijke en wetenschappelijke  opvattingen is  er het weergaloze psycho-historische meesterwerk van  Arthur Mitzman, The iron cage- an historical interpretation of Max Weber  New York [Alfred A. Knopf] 1970

[11]
  Ik zinspeel hier op het verschijnen van het monumentale De actualiteit van het archaïsche  – tegen de moedeloosheid van de moderne tijd van filosoof  Gabriël van den Brink (Amsterdam [Prometheus] 2025), onmiskenbaar  – mede –   als antwoord bedoeld op het boek van de  antropoloog David Graeber en de archeoloog David Wengrowth  The Dawn of Everything dat indertijd zoveel stof deed opwaaien – waarover meer onder noot [13].  Ik ga in een volgend artikel zeker nader in op beide titels.

[12]
Eerste brief van den apostel Paulus  aan die van Korinthe, Hoofdstuk 13, Vers 13 ; ‘En blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde’  [Statenvertaling, Leeuwarden [Jongbloed] z.j.

[13]
David Graeber en David Wengrow, The dawn of Everything A New History of Humanity Londen [Penguin] 2021, blz. 231 e.a.

[14]
Jeremy Rifkin, Planet Aqua – Rethinking Our home in the Uuniverse  Cambridge [Polity Press] 2024

[15]
=Over  de Ambassade van de Noordzee :  https://www.ambassadevandenoordzee.nl/
=Over de School of DOGGERBANK : https://www.ambassadevandenoordzee.nl/werkgroepen-school-of-dogger-bank/ en  https://www.embassyofthenorthsea.com/projecten/dogger-bank-breeding-ground-of-the-north-sea/
=Over hoe geo-/auquagrafische en eco-/aqualogische  entiteiten tot rechtspersoon kunnen uitgroeien   https:/tegenlicht.vpro.nl/artikelen/hoe-de-natuur-steeds-meer-rechten-krijgt
= Tentoonstelling DRIFT Mesdag Den Haag:  https://panorama-mesdag.nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/drift/

[16]
In Rifkins jongste boek  Planet Aqua [zie noot 14] voorspelt de auteur de ondergang van de geografisch verankerde natiestaat   en suggereert de instelling van aqua- dan wel bio-regionaal bestuur ; blz. 215- 228.  

[17]
Helaas, in april 2026 werd het verdrag van de EU met de Mercosur-landen dan toch nog eindelijk geratificeerd. De EU vierde dat feit t alsof hiermee  een beslissende slag was toegebracht aan het streven van president Donald Trump de  toepassing  van  ‘zijn’ kersverse  ‘Donroe-doctrine’ [ i.p.v. Monroe-doctrine] : de USA en zijn president – The Donald –  mogen alles wat God verboden heeft uitspoken in de achtertuin van Washington,nee ;  niet alleen  in Midden en Zuid Amerika, Maar ook in  …Groenland…..

: